Opinie

Drugscriminelen bestrijd je door drugs te legaliseren

Criminaliteit Peter R. de Vries lijkt het jongste slachtoffer van de war on drugs in Nederland. Om verdere escalatie tegen te gaan, is regulering van drugshandel een serieuze optie, meent .
Een speciale eenheid van de politie op een industrieterrein in Utrecht waar zijn drugs en munitie zijn gevonden.
Een speciale eenheid van de politie op een industrieterrein in Utrecht waar zijn drugs en munitie zijn gevonden. Foto ROBIN UTRECHT

De war on drugs is in Nederland al ruim dertig jaar lang een politiek zonder enig succes. Het gedoogbeleid in de jaren tachtig was goed voor de consument maar deed ook de internationale handel in verdovende middelen bloeien. Tot ergernis van het buitenland, vanwege de ontwrichtende werking van drugs op de samenleving, en denk daarbij vooral aan de economie (witwassen). Die andere landen hadden gekozen voor keiharde repressie om de drugshandel aan banden te leggen. Daarna stapte ook ons land in de wapenwedloop. Dat bleek een uitzichtloze strijd.

Die zorgde niet voor minder drugs op de markt, maar wel voor steeds meer geweld. Geweld waarvan nu ook onschuldigen het slachtoffer worden. Met als trieste dieptepunt afgelopen week de moordaanslag op misdaadjournalist Peter R. de Vries. Want op 6 juli lijkt in de war on drugs een nieuwe grens overschreden. Vanuit de onderwereld is een aanslag gepleegd op de generaal van het leger van onafhankelijke misdaadverslaggevers die verslag doen van de drugsoorlog. Ik ben er zelf een van. Vijf kogels maken dat misdaadjournalist Peter R. de Vries nu moet vechten voor zijn leven. We hopen allemaal dat hij het overleeft.

Spiraal van vijandigheid

Maar: hoe moet onze reactie zijn op deze onafzienbare spiraal van vijandigheid? Je moet nooit wijken voor geweld. Maar soms kan er ineens ook te veel geweld zijn. Dan wordt het tijd voor een wapenstilstand. Tijd voor reflectie. En dat is meestal niet de sterkste kant van de Haagse politiek.

Om resultaat te boeken was in de begintijd van de war on drugs de opsporing nauwelijks nog aan spelregels gebonden. Onder de noemer: boeven pak je met boeven werd creatief politiewerk op de kaart gezet. Daarbij maakte de overheid zelf vuile handen. De undercoveroperaties zorgden voor het grootste juridische schandaal ooit in Nederland, de IRT-affaire in de jaren negentig – vernoemd naar de Interregionale Rechercheteams van Amsterdam en Utrecht die uit de bocht waren gevlogen. Met de hulp van de overheid waren er tonnen drugs op de markt gekomen met de bedoeling de misdadigers aan de top te kunnen pakken.

Lees ook: Hoe 50 jaar war on drugs de generatie-Taghi voortbracht

Het parlement eiste daarna dat er nooit meer – op een uitzondering na – een samenwerking zou zijn tussen criminelen en justitie. Daarna ging iedereen over tot de orde van de dag.

Dát was een gemiste kans.

Want op dat moment had het parlement al de vinger kunnen opsteken over de bizarre omvang die de wapenwedloop tussen overheid en drugshandelaren inmiddels had aangenomen. De samenwerking tussen politie en criminelen – infiltranten – had in het milieu gezorgd voor een toenemende paranoia. En dat had geleid tot excessief geweld en wraak.

Al tijdens het eerste proces in 1998 met een kroongetuige klonken er waarschuwingen

Een lange lijst met liquidaties getuigt daarvan. Ook toen was een discussie over regulering van verdovende middelen op zijn plaats geweest. Het zag er immers niet naar uit dat de vraag van de gebruikers zou afnemen of dat de rol van Nederland als knooppunt van internationale handel minder zou worden. Integendeel.

Kroongetuigen

De Nederlandse overheid bleef kiezen voor de harde hand. De druk op de opsporingsdiensten om drugsbaronnen op te pakken, nam alleen maar toe. En al snel, in 1998, bleek justitie in die strijd weer hulp te halen achter de linie van de vijand. Deze keer werden er geen criminele infiltranten geronseld, maar kroongetuigen. Criminelen, die in ruil voor belastende verklaringen over medeverdachten, konden rekenen op een zekere bescherming en een nieuwe identiteit en minder straf.

