Analyse

Het jongste land ter wereld bestaat tien jaar, maar heeft weinig te vieren

Zuid-Soedan Na tien jaar onafhankelijkheid is het optimisme over de toekomst van Zuid-Soedan, de jongste natie ter wereld, ver te zoeken. „Zolang onze leiders niet aftreden, is er geen reden tot hoop.”

Een menigte in hoofdstad Juba viert de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan op 9 juli 2011.
Een menigte in hoofdstad Juba viert de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan op 9 juli 2011. Foto Roberto Schmidt/AFP

Tien jaar geleden vierde hij nog de hele dag nacht feest, maar nu, op de tiende verjaardag van Zuid-Soedan „valt er niets te vieren”, zegt voormalig minister Peter Adwok Nyaba met bijtende stem over de telefoon vanuit hoofdstad Juba.

In de nacht van vrijdag 8 op zaterdag 9 juli, klokslag middernacht tien jaar geleden, weerklonk overal gejubel in Juba en andere Zuid-Soedanese steden en dorpen. Tussen 1955 en 1972 en opnieuw tussen 1983 en 2005 hadden de Zuid-Soedanezen gevochten tegen het noorden van het toenmalige Soedan, waarvan de islamitische, gearabiseerde machthebbers niet omkeken naar de christelijke, zwarte bevolkingsgroepen in het zuiden. Het was een verbeten strijd, die miljoenen levens eiste.

In de rangen van de rebellen, onder de heldere sterrenhemel en aan het kampvuur, knaagde tijdens die lange oorlogsjaren altijd twijfel bij de aanhangers van onafhankelijkheid of het land klaar was voor zijn zelfstandigheid; of de onderlinge verdeeldheid tussen de etnische groepen niet de overhand zou krijgen als de gemeenschappelijke noordelijke vijand zou wegvallen. Het officiële doel van de opstand was een Nieuw Soedan, geen onafhankelijkheid van het zuiden. Bij het referendum over de status van het land in 2011 stemde echter vrijwel niemand voor een voortgaande verbintenis met de noorderlingen. Eenheid werd niet als optie gezien in het zuiden, dat 150 jaar lang was misbruikt als reservoir voor slaven en als wingewest van grondstoffen.

Zelfgebouwde scholen

Bejubeld door westerse donorlanden en internationale instellingen ging het de eerste twee jaar voorspoedig met het onafhankelijke Zuid-Soedan. Het enthousiasme onder de bewoners was enorm. In dorpen bouwden boeren eigenhandig schooltjes nog vóór de overheid onderwijzers stuurde, ballingen keerden terug en zetten bedrijven op, asfaltwegen legden bemodderde streken open en Juba groeide uit van een gehucht tot een stad met luxehotels.

Op 15 december 2013 echter ging het mis. President Salva Kiir, behorend tot de etnische groep van de Dinka, en zijn rivaal Riëk Machar, een Nuer, begonnen een strijd die alle mooie verwachtingen wegvaagde, die de economie vernietigde en de bevolking in een permanente levensstijl van honger en ontheemding stortte.

Plunderingen, ontvoeringen en moorden zijn het nieuwe normaal in Zuid-Soedan

De burgeroorlog die volgde eiste een half miljoen levens. Van de feestvierende ouderen van tien jaar geleden raakte 35 procent ontheemd. Inmiddels zijn volgens de Wereldbank twee op de vijf kinderen ondervoed en leeft 82 procent van de bevolking onder de armoedegrens, en kan volgens VN-ontwikkelingsprogramma UNDP slechts een kwart van de bevolking lezen en schrijven.

Zuid-Soedan is sinds zijn onafhankelijkheid een van de meest corrupte en slechtst bestuurde naties ter wereld geworden. Daar kwam de coronapandemie en een tijdelijke, scherpe daling van de olieprijs, ’s lands belangrijkste exportproduct, nog bij.

Een leger met een land

Zuid-Soedan is niet een land met een leger, maar een leger met een land. Vaak ongeletterde militairen zijn politici geworden, beconcurreren elkaar en kunnen niet samenwerken. Op het platteland, waar de meerderheid van de bevolking leeft, valt de samenleving uiteen. Plunderingen, ontvoeringen en moorden zijn nu het nieuwe normaal in Zuid-Soedan.

De overheid is er nauwelijks aanwezig. Mede daardoor breken geregeld gevechten uit tussen etnische groepen, zoals vorig jaar mei, toen de Murle de Nuer aanvielen. Daarbij vielen driehonderd doden, onder wie vrouwen en kinderen.

Het ontbreekt de regering aan geld salarissen te betalen, leningen af te lossen en nieuwe fondsen aan te trekken. De ooit gulle buitenlandse donoren hebben geen vertrouwen meer in de overheid; zij geven alleen nog geld om de humanitaire noden te verlichten.

Kleptocratie van krijgsheren

Oud-minister Peter Adwok wijt de tragische mislukking aan het falen van leiders om destijds in de bush alternatieve bestuursstructuren op te zetten. Deze hadden bij de lancering van de jonge natie als basis kunnen dienen. Door dat gemis kon een kleptocratie van krijgsheren ontstaan in plaats van een natie. „Onze leiders zijn het grootste probleem, niet de onafhankelijkheid”, zegt hij. President Salva Kiir, „geeft leiding alsof hij een dorp bestuurt” en Riëk Machar vormt geen alternatief, vervolgt hij. „Zolang zij niet aftreden, bestaat er geen hoop.” Toenmalig minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen betitelde de Zuid-Soedanese leiders in 2017 als „klootzakken”.

De nieuwe leiders die voortkwamen uit de bevrijdingsstrijd hadden geen benul hoe ze na de onafhankelijkheid het land moesten besturen. Ze zijn beter in vechten dan compromissen sluiten; een tiental vredesakkoorden hebben daarin geen verandering gebracht.

Het laatste vredesakkoord, uit 2018, deed de stammenstrijd tussen Dinka en Nuer luwen: Salva Kiir en Riëk Machar werken officieel samen in een coalitieregering. Het vredesproces ligt echter maanden achter op schema en de integratie van de strijdkrachten in een nieuw nationaal leger heeft nog niet plaatsgehad. Het onderlinge wantrouwen tussen de twee kemphanen is te groot om hun legers te laten samenvoegen. Zo blijft Zuid-Soedan balanceren op het randje van de afgrond.

Lees ook: Deze vrede heeft kans van slagen