‘Ik zag ze kijken: zó’n stel, dat wordt wat in december’

Sarah’s zomer

De komende weken schrijft Sarah Sluimer over haar zomer. Deze keer: langzame verandering in de basisschoolklas.
Sarah’s zomer

We zaten aan de keukentafel met de laptop opengeklapt tussen ons in. Juf Mieke sprak de ouders „vanwege de corona” via een onlineverbinding toe. Het ging over top en flop, broodtrommels en beloningsstickers, klassenhulpjes en plaskettingen. Na een sessie die zich in alle goedbedoelde lamlendigheid uitstrekte over het leeuwendeel van onze vrije avond was het tijd voor een vragenrondje. „Zal ik het zeggen of jij?”, zei mijn vriend. „Doe jij maar”, zei ik lafjes, terwijl ik de traumatische kramp van mijn levenslange angst voor autoriteit in mijn kuiten voelde trekken. We namen allebei een slokje wijn en ik knikte hem bemoedigend toe. Hij zette de luidspreker aan.

„De ouders van Ezra”, kondigde juf ons hard aan, alsof ze bingonummers voorlas.

„Ja”, schrok mijn vriend. „Dat klopt. Kijk. Vorig jaar hadden jullie in de klas als thema Ridders en Prinsessen, waarbij de meisjes tijdens het eindejaarsstukje zongen dat ze mooi en schoon waren en de jongens stoer en sterk.”

Het viel stil. In gedachten zag ik de meeluisterende ouders elkaar met rollende ogen aankijken. Zó’n stel. Dat wordt wat in december.

„Nou is mijn vraag: mag mijn zoon ook een jurk aan als hij dat wil?”, zei mijn vriend, veel te abrupt naar de conclusie doorstotend. Weer een stilte, dit keer langer. „Maar natuurlijk!”, zei juf Mieke opeens schril. „Onze ervaring is alleen dat de jongens allemaal écht ridders willen zijn en de meisjes prinsessen. Maar laatst hadden we een jongetje in de poppenhoek met een verkleedjurk aan en dat vinden we op deze leeftijd nog helemaal niet erg.”

Na een sessie die zich in alle goedbedoelde lamlendigheid uitstrekte over het leeuwendeel van onze vrije avond was het tijd voor een vragenrondje

Ik keek mijn vriend met wijdopen ogen aan. Hij haalde enigszins hulpeloos zijn schouders op. Ik schoof naar het puntje van mijn stoel en begon tegen hem te sissen. „Wat? Wat zegt ze nou? Natuurlijk willen die kinderen niet experimenteren als ze een leraar hebben die iedere afwijking van de norm met tegenzin toestaat.” Ik probeerde de laptop naar me toe te trekken, maar hij weerde me af, baste nog net „Dankjewel juf Mieke, helder!” in de microfoon en klapte het apparaat dicht. „Alles op z’n tijd”, zei hij tegen me. „Kleine stapjes voorwaarts.”

Verslagen stampte ik van tafel naar boven en ging in kleermakerszit aan het bed van mijn zoontje zitten. Hij lag diagonaal te slapen. In zijn linkerhand hield hij een brandweerauto geklemd. Boven zijn hoofd hing een poster van een gevaarlijke T-Rex. Onder het dekbed kwamen zijn voeten tevoorschijn. Ik luisterde naar zijn zorgeloze adem en werd kalm. Misschien was het ook goed zo. Geen ruzie, geen gedoe. En precies op dat moment viel het maanlicht door de kier in de gordijnen, waardoor de felrode lak op zijn teennagels schaamteloos glansde.

Ik keek ernaar en wist: die voeten verdienen meer dan langzame verandering. Die voeten hebben het recht om hier en nu, in alle vrijheid, enorme stappen te kunnen maken.

Sarah Sluimer schrijft boeken, essays en toneelstukken.