Recensie

Recensie Beeldende kunst

Sonsbeek neemt afscheid van spierballenkunst en machocultuur

Kunstmanifestatie Op de twaalfde editie van kunstmanifestatie Sonsbeek laat artistiek leider Bonaventure Ndikung het park opvallend leeg. En interessant werk heeft vaak weinig met het thema, arbeid, te maken.

Sunette L. Viljoen ‘Hoc Opus Hic’, bunker-boerderij op Buitenplaats Koningsweg op de Veluwe.
Sunette L. Viljoen ‘Hoc Opus Hic’, bunker-boerderij op Buitenplaats Koningsweg op de Veluwe. Foto Simon Schothorst

We beginnen met hoop. Want hoe hoopvol is het eerste publieksoptreden waarmee artistiek directeur Bonaventure Soh Bejeng Ndikung (Kameroen, 1977) afgelopen week de twaalfde editie van Sonsbeek opende. Dat komt allereerst door Ndikung zelf, die ons van de pers, kunsthistorici, ambtenaren, kunstenaars en curatoren om zich heen uitnodigt in de gotische Eusebiuskerk in het centrum van Arnhem. Daar zitten we in hoefijzervorm. Ndikung zit niet op een verhoging, niet achter een tafel, ver van the maddening crowd zoals gebruikelijk voor artistieke leiders bij dit soort manifestaties. Er is geen hoger of lager, geen kunstgoeroe die zijn of haar filosofie opdringt. Iedereen doet mee, is van belang.

En dus zit Ndikung naast ons, hij staat op, drentelt wat rond, en steekt van wal. Met om te beginnen een dankwoord aan de schoonmakers, de straatvegers, de cateraars, de technici van de opbouwploegen, de kunstenaars, de vrijwilligers, de mensen van de communicatie en dan pas de geldschieters en mede-curatoren van Sonsbeek. Daar komt saxofoniste Sanne Landvreugd uit de coulissen tevoorschijn, die haar alt- en sopraansaxen tot in de nok van de torenhoge gotische Eusebiuskerk laat vibreren. Gospelkoor G-Roots staat swingend klaar. Amal Alhaag, een co-curator en afkomstig van het Research Center for Material Culture, staat op. Ze houdt een aangrijpend betoog over de betekenis van werk en cultureel kapitalisme. Haar betoog is als een recital. Elke paar minuten neemt het gospelkoor haar woorden over, met liedjes of fragmenten van liedjes waarmee we allemaal mogen meezingen.

JenniferTee ‘Respire, the world begins with Trees’ (detail)

Foto Django van Ardenne

Andere co-curatoren volgen. Ze vertellen persoonlijke verhalen (zoals Zippora Elders, die vertelt hoe haar ouders elkaar lang geleden in park Sonsbeek ontmoetten) en alles wordt steeds afgebroken, opgepakt door de muziek en weer verder verteld. Het eindwoord is voor Ndikung die heel in het kort de ideeën van het team over deze door corona- en geldgebrek getergde editie uiteenzet.

‘Sonsbeek 2021–>2024: Force Times Distance’, zoals de manifestatie heet, moet liefst vier jaar gaan duren en zal zich op alle mogelijke manieren bewegen rondom het thema arbeid, sociale gelijkheid en de geluiden die daarbij horen. We moeten in solidariteit kijken en luisteren, zegt Ndikung, naar wat er speelt, wat tot zwijgen werd gebracht en wat weerklinkt. ‘Soniciteiten’ noemt hij dat met een heel lelijk woord. We moeten alert zijn op wat wordt onthuld en wat genegeerd. Zoals de geschiedenis van de tot slaaf gemaakte Anna, die in een Arnhemse regentenfamilie werkte, zegt hij.

Haves en have nots

Het is een goed en noodzakelijk onderwerp dat deze twaalfde editie van Sonsbeek onder handen neemt. Goed, omdat onderwerpen als uitbuiting, ongelijkheid en de gevolgen van kolonisatie nog steeds te weinig voor het voetlicht worden gebracht. Urgent, omdat de tegenstelling tussen haves en have nots – ook in de kunstwereld, zeker door corona – steeds schrijnender wordt. Sonsbeek zelf is daar een voorbeeld van. Want ook bij Sonsbeek hebben maar vier mensen vaste contracten en loopt er een legioen aan onderbetaalde freelancers rond. De Raad voor Cultuur noteerde het kritisch in zijn negatieve oordeel over de subsidieaanvraag van Sonsbeek vorig jaar.

