Foto Merlijn Doomernik

Interview

Geert Jan van Oldenborgh: ‘Het verontrustende is: niemand zag deze hittegolf aankomen’

Klimaatwetenschapper Hittegolven kosten jaarlijks honderdduizenden mensen het leven. Maar ze worden zwaar onderschat, zegt natuurkundige Geert Jan van Oldenborgh. Ondanks zijn ziekte – kanker – onderzoekt hij de oorzaken van de hitte in Canada.

Het is een gekkenhuis, zegt Geert Jan van Oldenborgh (59) in de ontvangsthal van het KNMI in De Bilt. Het is maandagmiddag 5 juli, en met een groep internationale experts probeert hij de „buitenproportionele” hittegolf in Canada te verklaren. De groep heeft zich tien dagen gegeven om de eerste grove analyse wereldkundig te maken: een kort tijdsbestek want velen snakken naar die bevindingen. Deadline: 7 juli. En er moet nog zoveel gebeuren.

Op 29 juni werd het in het plaatsje Lytton 49,6°C, bijna 5 graden meer dan het oude hitterecord. „Het verontrustende is dat niemand dit zag aankomen”, zegt Van Oldenborgh. „Als je me een paar maanden geleden had gevraagd: is dit mogelijk? Dan had ik keihard nee gezegd.”

Van Oldenborgh werkt als natuurkundige bij het KNMI, en is een van de grondleggers van een jonge tak van de klimaatwetenschap: die van de attributie. Die onderzoekt extreme weersgebeurtenissen – hittegolven, hoosbuien, droogtes – en bepaalt de rol van klimaatverandering daarin. In 2015 heeft hij de World Weather Attribution mede opgericht, een organisatie die heel extreme weersgebeurtenissen met grote impact onderzoekt. De bizarre hittegolf in Siberië vorig jaar. De ongekende bosbranden in Australië anderhalf jaar geleden. Van Oldenborgh leidt de organisatie, samen met Friederike Otto van de Universiteit van Oxford. Het onderzoek naar de hittegolf in Canada is hun initiatief. Dat het team binnen tien dagen resultaat naar buiten brengt, is ongebruikelijk snel voor de wetenschap.

Van Oldenborgh zegt dat hij het interview graag buiten wil doen. In de mooie, parkachtige tuin van het instituut. We hebben van te voren afgesproken dat het gesprek niet alleen over zijn onderzoek zal gaan, maar ook over zijn gezondheid. In 2013 is bij hem de ziekte van Kahler vastgesteld, een kanker van witte bloedcellen.

Hij praat er vrijuit over terwijl we naar buiten lopen. Dat lopen gaat met heel kleine stapjes. „Een antibioticakuur heeft mijn achillespezen aangetast.” Hij zit in zijn vierde chemokuur. „Ik krijg nu ook dexamethason. Dat is rotspul. Je concentratie gaat er erg door achteruit en je raakt er veel te zelfverzekerd van. Als er iets is wat je als wetenschapper moet vermijden is het die combinatie”, zegt hij lachend.

We komen bij een withouten tafel en gaan eraan zitten. Van Oldenborgh zegt dat het op en neer gaat met hem. Eerder heeft hij al eens een levensbedreigende longontsteking overleefd. „Begin dit jaar ging het slecht. Je ziet het nog aan me.”

Maar u blijft doorwerken. Je zou ook kunnen zeggen...

„Nee joh. Ik ga niet stoppen. Ik ben veel te nieuwsgierig naar het klimaatsysteem. Hoe dat nou precies in elkaar zit. Ik ga ook door omdat mijn onderzoek nuttig is voor de maatschappij. En als ik werk, ben ik afgeleid van het feit dat ik ziek ben. Dan heb ik een veel prettiger leven.”

In een ander interview las ik dat u in het begin liever niet over uw ziekte praatte.

„Ik dacht: ik wil niet zielig zijn. Totdat een verpleegkundige van het Erasmus MC me aanraadde er juist wel in de openbaarheid over te praten. Er zijn ook mensen die na zo’n diagnose alles opgeven, zei ze. Als jij laat zien dat je met de ziekte van Kahler een rijk leven kunt leiden, dan geeft hun dat steun om verder te leven.”

Hoe ziet uw leven er nu uit?

„Tot voor kort werkte ik 50 procent. Maar deze attributiestudie heeft me zo veel energie gegeven dat ik er afgelopen week weer vol tegenaan ben gegaan. Gelukkig is er weer een stijgende lijn. Maar ik heb nog een hoop conditie op te bouwen.”

Terug naar de hittegolf in Canada. Wanneer besloten jullie die te onderzoeken?

