Reportage

‘Dodelijke verveling? Brussel bleek de ultieme droom én nachtmerrie voor een correspondent’

Standplaats Brussel Toen correspondent de Balkan verruilde voor Brussel, vreesde hij dodelijke verveling in een eurocratenstad. Het liep anders. Twaalf jaar later verlaat hij Brussel en brengt hij een ode aan „eeuwige mankementen” en „gestold onvermogen”.

De Heyvaartstraat, draaischijf voor de mondiale handel in tweedehandsauto’s, biedt eeuwig spektakel: gaat de Slowaakse chauffeur wel of niet de gevel schampen?
De Heyvaartstraat, draaischijf voor de mondiale handel in tweedehandsauto’s, biedt eeuwig spektakel: gaat de Slowaakse chauffeur wel of niet de gevel schampen? Foto Franky Verdickt

Daar gaan we weer. Landverhuizing nummer drie nadert en op zolder stapelen de dozen zich op. Links „moet mee naar Balkan”. Rechts „kan naar de stort”. Na de eerste, van Amsterdam naar Boedapest, ging ik zoals iedere immigrant in het zwarte gat op zoek naar iets dat voelde als ‘thuis’. Het liefst een bruin café met biljart, ouwe graanjenever en een schotel old Amsterdam en leverworst. Beetje banaal, maar de ontheemde hand is snel gevuld. Het dichtst in de buurt kwam de kocsma: niet een specifiek café, maar verzamelnaam voor Hongaarse dranklokalen waar wordt geouwehoerd, gezopen en gevochten. Niet op leven en dood, maar gewoon, om de dag gepast af te ronden.

Hier was ik ‘thuis’ als verslaggever. De verhalen kwamen me vanzelf tegemoet stinken in de nevel van derderangssigarettenrook en lokaal gestookte pálinka.

Het deed dan ook pijn toen ik na acht jaar reizen door Hongarije en de Balkanlanden moest vertrekken: in Brussel wachtte een nieuw post als EU-correspondent.

Voorbij met de mooie verhalen, jongen. Heb je al een blauw kostuum? En begin maar snel met nicotinepleisters plakken!

Met satanisch genoegen – die keert wegens dodelijke verveling in de eurocratenstad met hangende pootjes wel weer terug – zwaaiden vrienden me op een katerige nieuwjaarsochtend uit.

Waar was ik aan begonnen?

Ik probeerde me te concentreren op de weg, met een hoofd vol watten. Op de achterbank de twee katten en Schillie de schildpad. Natuurlijk moesten die allemaal mee, vond mijn zoon. En op de passagiersstoel snoof Zorra, de Hongaarse labrador, door het geopende raam de Waalse lucht gulzig op. We naderden onze nieuwe bestemming.

Fast forward.

Dodelijke verveling? Brussel bleek de ultieme droom én nachtmerrie voor een correspondent. Hoofdpijndossiers gingen naadloos in elkaar over, van euro- naar migratiecrisis, van terreuraanslagen naar betonrot in tunnels, van Brexittranen naar pandemie. Tussendoor zorgden het Belgische politieke theater aan de Wetstraat en de Rode Duivelseuforie voor malse intermezzo’s.

Maar hoe zat het met ‘thuis’ in Brussel? Zou ik als dolende Hollander ooit mijn kocsma vinden in deze ongrijpbare metropool? „Brusselaars zijn het aardigste volk ter wereld”, schreef Willem Frederik Hermans die in Brussel zijn laatste levensjaren doorbracht. En Hermans had altijd gelijk.

„Sjènkan sjènk!” Achter de tapkast haalde barvrouw Adeline papier en pen tevoorschijn. Al vijf keer had ze „sjènkan sjènk” gezegd, en nóg had ik het niet begrepen. Nu schreef ze het op: „55”. Zoveel jaar al bediende de Spaanse hier haar klanten, in Bar Llanes aan de Kolenmarkt. In 1966 was ze uit Asturië naar Brussel geëmigreerd. „En wat brengt u hier?”, vroeg Adeline in het Frans. Ik keek om me heen. Vergeelde reisbureaufoto’s uit de jaren zeventig hingen aan de muur. Aan opsmuk deed Adeline niet. Ik was weer een beetje ‘thuis’.

Ik hoefde alleen nog te zoeken naar dezelfde vrolijke chaos als in de straten van Belgrado, Tirana of Pristina. Zou het Brusselse straatbeeld daar aan kunnen tippen?

