De kans op een sprintzege houdt de wielerploegen tevreden in de Tour de France

Massasprints In de loop van de jaren is het aantal massasprints in de Tour de France toegenomen. Het is een logisch gevolg van het toegenomen ploegenspel.

Mark Cavendish (in het groen) wint de massasprint in de zesde etappe van de Tour.
Mark Cavendish (in het groen) wint de massasprint in de zesde etappe van de Tour. Foto Guillaume Horcajuelo/AP

Bijna tachtig kilometer in de aanval heeft Brent Van Moer er op zitten. In de vierde etappe van de Tour de France is hij weggesprongen met een medevluchter en nu rijdt hij, in zijn eentje, een tijdrit tegen het peloton op weg naar de streep. Op vijf kilometer van de finish in Fougères heeft hij nog een minuut, maar het peloton komt snel dichterbij. Op iets meer dan twee kilometer zit er een knik in het parcours, Van Moer valt stil. Normaal kijkt hij nooit achterom, maar nu is hij zo dichtbij, en komt de rest zo snel terug, dat hij toch achterom kijkt. „Ik voelde ze komen, ik wist het. En toen dacht ik: ‘Fuck!’”

Op 200 meter van de streep vliegen de sprinters Van Moer voorbij. Mark Cavendish wint de rit. Heel zuur, zegt Van Moer een dag later, maar hij is er alweer overheen. „Ik heb alles gegeven, geen fout gemaakt, ik ben op waarde geklopt. En je weet op voorhand dat het moeilijk wordt, zo’n sprintrit voor blijven.”

Had de finishlijn een paar honderd meter eerder gelegen, dan had Van Moer gewonnen en was hij een statistische afwijking geweest. Vlakke etappes in de Tour zijn door de jaren heen steeds meer een garantie geworden voor een massasprint, blijkt uit historische data die NRC kreeg van sportdatabureau Gracenote. Terwijl het aantal vlakke etappes in de afgelopen zeventig jaar afnam, van zo’n veertien in de jaren veertig en vijftig naar minder dan tien sinds de eeuwwisseling, nam het aantal massasprints toe. Vorig jaar was er zelfs, voor het eerst in de Tour, een massasprint in een etappe die volgens Gracenote niet vlak was – etappe 3 van Nice naar Sisteron, gewonnen door sprinter Caleb Ewan. Door de drie beklimmingen van de derde categorie en één van de vierde werd deze als heuveletappe gecategoriseerd.

Pure commercie

Het is allemaal te danken aan pure commercie, zegt wielerhistoricus Fred van Slogteren, auteur van vele wielerboeken. Het draait volgens hem allemaal om aandacht, want dat hebben de sponsoren graag. „Ploegen die geen klassementsrenners hebben, proberen allemaal een topsprinter aan te trekken. Want etappes winnen zorgt voor publiciteit. En door etappezeges zo belangrijk te maken, hebben sprinters een grotere status gekregen en zijn meer teams zich in het sprinten gaan specialiseren.”

Dat was na de Tweede Wereldoorlog wel anders; massasprints waren zeldzaam. In alle Tours tot 1960 eindigden in totaal maar zes ritten in een massaspurt. Maar daarna neemt het aantal massasprints opeens toe; opeens eindigen bijna elk jaar wel drie of vier etappes ermee.

Vlakke etappes leiden steeds vaker tot massasprints

Een omslag die te verklaren is door een structurele verandering in het wielrennen, zegt Van Slogteren. „In 1962 stapte het wielrennen over van landenteams op merkenteams. Tot die tijd was het gebruikelijk dat er dagelijks een grote groep renners wegreed in een ontsnapping en wegbleef. Maar daarna veranderde dat.”

Met de intrede van de commercie werden de belangen van de sponsoren groter, zegt Van Slogteren, en dus gingen die meer eisen van hun renners. Het enige probleem: er zijn jaarlijks maar een handvol renners die kunnen meedoen in het gevecht om de gele trui. Dus wat te doen als je zo’n renner niet in je team hebt? Sprinten om etappezeges.

In de jaren zeventig neemt het aantal sprints gaandeweg toe. Jaarlijks eindigen ongeveer de helft van alle vlakke etappes, gemiddeld zo’n zes per jaar, in een massasprint. Klassementsmannen als Eddy Merckx en Bernard Hinault sprinten gewoon mee, en winnen soms ook nog.

Het is ook de tijd van de ploegen van Jan Raas, die hard aan kop van het peloton begonnen te rijden. Een Nederlandse uitvinding, zegt Van Slogteren. „Ze maakten de koers in de laatste tachtig kilometer zo hard, dat iedereen de lust om te ontsnappen ontviel.” En uiteindelijk kon de sprinter van de ploeg dan meesprinten om de winst.

De tactiek van Raas ontwikkelt zich in de jaren 90 in Italië verder tot de sprinttrein, een lange sliert van teamgenoten die hun sprinter het liefst een paar honderd meter van de finish afzetten. Mannen met machtig mooie namen en nog machtiger dijbenen, zoals Mario Cipollini, hoeven alleen dat allerlaatste stuk hun maximale inspanning te leveren.