„Maandagochtend 28 juni keken Friederike en ik elkaar aan over de Zoom. De hittegolf zou die dag pieken. We zeiden: dit ligt zo buiten de verwachting van een hittegolf. Dit móéten we onderzoeken. Ook omdat we wisten dat de hittegolf een grote impact zou gaan hebben. We verwachtten honderden, zo niet duizenden doden. Dat geeft een dubbel gevoel. Ik ben gefascineerd door zo’n fenomeen. Het geeft me een kick het te ontrafelen. Maar ik kan me tegelijk niet losmaken van het idee dat er zoveel slachtoffers gevallen zijn. Van wat ik lees zijn het er inmiddels meer dan zevenhonderd.”

Volgens het Rode Kruis Klimaatcentrum zijn hittegolven de dodelijkste natuurramp.

„Hittegolven worden zwaar onderschat. Ik las deze week een artikel met een schatting van 300.000 tot 700.000 doden per jaar. Maar het zijn veelal onzichtbare doden. In Amerika worden alleen de mensen geteld die rechtstreeks aan de hitte bezwijken, niet de mensen die indirect bezwijken. Mensen die aan een hartaanval of aan astma doodgaan en waarbij hitte het zetje geeft dat hen over de rand duwt. Je ziet het alleen achteraf terug in de oversterftepieken.

„Kijk naar Nederland. Op de site van het CBS vind je weekcijfers van de oversterfte. Je ziet de eerste grote coronapiek, de tweede grote coronapiek. En daartussen zit een piekje van vierhonderd doden, precies in de week dat het hier boven de 30 graden was. Als er vierhonderd doden bij een overstroming zouden vallen, zou dat veel meer aandacht trekken. En dat is Nederland. In de Sahel slaat de hitte denk ik nog veel heftiger toe. Maar niemand weet het. De doden worden er niet geteld.”

Waarom heeft de hittegolf in Canada iedereen verrast?

„Als je hittegolven statistisch beschrijft, hebben die een bovengrens. Maar deze hittegolf was drie graden warmer dan wat mogelijk werd geacht. Daar schrok ik van. En het hele team. We realiseerden ons dat onze beschrijving tot nu toe gewoon niet volledig geweest kan zijn.”

Is dat niet irritant?

„Nou ja, de werkelijkheid heeft altijd gelijk. Als goede wetenschapper moet je dat accepteren. Het is vooral irritant dat je nog niet weet waarom.”

Je staat verder van de werkelijkheid dan gedacht.

„Ja. En dan zijn er twee mogelijkheden. De eerste is: de wereld is groot. En gekke dingen gebeuren zo nu dan altijd wel.”

U bedoelt toeval?

„De eerste schattingen zijn dat dat niet onmogelijk is. De tweede mogelijkheid is dat er iets in het klimaatsysteem zit dat we over het hoofd hebben gezien, dat de kans op dit soort uitschieters vergroot. Een heel voor de hand liggende is droogte. Daarom hebben we Sonia Seneviratne van de ETH-universiteit in Zürich erbij gehaald. Zij is een wereldexpert op het gebied van hitte en droogte. We komen er wel achter, maar dat duurt nog maanden. Dat kunnen we niet in tien dagen doen.”

Komt het wel eens voor dat klimaatverandering geen rol speelt bij een extreme gebeurtenis?

„Dat vonden we bijvoorbeeld in een studie naar droogte in Oost-Afrika. En we hadden het ook met die droogte in São Paulo. We lieten zien dat er, A, meer mensen bij waren gekomen. Dat B, de welvaart omhoog was gegaan en dat ze per persoon meer water gebruikten. En C, dat het watersysteem niet voldoende was uitgebreid. Dat is eigenlijk net zo’n waardevolle conclusie. Sterker nog, dat is veel makkelijker te repareren dan het klimaat.”

Van Oldenborgh zegt dat hij zich grote zorgen maakt over de opwarming van de aarde. En hoe snel daardoor de kansen op extreme gebeurtenissen toenemen. Tegelijk ziet hij positieve dingen. „De hoeveelheid zonne- en windenergie die wordt opgewekt is gigantisch veel meer dan een paar jaar geleden. Maar of het hard genoeg gaat, weet ik niet.”

Extreme weersgebeurtenissen nemen toe. Hoeveel onderzoekt de World Weather Attribution er?

„Op dit moment twee per jaar. We hopen dat we meer kunnen doen als er weer geld is. Onze funding, door een Amerikaanse organisatie, is onlangs gestopt. Terwijl er heel veel vraag naar onze dienst is.