Het beeld van het gapende gat voor mijn hotel in Kosovo doemde op. Al die jaren dat ik er tijdens mijn Balkantijd kwam, had niemand de moeite genomen om het af te dekken. Erom heen was een afzetting van paaltjes en rood lint. Op een dag knielde ik aan de rand, stak mijn hoofd in het gat en schreeuwde. Tien meter diep, schatte ik, afgaande op de echo. Ik was verslaafd geraakt aan de mankementen in het dagelijkse bestaan op de Balkan.

Dat wordt afkicken in Brussel, vreesde ik.

Maar op mijn Brusselse stadswandelingen leerde ik dat de verdovende middelen hier voor het oprapen lagen. Overal dezelfde gaten, paaltjes en rood lint. Overal hetzelfde gestolde onvermogen om van het abnormale iets normaals te maken.

Wie is hier voor verantwoordelijk?

„Weten we niet.”

Gaat iemand dit oplossen?

„Wablief? Nog een pintje?”

Van de Brusselse uitdrukking je m’en fous – „wat kan mij ’t schelen” – had ik als nieuwkomer nog niet gehoord, maar wat deed het ertoe? Brussel ontpopte zich tot de gulste dealer die een junk zich kon wensen. En het mooiste was: de gekte en de verbeelding zaten overal op ooghoogte, terloops uitgestald achter de ramen van woonhuizen. Bij gebrek aan een door kunstcritici erkende aanduiding noem ik ze maar vitrinetableaus. Mijn Brusselse gemeente Sint-Gillis staat er vol mee en de mooiste vind je in de Metaalstraat. Je moet flink inzoomen – zie foto rechts – om daarin rechtsonder een biggetjesfamilie te ontdekken. In de rechterbovenhoek hangt het hoofd van een vos naast een rood shirt met de tekst SEXY. Prominent in beeld: een gehaktmolen en een gammele beenprothese.

Waarom nemen de bewoners de moeite? Wat doen die gehavende barbiepoppen in de collage? En wat moet ik met de lachende kabouters op een lap kunstgras achter het raam bij de buren?

Op de laptops die ik de afgelopen jaren versleet zwerven duizenden foto’s van deze bizarre taferelen. Het werd obsessief, met omzwervingen door alle uithoeken van Brussel, Vlaanderen en Wallonië.

Sommige confrontaties met infrastructurele raadsels werden filosofische kwellingen. Verkrampt bleef ik achter op het kruispunt met de borden wegomlegging naar links en déviation naar rechts. En welke betekenis ging schuil achter het waarschuwende verkeersbord in de velden van Pajottenland: „Pas op: zingende kinderen”?

Ik ging te rade bij de grootmeester, de Duitser David Helbich, filosoof en auteur van fotoboek Belgian Solutions (2013). Zijn foto’s van huizen zonder ramen en doodlopende geveltrappen zijn inmiddels beroemd. „Als niet-Belg daar afkeurend je hoofd bij schudden is helemaal fout”, doceerde Helbich. „De Belg is juist trots op de humor achter die zogenaamde mislukkingen.”

Na de publicatie van zijn eerste boek ging Helbich terug naar de gevel met de doodlopende trap. „Had iemand tóch weer een deur gebouwd in die blinde muur.” Of die deur toegang bood tot iets deed er niet toe. „Het was pure poëzie”, vond Helbich. Harddrugs, wat mij betreft.

En toen moest ik de Heyvaertstraat nog ontdekken. Het was liefde op het eerste gezicht. Op ruim een kwartier lopen van de mondaine modebuurt Dansaert loeide de kakofonie aan. Dit Brusselse straatje bleek de draaischijf voor de mondiale handel in tweedehandsauto’s. De walm van diesel en geroosterd vlees uit de Africa Meat-slagerij was bedwelmend.

Afrikaanse mannen hingen er in groepjes rond, literflessen bier op tafel, in afwachting van Oost-Europese vrachtwagens die auto’s kwamen afleveren. Met moeite maakten de dubbeldekse opleggers de scherpe bocht bij de Slachthuizen. Vanuit tweesterren-bistro La Paix op de hoek – populair bij Europese topambtenaren die er genieten van het ruige schouwspel op straat – leefde iedereen mee: gaat de Slowaakse chauffeur het redden of schampt hij de gevel?

„Deze buurt verpauperde, dus Brussel verwelkomde ons destijds met open armen”, zei autohandelaar Pierre Hajjar wiens Libanese familie een halve eeuw geleden hier neerstreek. „En nu willen ze ons weg hebben!?”

Ik begreep Hajjars verontwaardiging, maar kon die nauwelijks met iemand delen. Want mijn aankomst vanuit de Balkan in Brussel viel samen met het begin van de strijd tegen Koning Auto. Om vrienden te maken met politiek-correcte Brusselaars kon ik maar beter niet beginnen over mijn liefde voor diesellucht.

