Opinie

Hoe vier nieuwe Kamerleden de tegenmacht willen zijn

Politiek Zestig Kamerleden die op 31 maart werden geïnstalleerd zaten nooit eerder in het parlement. Waarover hebben zij zich het meest verbaasd in hun eerste honderd dagen? En hoe willen zij de ‘tegenmacht’ zijn? NRC nodigde vier van hen uit die vragen te beantwoorden.

Illustratie Nanne Meulendijks

Lisa van Ginneken
‘Inhoudelijk debat is ver te zoeken’

Mijn eerste maanden als Kamerlid zijn voorbij gevlogen. Inmiddels loop ik door het Kamergebouw alsof ik nooit anders deed. Ik deed hier prettige en onprettige ontdekkingen: naast de plenaire zaal zit een balkonnetje, waar je tijdens een schorsing onbespied een straaltje zonlicht kunt pakken; als een vergadering begint, rinkelt een onaangenaam luide bel wel een minuut lang en stopt iedereen met praten – alsof je naast het spoor woont en de dagelijkse goederentrein als gezinslid bent gaan zien; het Tweede Kamerpersoneel kent al na twee dagen je naam en blijft vriendelijk als je voor de zoveelste keer uitleg vraagt over ingewikkelde procedures.

Wat ik ook ontdekte: politiek theater. Voorspelbare electorale stokpaardjes en kinderachtige sneren op de persoon. Het effect is dat mensen vervreemd raken van de politiek. Ondertussen veranderen digitale technologieën de wereld sneller dan ooit. Daar is veel te weinig aandacht voor. Te moeilijk? Onzin. We nemen de kiezer, de kijker, de luisteraar en de lezer niet serieus genoeg.

Dagelijks hou ik mij bezig met vraagstukken rondom de indringende rol die digitale technologie speelt in onze samenleving. Big data, algoritmes en kunstmatige intelligentie raken alle beleidsterreinen: van economie, justitie en zorg tot onderwijs en binnenlandse zaken.

Elke macht heeft tegenmacht nodig. Elke markt heeft een strenge marktmeester nodig. De invloed van een handjevol techreuzen op onze samenleving is te lang voor vanzelfsprekend aangenomen. We moeten bespreken hoe diep bedrijven in jouw privéleven mogen treden.

Ook de overheid mogen we vaker op het matje roepen. Uit angst dat mensen de wet overtreden, houdt de overheid zich zelf niet altijd aan de wet. Voorbeelden zijn de lokale wildgroei aan besluitvormingsalgoritmes en het veelvuldig negeren van de wet door veiligheidsdiensten, politie en de Belastingdienst.

We horen hier veel verontwaardiging over. Maar een inhoudelijk debat is ver te zoeken. Net als bij andere maatschappelijke vraagstukken is het bij digitale dilemma’s aan de politiek om aan te jagen, bij te sturen, af te remmen of te begrenzen.

Lucille Werner
‘Juist die verschillen maken ons zichtbaar’

Iedere keer als ik het Tweede Kamergebouw inloop en al die historische plekken zie, realiseer ik me: wat een eer dat ik volksvertegenwoordiger mag zijn! Het opkomen voor groepen in de samenleving die meer hun best moeten doen om te kunnen participeren, zoals mensen met een beperking, deed ik in mijn vorige werk ook. Maar hier weten nóg meer mensen je te vinden. Natuurlijk lukt het niet om iedereen apart te woord staan, maar ik vind het wel heel belangrijk om te luisteren naar de verhalen die mensen me vertellen. Dan mail ik niet, maar bel ik ze zelf op. Dat werkt voor mij het beste. Persoonlijk contact.

Als nieuw Kamerlid valt het me op hoe ontzettend veel procedures, debatten, overleggen en andere manieren er zijn om effectief je punt te kunnen maken. Daar helpen mijn CDA-collega’s me mee die al wat langer meelopen, maar ook die van andere partijen. Die onderlinge collegialiteit, die je in debatten niet altijd terugziet, is er gelukkig wel. En ik geloof er heilig in dat je alleen door samen te werken verder komt. Met respect voor elkaars standpunten. Niet door, tot diep in de nacht, naar elkaar te schreeuwen. Ik wil daar een verbindende manier van politiek tegenover zetten, met de onderwerpen waar ik het woord over voer. Waarvan ik zelf trouwens vind dat ik de mooiste portefeuille van allemaal heb, met ouderenzorg, gehandicaptenbeleid, media, cultuur en emancipatie. Mooie, sociale thema’s die mij aan het hart gaan.

Vorige week woensdag was een belangrijk moment voor mij. Ik mocht mijn maidenspeech houden bij een debat over de ouderenhuisvesting. Daar gaf ik aan dat het voor mij al op jonge leeftijd duidelijk werd dat ik in mijn leven te maken zou hebben met vooroordelen. Ik zou zielig zijn, omdat ik scheve voeten heb. Ikzelf heb nooit gevonden dat ik anders was, dat waren juist de anderen. Terwijl er natuurlijk helemaal niets mis is met verschillen tussen mensen. Het zijn juist de verschillen die ons zichtbaar maken, die ons doen bewegen, inspireren en leven. Er is wél iets mis met verschillen als we elkaar in hokjes plaatsen en elkaar erop afrekenen. Elkaar geen gelijke kansen gunnen. Dan ligt alles wat we juist met elkaar kunnen hebben, helemaal stil. Dan is er geen verbinding, geen begrip en geen liefde. Deze tijd vraagt wat mij betreft om meer verbinding en begrip, ook in de politiek.