Al tijdens het eerste proces in 1998, waar de kroongetuige zijn entree maakte, klonken er waarschuwingen vanuit de strafrechtadvocatuur en de wetenschap. Had de overheid niets opgestoken van de IRT-affaire? Men ging immers opnieuw in zee met criminelen? De advocaten vreesden voor verharding in de onderwereld. „Er gaan straks doden vallen”, noteerde ik in mijn boeken en stukken voor Vrij Nederland. Als je voor die zienswijze als journalist aandacht vroeg, werd je vooral in justitiekringen genegeerd.

Politiemensen snapten vaak wel dat het inzetten van kroongetuigen risicovol was. Het beveiligen van deze personen en hun familie was vanaf het begin een groot probleem. Maar nood breekt wet. De meeste Kamerleden keken er van weg; het doel heiligde de middelen. Een aantal drugsbaronnen belandde inderdaad voor lang in de cel. Maar hun plaatsen werden snel weer ingenomen door anderen. Want waar vraag is, blijft aanbod.

We moeten eens kritisch kijken naar de dynamiek van de hele war on drugs

Tegenwoordig hebben de politie en het Openbaar Ministerie inmiddels zoveel bevoegdheden en middelen tot hun beschikking dat het inzetten van kroongetuigen eigenlijk tot het verleden zou moeten behoren. Door het onbegrensd hacken van servers liggen er bergen aan bewijs klaar bij de politie. De drugscriminelen moeten alleen nog maar worden aangehouden. Het is als het ware de omgekeerde wereld.

Maar deze nieuwe manier van handelen leidt nu opnieuw tot hevige onrust in het criminele milieu. Niemand vertrouwt elkaar nog. Goed misschien voor de opsporing, maar het leidt ook tot extreem onderling geweld. En daarbij vallen nu ook al onschuldige slachtoffers, de zogenaamde ‘vergismoorden’.

Lees ook de rubriek van juridisch redacteur Folkert Jensma: Waar een klein land veel te groot in kan zijn

De laatste belangrijke kroongetuige Nabil B. heeft inmiddels een zware tol betaald voor zijn keuze om justitie te helpen. Die rechtszaak gaat over zes moorden. Maar rond het proces vonden al twee mensen de dood. Zijn broer en zijn advocaat. Ook de moordaanslag op zijn vertrouwenspersoon De Vries zou in dit licht kunnen staan. Kan de staat kroongetuigen wel beschermen? En wie in zijn omgeving hoort daar allemaal bij? En nog belangrijker is dat het allemaal waard?

Mindset veranderen

Het is de hoogste tijd om eens kritisch te kijken naar de dynamiek van de hele war on drugs. Drie jaar geleden, toen in de media de discussie oplaaide over het reguleren van softdrugs, deed Peter R. de Vries een oproep bij De Nieuws BV op NPO Radio 1. Hij vond dat er tot nu toe alleen op een strafrechtelijke manier naar het drugsprobleem werd gekeken. De Vries: „Terwijl het in mijn ogen een volksproblematiek is. Ik vind dat we moeten kijken waar het beleid ons tot nu toe heeft gebracht. Ik denk dat je moeite moet doen om de mindset van mensen te veranderen.”

Het is een oproep om voorbij de waan van de dag te kijken. Geef weer eens de dokter voorrang, boven de politieman. Net zoals vóór het begin van de war on drugs. Kiezen voor regulering of zelfs legalisering kan een betere optie zijn. Dat neemt in ieder geval de georganiseerde misdaad een tijdlang de wind uit de zeilen.

En misschien moet er gelijktijdig gepleit worden voor meer geld richting volksgezondheid om die andere mindset te bevorderen. Denk aan de campagne rond de tabaksindustrie. Het kostte even tijd, maar de rookdampen om ons hoofd zijn verdwenen. Of denk wat verder weg aan de drooglegging in de Verenigde Staten (1920-1933). Dat was de uitkomst van zo'n moment van reflectie en het heeft geholpen. Daarna werd alcoholgebruik weer toegestaan. Maar Amerika was er ondertussen wel een stuk gezonder door geworden.

Oorlogsretoriek is hol. Maar ergens voor staan en kiezen is belangrijk.