Voor mijn guilty pleasure moest ik ondergronds, en daar wachtte mij het walhalla: de tunnels op de Brusselse ring.

Mijn favoriet werd al snel de Leopold II-tunnel. Ik genoot van de hallucinante tocht langs loshangende kabels en defecte, op onverwachte momenten opflikkerende lichten. Nederlandse vrienden, op weekendbezoek, stuurde ik niet naar de Grote Markt; ik sleepte ze mee de tunnels in.

Toen kwam de dag dat het eerste stuk beton in een tunnel naar beneden denderde. Ik wist dat de infrastructurele kermisattractie ten einde liep. Renovatiewerken startten, sommige tunnels gingen dicht, de lol was er af.

Actiegroep Pic Nic The Streets won het pleit voor autovrije zones en op het asfalt van de grote Anspach-boulevard in het centrum verschenen tafeltennistafels. Bij de jaarlijkse keuring keek de controleur me streng aan: „Uw dieselauto is binnenkort niet meer welkom.” Hij zei het alsof ook míjn laatste Brusselse dagen waren geteld.

Ik moest veranderen, en snel. En ik moest ophouden met het bezingen van die ranzigheid van Brussel – „valse romantiek”, hoorde ik om me heen al als verwijt.

Onlangs bezocht ik mijn oude Heyvaert-liefde weer. Met gemengde gevoelens had ik gelezen over hoe de handelaren vrezen dat ze in de strijd tegen Koning Auto het onderspit gaan delven. Maar de opleggers wurmden zich nog altijd door de nauwe straat, de herrie en stank waren als vanouds.

„Dit is de hel, maar het hoort bij de buurt”, zei gérant Fabio op de stoep voor zijn bistro La Paix.

Waarom klonk die combinatie van vaststellingen mij zo Brussels in de oren? Brussel is Brussel, juist omdat ook de duivel er rondspookt.

Wandelend over de Anspach, langs truttige plantenbakken, haalde ik herinneringen op aan de euforie over het vinden van dat laatste parkeerplekje voor poptempel Ancienne Belgique.

Was het voorgoed gedaan met de vrolijke Brusselse chaos en, bij uitbreiding, anarchistisch België?

Op die momenten van vertwijfeling bood Mark Eyskens me altijd troost.

Ik liep de oude politieke vos, burggraaf en voormalig premier van België, tegen het lijf op een nacht van verkiezingsuitslagen.

Hoe het nou toch verder moest met België, vroeg ik hem. Zou het land barsten?

Eyskens doorboorde me met zachte doch vileine blik – een combinatie die alleen de allergewiekstste Belgische politici beheersen – en zei: „Ach jongen, mijn generatie heeft dit land zo in elkaar gezet dat niemand het meer úít elkaar krijgt.”

Een laatste maal bezocht ik de KVS, de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in hartje Brussel. Die avond ging de dansvoorstelling Time, Creation, Destruction: j’ai pleuré avec les chiens in première.

Over huilen met de honden gesproken: ik begon me na twaalf Brusselse jaren te voelen als de dalmatiër die ik ooit trof aan de buitenbar van mijn favoriete garnaalkrokettenfrituur. Parmantig had de hond zijn voorpoten gezet op de bar – niemand nam er aanstoot aan. Brusselaars nemen bijna nooit ergens aanstoot aan.

Twaalf jaar had ik mijn best gedaan er bij te horen, in deze stad waar iedereen in gelijke mate vreemdeling én thuis is. Je vindt er vanzelf je gading in één van de bubbels – de eurobubbel, de Navobubbel, de oranjehockeybubbel, de Molenbeekbubbel, de Dansaertvlamingbubbel. Zelfs vond ik er een Balkanbubbel, inclusief Hongaarse worstenwinkel, Servische slivovitsjspeciaalzaak, Roemeens-orthodoxe kerk, Kosovaarse voetbalclub en de barmhartige Albanese portier van jazzclub L’Archiduc.

En toch.

Op een dag weet je als correspondent: ik klop niet meer in het totaalplaatje.

In mijn eigen bubbel, de eurobubbel, lag blikvernauwing op de loer. Het was tijd om te gaan. Adieu Brussel.

Dit artikel is een voorpublicatie uit de in oktober bij Prometheus te verschijnen verhalenbundel Het Brusselse moeras – Achter de schermen van de macht in Europa van Tijn Sadée en co-auteur Bert van Slooten. Sadée ruilt deze zomer Brussel als standplaats in voor de Balkan, waar hij aan de slag gaat als reizend Europacorrespondent.