Opinie

'Had jij het zien aankomen, Marcel? Peter R. de Vries?'

Marcel van Roosmalen

In de Vomar in het dorp kakelden ze de media na, niet de kranten, was het maar zo’n feest, maar vooral de televisie en wat ze allemaal hadden gezien op de sociale media. Feit en fictie vermengden zich zo tot een blurb die ze me hangend over hun winkelkarretje vertelden. „Nou, jij zult ook wel geschrokken zijn”, zei een vrouw die zich ophield bij de cruesli.

„Net als iedereen”, antwoordde ik.

„Nou, ik vind het schandalig”, zei ze.

Dat doen ze hier nou de hele tijd: bij verontwaardiging de zin met ‘nou’ beginnen. En liefst afsluiten met ‘dus’.

„Ik zeg een strik eromheen en weg ermee, dus”, ging de vrouw verder. Ze had het over de cocaïnemaffia. „En ik ga hun boeken ook niet kopen.” Daarna tegen Lucie van Roosmalen (5): „Ik ken jouw papa van televisie en ik vind hem niet altijd leuk, maar soms wel. Dus.”

Ik was blijkbaar vertrouwd geworden, schoot het bij de zuivelafdeling door me heen. De eerste jaren keken ze naar me alsof ik van een andere planeet kwam, maar de laatste maanden voelden ze geen enkele schroom om tegen me aan te kakelen.

Was ik socialer geworden? Dat straalde ik blijkbaar uit.

Helemaal niet de bedoeling!

De groenteboer zei dat ze misschien de kat nou wel uit de boom hadden gekeken. „Ze hebben hier ongeveer twee jaar nodig om te wennen. Dat is Zaans. Nou ze zijn gewend, nu kom je nooit meer van ze af.”

Ik was een vraagbaak, een gids uit een andere wereld. Alles is hier omgekeerd. Het hele land is vergeven van de journalisten/verslaggevers/bloggers die gewone mensen achtervolgen met hun blocnotes, telefoons en camera’s om nietszeggende reacties vast te leggen. In mijn dorp achtervolgen de gewone mensen mij voor een quote.

„Daar zul je ’m hebben!”, hoorde ik laatst. „Had jij het zien aankomen, Marcel? Peter R. de Vries?”

Andere vragen die mij de laatste dagen gesteld zijn:

„Wanneer denkt u dat corona stopt?”

„Wat denk jij? Krijgen we een mooie zomer?”

En het dieptepunt: „Ik heb last van de rug, wat denk jij… Is het artrose?”

Ik heb ‘ja’ gezegd: „Ja, u heeft artrose. Dus.”

De man keek me aan en zei: „Dankjewel.” Nog net niet: „Dankjewel, dokter.”

Deze ontwikkeling is niet te stoppen. Ik had het erover met een vrouw die ongevraagd een rompertje kwam brengen voor Frida van Roosmalen (0). Ze is psycholoog aan huis, of beter ‘bij huis’, want ze opereert vanuit een garage. Haar woorden vrij vertaald: ik ben een parel die uit een oester is gerold, ze hebben ’m allemaal zien glinsteren en het heeft geen zin om terug te kruipen. „Dan gaan ze aan de randjes peuteren.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.