Hoe een bekende politicus het land misleidde over zijn eigen vervolging

Deze week: de definitieve veroordeling van Geert Wilders wegens groepsbelediging (en de stilte daarover).

Ofwel: wat betekenden zijn jarenlange klachten over ‘een politiek proces’ nu geen rechter hierin meeging?

Dinsdag rond het middaguur was ik bij de Hoge Raad, op het Korte Voorhout, waar de veroordeling voor groepsbelediging van Geert Wilders (‘willen jullie meer of minder Marokkanen’, 2014) definitief overeind bleef.

Het halve land had er jaren een mening over, ook Wilders zelf, maar zoals dat gaat: nu het erop aankwam was de belangstelling geluwd. De zittingzaal bleef bijna leeg. Wilders was afwezig.

Wel parkeerde zijn chauffeur een kwartiertje na de uitspraak bij de ingang, waar cameraploegen, getipt door zijn woordvoerder, Wilders opwachtten. Hij verklaarde dat hij zich „niets van de uitspraak zal aantrekken”. Nederland is volgens de derde partij van het land „corrupt” en „de rechtstaat failliet”.

De zaak had me altijd gefascineerd, omdat twee werkelijkheden tegenover elkaar stonden: de logica van een politieke campagne (aanvallen! herhalen!) versus die van de magistratuur (laat de feiten spreken).

Vanaf dag één bombardeerde Wilders de sociale media met klachten dat dit een politiek proces was: dit ging niet over strafbare feiten, zei hij, dit was een politieke afrekening. Hij woelde er van alles mee los.

Ook ik twijfelde soms als nieuwe feiten bekend werden, hoewel de zaak eigenlijk vanaf het begin duidelijk was. Na de ophef in 2014 vertelden negen anonieme PVV’ers in deze rubriek dat Wilders’ gewraakte optreden in detail geënsceneerd was, wat de kans op een veroordeling vergrootte. De meesten werden later als getuige gehoord door de politie.

De rechtbank (2016), het Hof (2020) en de Hoge Raad kwamen tot een vrij simpele veroordeling: Wilders generaliseerde bewust en bracht, door alles in scène te zetten, een gemeenschap moedwillig in diskrediet.

Tóch lieten talrijke onderzoeken de laatste jaren zien dat een groot deel van het publiek Wilders’ lezing geloofde. En je dacht: wat is hier nou gebeurd?

Als je alles teruglas zag je dat kiezers al voor zijn eerste veroordeling, december 2016, zijn kant kozen. Na de strafeis van het OM in november (5.000 euro boete) zei hij tegen De Telegraaf dat „de terroristen nu een bondgenoot hebben in het OM: ook dat wil mij de mond snoeren”. Het AD meldde dat hij „laaiend” was.

De meeste media – het was vlak na Trumps verkiezing in de VS – stonden open voor Wilders’ kijk op de zaak. EenVandaag peilde dat 50 procent van de kiezers zijn uitspraken over Marokkanen gerechtvaardigd vond.

Journalisten deelden zijn klacht over een politiek proces. „Je kunt moeilijk volhouden dat dit géén politiek proces is”, schreef Theodor Holman in Het Parool. De commentator van de Volkskrant: „Hij heeft gelijk dat dit een politiek proces is.”

Wilders had dit er toen al jaren ingepompt. „Rutte wil via politiek proces PVV uitschakelen. Ziekelijk”, schreef hij oktober 2014. „Misleiding. Beinvloeding. Intimidatie. Zwendel. Politiek proces nu ook frauduleus” (maart 2016). „PVV-haters in deze neprechtbank hebben vonnis al klaar. Geen eerlijk proces” (juli 2016).

Maar bij zijn veroordeling (zonder strafoplegging) eind 2016 wees de rechtbank erop dat bewijs voor „een rechtspolitieke agenda bij het OM” ontbrak. Er kwam bij dat rechters hem onfatsoen verweten: hij verscheen niet bij de inhoudelijke behandeling maar uitte er wel voortdurend kritiek op. „Een volksvertegenwoordiger (...) onwaardig.”

Kiezers waren niet geïmponeerd: na de veroordeling steeg de PVV december 2016 in enkele peilingen door naar 36 zetels – virtueel de grootste partij.

