Recensie

Recensie Boeken

Een roman die je doet walgen en kokhalzen, én betovert

Filosofische roman Het debuut van Jilt Jorritsma is een van de merkwaardigste boeken ooit. Een jonge kunstmatige-intelligentie-wetenschapper gaat op zoek naar zijn wortels.

Een X-ray van een gebit
Een X-ray van een gebit Foto jopstock

Het komt hoogst zelden voor dat een roman je doet walgen, tot kokhalzen aan toe, én betovert. De debuutroman Was van Jilt Jorritsma (1991) is met stip een van de merkwaardigste boeken die ik ooit las. Aanvankelijk lijkt de roman in twee delen uiteen te vallen, het voorste deel, onder het kopje ‘Wat is’, behapbaar en begrijpelijk, het achterste, getiteld ‘Wat was’, broeierig en bizar, bijna té broeierig en bizar.

Pas bij herlezing valt op hoe hecht geconstrueerd deze filosofische roman desalniettemin is. Dat illustreert en onderstreept op geraffineerde wijze een van de kernstellingen van de auteur: mensen maken liefst van alles een mooi verhaal, met een lineair plot, een logische volgorde, ze doen van alles voor een beetje houvast. Vooral ook dingen verdraaien, over het hoofd zien en uitgummen. Maar bestaat ‘tijd’ eigenlijk wel, of is alles wat was, is en nog komt, uiteindelijk een pot nat?

‘Wat niet past in het gangbare verhaal dat over het verleden wordt verteld, belandt automatisch op de stortplaats van de geschiedenis’, schreef Jorritsma, schrijver en historicus, in het essay ‘Onthoofd’, dat hem in 2018 de Joost Zwagerman Essayprijs opleverde. Hij speelt daarmee. Hij vroeg zich al af of er een alternatief zou kunnen bestaan voor de geschiedenis, waarin tijd geen rol speelt, waarin ‘ver en nabij, verleden en heden’ – begin, midden en eind – versmelten. Deze roman vormt een verdere verkenning van dit idee. Deels brengt hij dat luchtig, maar het is hem ernst. Hij ziet meer in dissociëren dan in associëren.

Fistels, pus, spetterende donkerbruine etter die naar oude kaas ruikt: komt een man bij de tandarts, aan het begin van Was. Er zit een verstandskies overdwars in zijn gehemelte. Een vijfde verstandskies, die volgens de tandarts uit kiemcellen die alles kunnen worden is gegroeid, een zogeheten ‘wondergezwel’ of ‘dermoïdcyste’: ‘Je hebt dan ergens in je lichaam een compartiment met willekeurige stukjes mens in je. […] Er zijn gevallen bekend waarbij patiënten een rij tanden in hun wenkbrauw hebben zitten. Of tanden met stukjes kaakbot in de baarmoeder, dat gebeurt ook wel eens.’ Huiver. Walg. Alsof dit nog niet erg genoeg is kampt de man, een jonge kunstmatige-intelligentie-wetenschapper die luistert naar de naam Wyrd, ook met andere tegenslagen, zoals een verbroken relatie na een abortus en een dementerende moeder.

Dat laatste kwelt hem. Het komt hem voor dat ‘goedlopende zinnen’ die moeder tot nu toe bijeenhielden, maar dat alle verbanden nu wegvallen: ‘Alsof de moeder die hij kende een verzinsel was geweest.’ Wyrd ziet zijn moeder wegvagen: ‘Haar dood moest nog komen, maar had tegelijkertijd al plaatsgevonden.’

In deel twee van Was gaat Wyrd op zoek naar zijn wortels. Dit blijk je niet letterlijk genoeg te kunnen nemen, want hij belandt in een ‘De Boarn,’ een bijna onbewoond gehucht waar de natuur druk en grillig wemelt. Hij treft er bijen, stronken, modder, kronkels, een zonderlinge oude kerel en een zolder vol wassen beelden zonder hoofd.

Nu blijkt niets te zijn wat het leek, en de geschiedenis in plaats van onomkeerbaar, juist heel omkeerbaar. Was ontrolt zich tot een magisch-realistische roman, of eigenlijk is het meer een oprollen dan een ontrollen.

Je blijft vertwijfeld achter en begint dan maar weer van voren af aan, bij het begin van de roman. Of was dat begin het eind? Het is maar net hoe je het bekijkt, en dat te doen beseffen is precies wat Jorritsma met dit bijzondere boek beoogde.