Met 2,5 miljoen euro – bijna uitsluitend van subsidiënten en geen noemenswaardige sponsors – moet Ndikung de klus klaren. Hijzelf vindt dat veel te weinig, zo laat hij duidelijk merken. Want een manifestatie als Documenta krijgt wel 37 miljoen.

Om Sonsbeek met de Documenta in Kassel te vergelijken voert ver. En dat is kenmerkend voor Ndikungs aanpak. Die aanpak is overambitieus, met geringe aandacht voor wat past binnen een budget en binnen een beperkte organisatie. Neem het aantal kunstenaars dat deelneemt. Officieel zijn dat er 250. Maar van die 250 hebben maar 37 werkelijk kunstwerken neergezet in en om Arnhem. De resterende 213 deelnemers zullen optreden in het publieksprogramma dat de komende maanden gaat draaien. Maar wie dat zijn, wat ze doen, welke radioprogramma’s er komen, welke podcasts er nog gemaakt gaan worden – de website verschaft er zelfs een kleine week na opening nog geen duidelijkheid over.

Sonsbeek buiten de perken

Daarbij komt dat deze editie van Sonsbeek zich graag meet met Wim Beerens baanbrekende ‘Sonsbeek buiten de perken’ uit 1971. Die editie – vernieuwend vanwege de betekenis van sculptuur in de publieke ruimte, maar wel met bijna alleen maar mannelijke kunstenaars – spreidde zich over een heleboel plekken in Nederland uit.

Ndikung en zijn team hebben Beerens keuze opgevat „als waarschuwing hoe de genderverdeling van Sonsbeek nu níét moet zijn”. En daarom is het aantal vrouwelijke kunstenaars uitgebreid. Die vrouwen presenteren wonderlijk genoeg, met soms eenvoudige middelen als bakstenen, plantenzaadjes, potlood, schaar en aquarelverf, borduurgaren en inkt, de meest indrukwekkende werken op deze editie. Dat is te zien tijdens het parcours, dat langs zeven plekken in de binnenstad slingert, via Park Sonsbeek, het aangrenzende Zypendaal, heuvel op, heuvel af naar de Buitenplaats aan de Koningsweg. En voor de echte fanatiekelingen is het dan nog 11 kilometer verder fietsen naar Museum Kröller-Müller. Dat is veel meer locaties dan de vorige edities. Trek er zeker twee dagen voor uit.

Wat opvalt op de buitenplekken: de leegte. Sonsbeek 2021–>2024 „leeft in de afwezigheid van het dominante beeld”, schrijft Ndikung in de onhandelbaar grote en matig geredigeerde publieksgids (überhaupt een punt: de afwezige uitleg bij de vaak best ingewikkelde werken). Daar bedoelt hij mee dat spierballenkunst en machocultuur afwezig zijn en dat de kunstwerken elkaar over grote afstanden via onzichtbare ‘frequenties’ versterken, ongeveer zoals bij een radio-uitzending. Echt werken doet dit niet. In feite betekent het dat Park Sonsbeek er maagdelijk uitziet, met grote lege weides en grasvelden. De volle, educatieve presentatie over koloniale uitbuiting van The Black Archives en ontwerpersgroep Yinka Ilori in de Witte Villa verandert daar weinig aan.

Onderwaterrijk

Wat ook in het oog springt: interessant werk heeft niet altijd een relatie met het thema. De Franse Laure Prouvost heeft de kelder van het gebouw van Collectie de Groen in de binnenstad veranderd in een onderwaterrijk, waar je op laarzen door inktvisinkt moet waden (pas op voor uitglijden). Door klamme, transparante gordijnen bewegend, kun je flarden van poëzie en op de grond geprojecteerde video’s ondergaan (Melting into one another ho hot chaud it heating dip, 2020). Ellen Gallagher (VS) toont in de qua inrichting erg drukke Waalse kerk vooral ouder werk, maar wat voor werk: een aantal super fijnzinnige, alternatieve mythologieën over de trans-Atlantische mensenhandel (Watery Ecstatic en Morphia).