Rond het hoger beroep werd alles heftiger. Media onderzochten politieke inmenging bij het vervolgingsbesluit van het OM in 2014. Vooral RTL Nieuws. Het programma stelde vanaf mei 2018 reeksen vragen aan ministerie en OM, en begon een Wob-procedure: 12 november 2018 meldde het voor het eerst ‘aanwijzingen’ dat toenmalig minister Ivo Opstelten (Justitie, VVD) in 2014 op vervolging had aangedrongen.

Weer overschreed de PVV-voorman hierna een norm: diezelfde dag stelde het Kamerlid Wilders schriftelijke vragen over de strafzaak tegen de verdachte Wilders. Niemand gaf een kik. Maar stel je een willekeurige parlementariër voor die verdacht wordt van fraude en Kamervragen over het onderzoek naar hem stelt: wat zouden de reacties zijn?

Uiteindelijk zou Wilders tot in september 2019 drie sets, totaal 110 Kamervragen, over zijn vervolging indienen. Met de Wob-procedure van RTL leverde dit die periode viermaal nieuws op waaruit naar voren kwam dat Opstelten dan wel zijn topambtenaren in 2014 kennis en/of opvattingen hadden over de vervolgingsbeslissing.

Berichten die het beeld versterkten dat het ministerie de Kamer onvolledig had geïnformeerd. Maar die vooral de schijn van een politiek proces voedden.

Wilders ging los. „Wat is dit fout zeg” (8 juni 2019). „Parlementaire enquête” (9 juni 2019). „Maffiapraktijken” (30 augustus 2019). Tussendoor, 16 juni 2019, citeerde hij een peiling van De Hond: 54 procent van de kiezers meende dat het een ‘politiek proces’ was; 51 procent dat Opstelten erachter zat. „#Wildersgate”.

Geen politicus of magistraat die er iets tegenin bracht, hoewel dat gemakkelijk kon: het hele begrip ‘politiek proces’ was een manipulatie als zodanig.

In zijn arrest van september 2020, deze week overgenomen door de Hoge Raad, schetste het Hof dat de minister van Justitie bevoegd is met een vervolging een ‘aanwijzing’ af te dwingen, en dit vereist dat de minister „over een voorgenomen [vervolgings]besluit wordt geïnformeerd om (-) zijn oordeel te geven”.

Ergo: nu het OM zelfstandig tot een vervolgingsbesluit was gekomen – het tegendeel werd nooit bewezen – kon je de minister onmogelijk verwijten dat hij tussentijds geïnformeerd was. Daarbij oordeelde het Hof óók dat Wilders de „inmenging” van de minister bij het vervolgingsbesluit „niet aannemelijk” had gemaakt.

Nuances die het publieke debat zelden haalden, integendeel: na de vierde RTL-scoop over Opstelten namen andere Kamerleden, zoals Attje Kuiken (PvdA), Wilders’ rol als kritische vragensteller inzake de politieke inmenging over. Wat een ironie: dezelfde PvdA deed de PVV in 2014 nog in de ban wegens de ‘minder minder’-zaak.

In een poging nieuwe onthullingen te voorkomen liet minister Ferd Grapperhaus (Justitie, CDA) een externe partij alle interne stukken over de zaak verzamelen – en stuurde ze voorjaar 2020 naar de Kamer. De ophef in de media bloedde dood.

En het arrest van het Hof, vorig jaar september, waarin Wilders’ veroordeling wegens groepsbelediging gehandhaafd bleef, rekende expliciet af met alle argwaan die Wilders jaren creëerde. „Als er politieke aspecten aan een zaak zitten is het nog geen ‘politiek proces’”, stond er. Het ging slechts „om uitlatingen die de verdachte worden verweten”.

Maar de kiezer had allang gekozen: in de eerste Peilingwijzer na de veroordeling door het Hof steeg Wilders met vier zetels.

Zo ging het in 2016 en 2020, zo herhaalde het zich dinsdag: rechters lieten in hun rechtszalen geen spaan heel van Wilders’ klachten, maar daarbuiten, in de echte wereld, hadden zij het gevecht om de publieke gunst al sinds eind 2016 verloren.

Intussen vergeleek de verdachte aanklagers met terroristen, hij schoffeerde rechters door niet op de zitting te verschijnen maar ze wel te bekritiseren, hij wendde parlementaire rechten aan voor zijn private strafrechtelijke verdediging.

Het liet niet alleen zien welke overtuigingskracht achter zijn onredelijkheid schuilgaat. Het openbaarde vooral ook hoe het afloopt als zo iemand geen tegenspel in de publieke ruimte meer krijgt.