Recensie

Recensie Boeken

De schoonheid van een tot slaaf gemaakte vrouw is haar ondergang

Maryse Condé Eindeloos herhaalt de geschiedenis zich, in dit duizelingwekkende relaas van vele personages op Guadeloupe en ver daarbuiten. Iedereen bij Condé is getekend door armoede en uitsluiting.

De Caraïbische zee
De Caraïbische zee Foto BERTRAND GARCIA

Op de eerste pagina van de recent vertaalde roman Tot het water stijgt van Maryse Condé buldert de donder in de Guadeloupse onweersnacht, mango’s vallen als stenen naar beneden. Het gekletter op de golfplaten van het dak wekt de verteller, Babakar, die in zijn droom net bezoek kreeg van zijn moeder, haar ogen helderblauw als korenbloemen.

De hele roman zal het blijven donderen, letterlijk en figuurlijk. Midden in die nacht wordt Babakar, die arts is, geroepen voor een bevalling die misgaat. De moeder is overleden als hij aankomt, het kind leeft. Wie haar vader is, is onbekend. Babakar smelt voor het pasgeboren meisje dat hem doet denken aan zijn eigen, overleden kind, hij neemt haar mee, noemt haar Anaïs. Dankzij haar heeft Babakar, afkomstig uit een vorstelijke, uit Ségou afkomstige Bambara-familie, weer een doel in zijn leven.

Met Ségou, haar historische roman uit 1987, vernoemd naar de stad in Mali, werd Maryse Condé (1937) wereldberoemd. Sindsdien werkte de op Guadeloupe geboren auteur aan een magnifiek oeuvre van al dan niet autobiografische romans, toneelstukken en jeugdboeken, waarvoor ze in 2018 de ‘Alternatieve Nobelprijs’ kreeg – al had ze de echte ook zeker verdiend.

Deze nieuwe vertaling van Tot het water stijgt uit 2010 is een achtbaanrit, een roman die zo bol staat van de verschillende levens en dito identiteiten dat het je al snel duizelt. Om de beurt doen Condés personages hun verhaal, zonder uitzondering getekend door armoede, geweld en migratie, door ongeluk en liefdesverdriet – in Afrika, in de Palestijnse gebieden, op de Antillen, Haïti of elders in de Cariben.

Het verhaal van Babakar begint met zijn moeder, een uitzonderlijke schoonheid uit een tot slaaf gemaakte Afrikaanse familie. Allemaal zijn ze klein van stuk en hebben ze uitzonderlijk heldere, blauwe ogen. Haar schoonheid maakt jaloers, ze wordt gehaat, tot heks gebombardeerd. Met exceptioneel mooie vrouwen loopt het sowieso slecht af in de Caribische literatuur: ook de bloedmooie vrouw uit The Mermaid of Black Conch (2020), de prachtige roman van Monique Roffey uit Trinidad, wordt vervloekt: ze zal eeuwig als meermin in de oceanen zwerven.

Babakar verliest zijn moeder op jonge leeftijd, maar in zijn dromen blijft ze hem opzoeken. Haar zoon is een harde werker, altijd op pad om kinderen op de wereld te helpen en voor wezen een goed tehuis te vinden. Het is een licht naïeve eenling, de twee vrienden die hij heeft – een Arabier en een Haïtiaan – zijn, net als hij, gebutst door de geschiedenis, slachtoffer van dictators en etnisch geweld. Babakars moeder noemt het trio spottend ‘de kolonie van ontroostbare weduwnaars’.

De geschiedenis herhaalt zich eindeloos, laat Condé zien in dit duizelingwekkende relaas: steeds is er weer een nieuwe sterke leider die grote woorden als ‘democratie’ en ‘anti-imperialisme’ in de mond neemt. Steeds blijkt ook de nieuwe machthebber zich te verrijken en loopt het uit op een bloedbad voor de bevolking. ‘Afrika is geenszins die moeder-voor-allen-met-de-gulle-borst, waar iedereen hoog van opgeeft’, schrijft Condé, ‘geen continent heeft zo’n klasse-ongelijkheid en is zo meedogenloos voor de zwakkeren’. Uitsluiting en geweld tegen wie ‘anders’ is, zijn aan de orde van de dag, toen en nu. De christen, de moslim, de Malinees, de Creool, de noorderling, de zuiderling, de Afrikaanse vrouw met de blauwe ogen – allemaal worden ze om racistische motieven buitengesloten, blijven ze de eeuwige ander. Ze hopen op betere tijden, tegen beter weten in. Condé smeedt hun levens aan elkaar, in een wervelstorm vol dramatische gebeurtenissen, in een volle, overvolle roman.