De Nederlandse Jennifer Tee heeft een levensboom laten aanleggen in het grasveld bij de waterval (Respire, the world begins with trees). De bakstenen die de platte, in de grond verzonken boom vormen, zijn in verschillende, zachte kleuren uitgevoerd en gestempeld met afdrukken van bladeren van de bomen op Sonsbeek. Zo ontstaat er – al wandelend langs de grillige vormen van takken en de sierlijke lijnen van de blaadjes – een bijna meditatief gevoel, ondanks de hardnekkige regen. Alsof je oplost in deze stenen boom, die staat voor alle bomen in Sonsbeek.

Ook het aangrenzende Zypendaal (neem je fiets mee) is behoorlijk leeg. In het grote landschapsbos zijn maar twee werken te zien. Op weelderig groen grasland, omlijst door monumentale bomen, heeft de Kameroense Justine Gaga een uit Grolschkratten opgebouwd labyrint laten bouwen waarin (vorige week, nog niet werkende) video’s spelen. Gelukkig is verderop het bloedrode vlaggenproject van de Iraanse Farkhondeh Shahroudi (Performative Poetics of Matter, 2021). De schoonheid van dit werk openbaart zich pas wanneer je helemaal tot het eind van de verwilderde wei loopt, omdraait en terugwandelt. Dan pas vallen je de op de vlaggen geborduurde teksten in Farsi, Engels en Duits op, die het midden houden tussen gestotter en poëzie, persoonlijk en sprookjesachtig vreemd. ‘Wir schwommen in umgekehrten Seeen’.

Laure Prouvost ‘Melting into one another ho hot chaud it heating dip’

Foto Django van Ardenne

De Buitenplaats aan de Koningsweg is zeker niet te belopen vanuit het centrum van de stad. Maar sla deze plek niet over. Hier, zo vertelt een enthousiaste vrijwilliger, bouwden de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog een Veluws boerderijdorp na. In werkelijkheid waren de boerderijen bunkers die tjokvol met meetinstrumenten zaten waar alle vliegbewegingen boven Europa werden geregistreerd. Het terrein is inmiddels in handen van projectontwikkelaars. De ene na de andere huizenrij verrijst. Paden zijn veranderd in modderpoelen. Vrachtwagens rijden in en uit.

Twee werken zijn hier de lange tocht waard. De Pakistaanse Hira Nabi toont een terecht prijswinnende film over de ontmanteling van scheepswrakken voor de kust van Pakistan. All that perishes at the edge of land (2019) toont het haast surrealistische uit elkaar halen van de verroeste boot ‘Ocean Master’ voor de kust van Pakistan. Hier krijgen arbeiders net zoveel betaald dat ze – zoals één het zegt: „net niet sterven, maar ook niet kunnen leven”. Nabi vat vervuiling, globalisatie en menselijke uitbuiting in wondermooie beelden, met een schrijnende impliciete boodschap: hier verdwijnt meer dan alleen een oceaanstomer, en wij staan dat met z’n allen toe.

Helemaal aan het eind van de Buitenplaats is nog één boerderij-bunker intact. De Zuid-Afrikaanse Sunette L. Viljoen heeft hier een compleet kunstwerk gemaakt, inclusief het graanveld dat rond de boerderij ligt. Hoc Opus Hic (2021), zoals de titel van het werk is, is ontleend aan Vergilius’ Aeneis (‘hoc opus, hic labor est: hier is het werk, daar is de arbeid’). De ‘boerderij’ is een Sonderbau, bedoeld om niet op te vallen.

Viljoen maakte een kaarsrecht pad vrij naar de oorspronkelijke achteringang van het huis, maakte die gesloten deur open, vulde de ruimte met symmetrisch opgestapelde baksteen rijen en opende de oorspronkelijke voordeur. Op het erf dat nooit een erf was, staat een groot bord, zoals je ziet bij bouwplaatsen. Op dat bord een reusachtige fotoprint van een harde, blauwige, metallic ondergrond met daarop een uitvergroot, wit donsveertje. Dat veertje is in al zijn simpelheid groots. Het staat voor de fragiliteit van het leven, voor vergankelijkheid en ja: voor hoop die kan vervliegen maar ook iets moois kan brengen. Zoals de hoop, waarmee Ndikung aan Sonsbeek begon.