Rechtbank: verstrekken van luiers is geen financiering van terrorisme

Strafzaak De rechtbank Limburg heeft twee mannen die werden verdacht van het financieren van terrorisme vrijgesproken. Het OM krijgt in het vonnis veel kritiek.

Twee bestuursleden van een moskee in Geleen zijn na een jarenlange vervolging vrijgesproken van financiering van terrorisme.
Twee bestuursleden van een moskee in Geleen zijn na een jarenlange vervolging vrijgesproken van financiering van terrorisme. Foto Marcel van den Bergh

Het Openbaar Ministerie in Limburg leed aan „tunnelvisie” bij de vervolging van twee moskeebestuurders in Geleen wegens het financieren van terrorisme. De officieren van justitie lieten de nodige steken vallen in een „uit de hand gelopen onderzoek”. Met die ongebruikelijk harde woorden heeft de Limburgse rechtbank donderdag de twee moskeebestuurders vrijgesproken, na een jarenlange vervolging die veel publiciteit trok.

De verdachten, Laarbi A. en Stefan Z., zamelden met hun moskee geld in voor hulp aan Syrische oorlogslachtoffers. Goederen als babymelk en luiers werden uitgedeeld aan mensen in het gebied van terreurbeweging Islamitische Staat (IS). Omdat de hulp volgens het OM selectief bij jihadstrijders en hun families terechtkwam, werd dit aangemerkt als terrorismefinanciering. Laarbi A. zou, als financier, zelfs deel hebben uitgemaakt van IS.

De rechter wijst erop dat uit het strafdossier van het OM zelf blijkt dat Laarbi A. de goederen „juist in zijn algemeenheid aan vluchtelingen uitdeelde”. En zelfs al zóú de hulp bij jihadisten terecht zijn gekomen, dan vindt de rechter goederen als luiers en babymelk geen financiering van terrorisme. Er is ook geen bewijs dat oud-moskeevoorzitter Stefan Z. de administratie vervalste, om hoge donaties aan de moskee te verdoezelen.

Het OM had volgens de rechter veel eerder zelf tot deze conclusie kunnen komen, maar zette de zaak door tegen beter weten in. „Hierdoor hebben de verdachte, de leden van de moskee en de samenleving als geheel langer op duidelijkheid moeten wachten dan nodig.”

Lees een eerder bericht over deze zaak: Limburgse moskeebestuurder verdacht van terrorisme

‘Afkeer was leidend’

De betrokken officieren hadden volgens de rechter te weinig „professionele afstand tot de zaak” en gedroegen zich onvoldoende „magistratelijk”. Dit resulteerde in „ongefundeerde verwijten” aan de verdachten: het OM beschuldigde hen van zaken waar geen bewijs voor was of die simpelweg niet strafbaar zijn.

Zo wijst de rechter erop dat het koesteren van sympathie voor IS, hoe omstreden ook, op zichzelf niet strafbaar is. Ook het ontvangen van buitenlandse financiering mag. Volgens de rechter lijkt het erop dat de „afkeer van deze fenomenen leidend is geweest voor het OM en de politie om het onderzoek in te stellen”. Justitie heeft de „zorgvuldigheid jegens de verdachte” volgens de rechtbank „uit het oog verloren” en had te weinig „juridische kennis op dit terrein”.

De advocaat van Laarbi A., Tamara Buruma, herkent zich in de kritiek van de rechtbank op het OM. „Wij hebben al van begin af aan aangegeven dat dit onderzoek volledig werd geleid door onderbuikgevoelens.”

Het OM zou te veel zijn afgegaan op negatieve berichten in de media over de moskee. Buruma, een ervaren terrorisme-advocaat, zegt „niet eerder een onderzoek te hebben gezien waarbij ik zo schrok van het gebrek aan niveau en de enorme mate van vooringenomenheid van politie en justitie”.

Het OM Limburg reageert alleen met een persbericht op het vonnis. Daarin staat dat het OM „met verbazing” heeft kennis genomen van de kritiek van de rechter, en deze „verre van zich werpt”. Het OM wil nog niet zeggen of het in hoger beroep gaat.