Volledige controle

In die tijd sprint ook Jean-Paul van Poppel mee in het peloton, vaak met succes: in totaal wint hij 22 etappes in de drie grote rondes (Tour, Giro, Vuelta), waarvan negen in de Tour. „Sprinten was 25 jaar geleden wel andere koek”, zegt hij terugblikkend. „Vluchters hadden nog een kans, en ik moest het als sprinter meestal helemaal zelf uitzoeken. Soms kreeg ik nog wel een mannetje mee, maar veel vaker zat ik alleen.”

Tegenwoordig heeft het peloton de volledige controle, ziet Van Poppel. „Er zijn oortjes, het parcours is helemaal bekend, er is communicatie tussen ploegleiders van verschillende sprintteams. Kortom: het peloton weet precies wat het moet doen. Dat maakt het allemaal makkelijker voor de sprinters, en lastiger voor de kleine groepjes die voorop rijden.”

In het huidige peloton herkennen ze dat beeld wel. Cees Bol, de sprinter van Team DSM, ziet dat het wielrennen veel sneller is geworden door de fysieke gesteldheid van de renners en het betere materiaal. Wegkomen is nauwelijks meer mogelijk, zegt hij. „Dat heeft ook te maken met de luchtweerstand. Die wordt hoe sneller je gaat exponentieel hoger, dus dan heeft het peloton, waar je uit de wind kan rijden en kunt afwisselen, nog meer voordeel tegen een paar ontsnappers.”

Mark Cavendish in het groen, opnieuw winnaar in de massasprint. Hij won deze Tour al drie etappes. Foto Daniel Cole/AP

Teams zijn zich ook meer gaan specialiseren in het sprinten, zegt Herman Frison. Hij kan het weten, als ploegleider van het Belgische Lotto-Soudal. Met de Australiër Caleb Ewan, vanwege zijn lengte ook wel de Pocket Rocket genoemd, heeft zijn ploeg een van de snelste mannen van het peloton. Deze Tour viel de Australiër na een val met een gebroken sleutelbeen uit.

„We hebben een hoop renners die aanvallend kunnen koersen, maar het plan was dat in de vlakke etappes de focus volledig op de sprints ging”, zegt Frison. Juist omdat zijn team zich heeft gespecialiseerd in de massasprint, zegt Frison, doet zijn team er normaal gesproken alles aan om het ook daarop aan te laten komen.

Tachtig minuten overspelen

Het wielrennen wordt er niet leuker van, zegt Van Poppel. „De afgelopen vijftien jaar is een vlakke rit een stuk minder uitnodigend geworden. Fans hoeven niet uren voor de televisie te gaan zitten, een deel van de spanning is weggenomen.”

Stel, zegt hij, het EK voetbal is toch aan de gang, dat een voetbalwedstrijd net zo zou verlopen. „Ze gaan tachtig minuten overspelen en in de laatste tien minuten knallen ze er twee in. Dat is toch niet te verkopen?”

Frison toont zich schuldbewust, ondanks het feit dat zijn team normaal inzet op de massasprints. „Het is een dubbel gevoel. Het mooiste voor de fans, en ook voor de sponsor, blijft het als een ontsnapping zoals van Brent Van Moer wegblijft en er iemand solo aankomt. Dan heb je een mooie koers gehad. Maar als mijn sprinter niet wint in een vlakke etappe, dan zit ik toch een beetje voor lul in de ploegleiderswagen. Dan ben ik niet happy.”

Lees ook: Mark Cavendisch op jacht naar record van Eddy Merckx

Er valt ook veel te genieten bij een massasprint, zegt Van Slogteren. „Onderschat ook niet dat het een kunst is, het aansturen op een massasprint. Want als je de ontsnapping te vroeg voor de finish achterhaalt, dan biedt dat ruimte voor een nieuwe ontsnapping. Je kunt ze voorop dan beter nog even laten bungelen.” Dat is een ware evenwichtsoefening voor de sprintersploegen, zegt hij.

Deze Tour werden de vier vlakke etappes tot nu toe allemaal gewonnen door een sprinter; eerst Tim Merlier en daarna Cavendish, die drie sprints won. De beste sprinter van dit peloton houdt zich niet bezig met de statistieken over massasprints in vlakke etappes. „Ik zie wel dat er meer lead-outs zijn, dat het drukker is in de finale van vlakke etappes, maar waarom dat zo is, daar sta ik niet bij stil”, zegt Cavendish bijna verontschuldigend. Hij wil gewoon winnen, en daarvoor moet hij in de finale zo goed mogelijk gepositioneerd zitten.

Donderdag leek op papier een nieuwe kans te zijn voor hem en de andere sprinters, op het vlakke parkoers van Saint-Paul-Trois-Châteaux naar Nîmes. Maar door de wind ontstaan in het begin van de etappe waaiers en weet een grote kopgroep te ontsnappen. Ze krijgen minuten voorsprong, en uit die kopgroep weet uiteindelijk Nils Politt solo naar de finish te rijden. De sprinters zijn voor een zeldzaam keertje geklopt.

Ze hoeven niet te treuren, zegt Van Poppel. Vrijdag komt alweer een nieuwe kans, als de dertiende etappe voert van Nîmes naar Carcassonne. In totaal staan er volgens het roadbook acht vlakke etappes op de rol. Van Poppel: „Ik verwacht dat we deze Tour gewoon zeven massasprints gaan zien.”