Nog één wedstrijd winnen en dan is het voetbal eindelijk echt weer thuis in Engeland

Halve finale Meer dan een halve eeuw hebben ze geleden. Nu is het gelukt: de Engelsen staan voor het eerst sinds het WK van 1966 in de finale van een groot toernooi.

Aanvoerder Harry Kane nadat hij Engeland uit de rebound van zijn eigen strafschop op 2-1 heeft gezet.
Aanvoerder Harry Kane nadat hij Engeland uit de rebound van zijn eigen strafschop op 2-1 heeft gezet. Foto Laurence Griffiths / AP

Ook dit toernooi was het weer raak. Tellen sommige geloofsstromingen af naar de eindtijd, de Engelsen tellen ze juist op, de jaren dat ze wachten op verlossing. Die ene wereldtitel in 1966, daar begon de lijdensweg. Hadden ze het in de jaren negentig nog over dertig jaar afzien, inmiddels hebben de Britse kranten het over 55 Years of Hurt en verzuchten supporters dat grote wedstrijden verliezen misschien ook wel hun lotsbestemming is – hoezeer ze ook uitkijken naar de dag die het tegendeel bewijst.

Een dag die woensdagavond dichterbij kwam. Er rest alleen nog de finale. Die ene wedstrijd waarin de spelers van bondscoach Gareth Southgate het vurige verlangen van een voetbalgek eiland kunnen vervullen met de eerste hoofdprijs in meer dan een halve eeuw.

Dat verlangen, ook dat is Engeland. Geen land dat zich zo kan verlekkeren aan de nabijheid van de eindzege. In aanloop naar de halve finale tegen Denemarken, zei een luisteraar van radiozender BBC 5 Live dat hij zondag alvast een tafel in zijn pub heeft gereserveerd. The Daily Mirror wist ’s ochtends al dat Italië de volgende tegenstander was.

Het lot tartten? De Britse sensatiepers stookt het vuur nou eenmaal graag op. Intussen deelde Engelands topscorer aller tijden een video waarin hij zijn kinderen wekte met de klanken van hét Engelse supporterslied. Wayne Rooney lachte om zijn slaperige zoon en zong het zelf mee, de aanstekelijke hit uit de jaren negentig die ook woensdag over de volle tribunes van Wembley galmde. „Football’s Coming Home

Lees ook: Na het drama van Eriksen vond Denemarken zijn voetbalziel

Dat nummer, altijd weer dat nummer. Toen de makers het schreven in opdracht van de Engelse voetbalbond, voor het EK 1996 in eigen land, wilden zij geen nationalistisch juichnummer produceren. Liever bezongen ze de gewone voetbalfan. De hoop, de hunkering. Zo’n supporter die tegen beter weten in blijft hopen dat hij op een dag dronken van geluk zal zijn. „Thirty years of hurt, never stopped me dreaming.”

Voortschrijdend inzicht? Na dat EK – Engeland verloor in de halve finale van Duitsland na strafschoppen – voldeed de ploeg zelden aan de verwachtingen. Van een domme rode kaart tot een afgekeurd doelpunt, van verloren penaltyseries (een trauma) tot buitenlandse bondscoaches die de vedettes niet op een lijn kregen: er was altijd wel iets waarmee de Engelsen hun eigen favorietenrol ondermijnden.

Of zoals bondscoach Gareth Southgate het deze week zei: „We hebben niet zo’n grote voetbalgeschiedenis als we soms willen geloven.”

Twee halve finales op rij

Toch gloort er dankzij hem een fraai nieuw hoofdstuk. Sinds Sir Alf Ramsey eind jaren zestig was er geen bondscoach die Engeland twee achtereenvolgende toernooien naar de halve finale loodste, maar de kalme, welbespraakte Southgate is het gelukt. „Het beste wat het Engelse voetbal in tijden is overkomen”, oordeelde The Daily Mail onlangs de ex-international die sinds vijf jaar aan het roer staat.

Ook al beschikt hij niet over het cv van Jürgen Klopp (Liverpool) of Pep Guardiola (Manchester City), geprezen wordt Southgate volop. Om hoe hij zijn spelers de vrijheid geeft om voor elke wedstrijd te knielen tegen racisme – en hen openlijk steunt. Om de vasthoudendheid waarmee hij achterin met drie verdedigers blijft spelen. En de kalmte die hij uitstraalt. Nooit kijkt hij verder dan één wedstrijd vooruit. Het zou maar tot verslapping kunnen leiden.

Ze ogen juist scherp, zijn spelers, al drieënhalve week lang. Het totaalplaatje klopt. De opleving van aanvallers Raheem Sterling en Harry Kane, de wisselwerking tussen John Stones en Harry Maguire achterin, de slimme combinaties van middenvelders Mason Mount en Kalvin Philips en de zelfverzekerdheid waarmee doelman Jordan Pickford tot woensdagavond zijn doel schoon hield.

Geen doelpunt kreeg het elftal tegen op weg naar de halve finale. Niet tegen Kroatië (1-0) noch tegen Schotland (0-0), Tsjechië (1-0), Duitsland (2-0) en Oekraïne (4-0). Wel tegen Denemarken, het team van de grote wederopstanding na de hartproblemen van Christian Eriksen, waarvan het EK al voor de halve finale was geslaagd: wie had hen nog zo’n krachttoer toegedicht na de rampspoed in de eerste wedstrijd?

De Denen kwamen na een halfuur spelen op voorsprong. De eerste rake vrije trap van dit EK was het, de geplaatste trap van Mikkel Damsgaard, waarmee de Deen het overgrote deel van de zestigduizend toeschouwers op Wembley de adem benam. Zou dit dan toch weer zo’n avond worden, zo een waarop de geschilderde Sint-Joriskruizen op hun gezichten aan het einde van de avond zouden veranderen in een roze warboel van tranen en verf?

Aanstekelijke wedstrijd

Ondanks hun defensieve speelstijl kregen de Denen grote kansen, met name in de eerste helft. Ruikend aan wat hun eerste finale na die onwaarschijnlijke EK-triomf in 1992 zou kunnen worden, staken ze ziel en zaligheid in hun spel, ook al hadden ze pech dat aanvoerder Simon Kjaer vlak voor rust de bal in eigen doel liep: 1-1.

Bij die stand bleef het in het restant van de negentig minuten. Een die recht deed aan de verhoudingen in een aanstekelijke wedstrijd. Een stunt van de Denen, de lonkende verlossing van de Engelsen: het kon alle kanten op. De neutrale kijker had de sympathieke verhaallijnen deze avond voor het kiezen.

De beslissing viel uiteindelijk in de verlenging. In het eerste kwartier scoorde Harry Kane vanuit de rebound van een – makkelijk gegeven - strafschop. Zo kwam het einde van het Deense voetbalsprookje in zicht, terwijl het voor de Engelsen aftellen was geblazen naar de eerste finale ooit voor het grootste deel van de bevolking.

Twintig minuten later was het daadwerkelijk een feit. En natuurlijk schalde toen weer dat nummer door het stadion. „Football’s Coming Home” Zou het dan werkelijk gaan gebeuren?