Sjoemelen met wetenschap komt vaak voor in Nederland, blijkt uit integriteitsenquête

Wetenschap Een op de twee wetenschappers in Nederland heeft wel eens gesjoemeld met onderzoeksresultaten.

Wetenschappers die publicatiedruk ervaren gaven in het onderzoek aan zich eerder schuldig te maken aan bedenkelijke onderzoekspraktijken
Wetenschappers die publicatiedruk ervaren gaven in het onderzoek aan zich eerder schuldig te maken aan bedenkelijke onderzoekspraktijken Foto ljubaphoto

Ruim de helft van de wetenschappers in Nederland zondigt regelmatig tegen wetenschappelijke regels door onwelgevallige onderzoeksresultaten weg te laten, problemen met de methodiek van een studie te verzwijgen of selectief te citeren uit de beschikbare literatuur. Ruim 8 procent heeft de afgelopen drie jaar zelfs onderzoeksresultaten verzonnen of vervalst. Dat blijkt uit de National Survey on Research Integrity, een project onder leiding van Lex Bouter, hoogleraar methodologie en integriteit aan aan de Vrije Universiteit en het Amsterdam UMC. De resultaten zijn dinsdag gepubliceerd in een tweetal artikelen. Deze staan op een preprint server. Dat betekent dat de publicatie nog niet is beoordeeld door vakgenoten.

Het project heeft tot doel de kwaliteit en betrouwbaarheid van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland te verbeteren, zegt Bouter. „Het komend jaar gaan we met universiteiten praten over hoe zij de studie-uitkomsten kunnen gebruiken.”

Uit de enquête kwamen verbanden naar voren tussen het overtreden van de wetenschappelijk regels en een aantal externe factoren. Als onderzoekers meenden dat hen een strenge peer review [beoordeling door vakgenoten] te wachten stond, waren ze minder gauw geneigd te frauderen. Wetenschappers die voelden dat ze moesten presteren, vanwege publicatiedruk of de noodzaak om nieuwe financiering binnen te slepen, gaven aan zich eerder schuldig te maken aan bedenkelijke onderzoekspraktijken. Mannen en mensen aan het begin van hun wetenschappelijke loopbaan bekenden ook relatief vaker de fout in te gaan.

Lees ook: Hoe meet je de kwaliteit van wetenschappers?

„Misschien allemaal niet heel opvallend”, zegt Bouter, „maar het is voor het eerst dat het zo wordt vastgesteld. Let wel: het gaat hier om associaties. Ons onderzoek toont niet keihard oorzaak en gevolg aan. Het is dus ook niet gezegd dat als je aan de knop draait van de publicatiedruk zoals mensen die ervaren, dit gedrag meteen minder wordt. De invloed van zulke fenomenen is complex.”

Studie naar onoorbaar gedrag

Bouter en zijn team stuurden enquêtes naar de medewerkers van 22 Nederlandse universiteiten en universitaire medische centra. Daarin werden vragen gesteld over wetenschappelijk onoorbaar gedrag en de factoren die daarop mogelijk van invloed konden zijn. Slechts acht instellingen verleenden hun actieve medewerking door mailadressen ter beschikking te stellen en deelname te promoten, bij de andere veertien zochten de onderzoekers de adressen zelf bij elkaar. In totaal werden er ruim 63.778 vragenformulieren verstuurd. Bouter: „Bij de acht actief participerende instellingen was de respons ruim 21 procent. Bij de overige veertien kunnen we daar geen uitspraken over doen, omdat we niet weten hoe accuraat onze verzameling van mailadressen was.”

Strikt genomen, benadrukt Bouter, zeggen de resultaten uit de studie alleen iets over de deelnemers eraan en niet over de gehele Nederlandse wetenschap, maar hij heeft vertrouwen in de kwaliteit en representativiteit van zijn gegevens. „Het responspercentage is vergelijkbaar met gelijksoortige studies in het buitenland, en in absolute aantallen is mij internationaal geen onderzoek naar dit onderwerp bekend dat groter is.”

Deelnemers mochten de meest gevoelige vragen beantwoorden via een methode die randomized response heet en die een sterke waarborg biedt voor hun anonimiteit, zegt Bouter. „Deze techniek wordt ook gebruikt bij onderzoeken naar doping in de sport en misbruik van sociale zekerheid. Dat leidt tot een twee tot drie keer zo hoog percentage van mensen die opbiechten de regels te hebben overtreden. Ons percentages van 8 procent ligt dus dichter bij de werkelijkheid dan als we dit met een traditionele methode hadden onderzocht.”

Maar is het niet denkbaar dat veel wetenschappers die de enquête niet invulden dat achterwege lieten omdat ze dan iets moesten opbiechten – en dat de cijfers in het echt dus hoger liggen? Bouter: „Dat zou kunnen, maar we weten het niet. Veel lager zullen ze in ieder geval niet zijn, want ik kan me niet voorstellen dat respondenten fouten hebben toegegeven waaraan ze zich niet schuldig hebben gemaakt.”