Don Ceder
‘We mogen wat fundamenteler kijken naar wat beter kan’

‘Als je als serieus Kamerlid je inhoudelijk voorbereidt, dan ben je in zekere zin in Den Haag soms een sneue sukkel”. Het zijn inmiddels al legendarische woorden van oud-Kamerlid Chris van Dam (CDA). Het herinnerde me aan sommige debatten in de afgelopen honderd dagen. Vier minuten spreektijd, twintig rapporten op de agenda en wat domineert het debat? Het krantenbericht van de ochtendkrant. Te vaak slaat de balans door naar de roep om snelle actie.

Dat vraagt ook wat van mijzelf. Als nieuw Kamerlid heb ik een paar voornemens: oog hebben voor die éne, oog hebben voor het grote plaatje, en samenwerken.

Beleidsstukken kunnen je overspoelen. Duizenden pagina’s met beleidstaal die je weinig wijzer maken over hoe het gaat met de mensen die het raakt. Daarom hecht ik aan werkbezoeken. Spreken met mensen door het hele land, zien hoe beleid hen raakt, leren of een oplossing werkt in de praktijk en luisteren. En vooral die ene ontmoeten voor wie onze keuzes het verschil maken. Ik zie het als mijn opdracht om mensen recht te doen, om hun perspectief in de Tweede Kamer in te brengen en om voor hen te knokken.

Maar er is ook de andere kant. Als we spreken over de schrijnende situaties door achterstanden bij de IND, het falen bij de Belastingdienst voor toeslagenouders of de zaken die mislopen bij jeugdzorg, dan lijken dat allemaal pijnlijke incidenten. Maar wie een stap terug doet, ziet dat de overheid bij wel heel veel onderwerpen piept en kraakt. We mogen wat fundamenteler kijken naar wat beter kan. Juist met oog voor het grote plaatje kan je die ene helpen.

Ambitieus? Ingewikkeld? Tja, ik ik ben de politiek ingegaan omdat ik een mens met hoop en idealen ben. Ik voel me geroepen om het goede voor Nederland te zoeken. En het geeft wel ontspanning dat ik weet dat ik niet alleen voor deze taak sta, maar dat ik het samen mag doen met 149 andere Kamerleden. Want dat is mijn derde voornemen: samenwerking zoeken. Samen optrekken, samen controleren en elkaar af en toe iets gunnen. 150 Kamerleden die inhoudelijk goed voorbereid zijn, oog hebben voor de ene én voor het grote plaatje. Dat is een parlement en de tegenmacht waar ik graag deel van ben.

Nilüfer Gündoğan
‘Den Haag moet voorbij de waan van de dag kijken’

Den Haag moet meer ambitie tonen en zichzelf de vraag stellen: waar willen we heen met Nederland en met Europa? Als ik terugblik op de afgelopen honderd dagen en ik reflecteer op het functioneren van de Kamer, dan is mijn grootste verbazing de incongruentie tussen enerzijds een Den Haag dat verzandt in de waan van de dag en kortetermijndenken en anderzijds een Nederland waar sterk de behoefte leeft om vooruit te kijken. Ik zie een rits aan uitdagingen die maar niet de politieke en maatschappelijke urgentie krijgen die ze verdienen.

Als woordvoerder onderwijs word ik dagelijks herinnerd aan de problemen op dit terrein. Kansenongelijkheid waarbij het postcodegebied de kansen van het kind bepaalt, een labbekakkerige zestiende plaats tussen de OESO-landen voor ons onderwijs, een verdere daling van Nederland op het European Innovation Scoreboard, academici die opgebrand raken door hoge werkdruk, een kwart van de vijftienjarigen die laaggeletterd zijn. Nederland verzaakt, waar andere Europese landen geld uit het coronaherstelfonds zullen uitgeven aan onderwijs, onderzoek en innovatie. We weten dit al vijftien jaar, maar we staan erbij en kijken ernaar.

De vraag over hoe ik een tegenmacht wil zijn, is voor mij niet het meest relevant. Voor mij gaat het om de vraag: welk belang wordt er gediend, het eigenbelang of het algemeen belang? Ook tegenmacht kan het belang van zeventien mensen dienen, in plaats van zeventien miljoen. Onderwijs dient zeventien miljoen mensen. Wie serieus is over het klaarstomen van Nederland voor de Europese economie en de mondiale uitdagingen van de 21e eeuw, zou niet als een zuinig ‘Zeeuws meisje’ moeten kijken naar de bekostiging van ons onderwijs. Die zou vooruit moeten denken en zien dat het geen uitgave is, maar een investering.

Voor Volt is het tijd om ambitie te vertalen in daden. Als we ons onderwijs willen verbeteren, moeten we hiervoor 8 procent van ons bbp uitgeven. Om gelijke kansen te bewerkstelligen. Om het vak van leraar te herwaarderen. Om onderzoek en innovatie als spreekwoordelijke ‘olie van de 21e eeuw’ te beschouwen. Ons onderwijs verdient beter, en daarbij kan ik geen passender motto bedenken dan dat van Alexander Rinnooy Kan: „Wie denkt dat kennis duur is, weet niet wat domheid kost.”