„En ik zou de hittegolven in Nederland nog willen onderzoeken. In ons land is de gemiddelde hittegolf nu vier graden warmer dan een eeuw geleden. Dat is twee keer zoveel als de modellen voorspellen. Hoe zit dat? Ik zou het dolgraag weten. Maar ik heb er tot nu toe de tijd en de energie niet voor gehad.”

Van Oldenborgh kijkt op zijn horloge. Net ook al. Zit het interview er dan alweer bijna op? „Sorry”, zegt hij. „Ik heb straks een afspraak bij mij thuis in Gouda, bij de fysiotherapeut. Voor m’n achillespezen, en mijn algehele gebrek aan spierkracht. Ik heb veel aan m’n hoofd. We hebben nog genoeg tijd.”

Van Oldenborgh vertelt dat hij het in Canada getroffen gebied goed kent. Na zijn middelbare school in Dordrecht zat hij van 1978 tot 1980 op een internationale school in Metchosin, zo’n honderd kilometer ten zuidwesten van Vancouver. „Je hebt daar gematigd regenwoud, echt prachtig! Op de campus stonden veertig meter hoge bomen, zo breed...” Hij strekt zijn armen ver uit elkaar. Het waren twee belangrijke jaren voor hem, zegt hij, omdat hij er zoveel tieners uit andere landen ontmoette. Uit Canada en de VS, maar ook uit Pakistan, Egypte, Rwanda. „Ik leerde dat de wereld groot is. En dat veel mensen in andere omstandigheden opgroeien die ook deel zijn van de mensheid en die je wil betrekken bij het proces van, in dit geval, klimaatonderzoek.”

Het was een van de redenen dat hij eind vorige eeuw, toen hij net een paar jaar bij het KNMI werkte, de Climate Explorer opzette, een tool voor klimaatonderzoek. Bedoeld om mensen uit de hele wereld toegang te geven tot klimaatdata – temperaturen, regenval. „En liefst ook zonneschijn”, zegt Van Oldenborgh. „Want als je naar buiten gaat wil je drie dingen weten: hoe warm is het, regent het en schijnt de zon?”

Maar de eerste tien jaar sloeg het niet aan, zegt hij. „Je moet niet alleen de website kloppend hebben. De tool moet ook te bedienen zijn. Maar na een jaar of tien zag je dat mensen het opeens wisten. Het gebruik verspreidde zich over de aarde. Addis Abeba, West-Afrika, Colombia, Thailand. De tool wordt internationaal heel veel gebruikt door universiteiten, in het onderwijs. De Wereld Meteorologische Organisatie gebruikt het ook.”

Voor u in 1996 bij het KNMI ging werken, deed u als natuurkundige onderzoek naar de kleinste atomaire deeltjes. Waarom die overstap?

„Ik had als postdoc baantjes van een jaar of twee. De laatste keer in Leiden. Daarna kon ik geen nieuwe baan vinden. En solliciteerde ik bij het KNMI. Achteraf gezien had ik dat eerder moeten doen. Ik ben hier veel meer op mijn plek. In de hoge-energiefysica was ik lang niet zo nuttig geweest voor de maatschappij als ik hier kan zijn.

„Het mooie was dat ik veel van mijn vaardigheden kon meenemen. Het meest boeiende in de wetenschap vind ik de vergelijking van de theorie met de werkelijkheid. Daar ben ik mee doorgegaan. Daarom kon ik de wetenschap van attributie mee helpen opzetten. Je had de modelleurs die met klimaatverandering bezig waren. En je had de waarnemingen. Al die datareeksen van temperatuur, regenval. Die moesten bij elkaar worden gebracht.

„En ik hou van cijfers. Ik ben helemaal geobsedeerd door correcte getallen. Ik moet toegeven dat ik er ’s nachts wakker van kan liggen. Ik herinner me de dagen voordat we onze resultaten van het onderzoek naar de bosbranden in Australië vrij gingen geven. Ik ging in mijn hoofd alle cijfers langs. Ben ik niks vergeten? Heb ik geen rekenfouten gemaakt? Ik wil dat m’n cijfers kloppen. Ik vind dat een essentie van wetenschap.”

Mengt u zich ook in het publieke debat over klimaatverandering?

„Nauwelijks.”

Maar u houdt wel lezingen door het land.

„Hield. Dat kan ik niet meer. En daar ging het om de feiten. In het publieke debat ben ik denk ik niet zo effectief. Ik zie het vooral als mijn taak om zo goed en accuraat mogelijke wetenschappelijke informatie te leveren. Als Geert Jan cijfers geeft, dan zullen ze wel kloppen. Dat is de reputatie die ik hoop te hebben.”