De ondergang van de slurfdieren

Paleobiologie Tot dertig miljoen jaar geleden leefden er weinig olifantachtigen op aarde. Daarna verspreidden ze zich over de continenten en nam het aantal soorten toe. Tot het klimaat veranderde.

Een Australopithecus anamensis, een mensachtige van vier miljoen jaar geleden, in de nabijheid van vier slurfdieren uit die tijd.
Een Australopithecus anamensis, een mensachtige van vier miljoen jaar geleden, in de nabijheid van vier slurfdieren uit die tijd. Illustratie Julius Csotonyi

Anno 2021 lopen er nog maar drie olifantensoorten rond op aarde, maar in het verleden waren dat er veel meer. Waarschijnlijk zijn het er zo’n 180 geweest, waaronder de wolharige mammoet en de mastodont. Soms leefden er wel dertig soorten tegelijk.

Rond drie miljoen jaar geleden kwam er een eind aan de hoogtijdagen van de olifantachtigen (Proboscidea) en begon het grote uitsterven. Een groep wetenschappers van onder meer de Universiteit van Madrid en het Museum voor Natuurlijke historie in Berlijn heeft nu met een groot database-onderzoek de opkomst en ondergang van de slurfdieren in kaart gebracht. Ze publiceerden er vorige week over in Nature Ecology and Evolution.

Hun database bevatte gegevens van 2.130 fossielen, van 185 soorten. Daarvan brachten de onderzoekers zeventien verschillende eigenschappen in kaart, zoals lichaamsgrootte, vorm van de slagtand, kauwtechniek en positie van de poten. Hieruit is onder meer op te maken wat de dieren aten en hoe ze zich voortbewogen.

Oprukkende savannen

De auteurs schrijven dat er tot ongeveer dertig miljoen jaar geleden weinig soorten olifantachtigen waren. Die leefden allemaal in Afrika of op het Arabisch schiereiland, dat toen één continent vormde, los van de landmassa van de rest van de aarde. Vanaf 25 miljoen jaar geleden verspreidden de Proboscidea zich over Europa en Azië, vanaf 16 miljoen jaar geleden ook in de Amerika’s. Deze vergroting van hun leefgebied leidde tot een forse groei van het aantal soorten: de ontwikkeling verliep 25 keer sneller dan toen de slurfdieren alleen nog in Afrika huisden.

Rond acht miljoen jaar geleden begon de fauna op aarde te veranderen, onder invloed van het klimaat. De grassoorten die de overhand kregen op de oprukkende savannen, waren voor veel olifantachtigen minder aantrekkelijk en diversiteit binnen de orde nam af. De soorten waarvan de tanden niet zo waren geëvolueerd dat ze dit voedsel konden vermalen, stierven uit.

Er waren nog altijd 33 soorten over die potentie hadden om zich verder te ontwikkelen, toen rond drie miljoen jaar geleden de definitieve neergang van de olifantachtigen werd ingezet. Die culmineerde tussen de 160.000 en 75.000 jaar geleden, toen een periode van ijstijden de habitat van de Proboscidea sterk verkleinde.

Speelde Homo sapiens, die inmiddels ten tonele was verschenen, nog een rol in de uiteindelijke ondergang van deze dieren? De onderzoekers houden het erop dat „onze resultaten geen scenario uitsluiten waarbij antropogene druk heeft bijgedragen aan de catastrofale achteruitgang van de Proboscidea aan het eind van het Pleistoceen”.

Dit is oude koek in een nieuw jasje

Thijs van Kolfschoten hoogleraar

Thijs van Kolfschoten, emeritus hoogleraar paleo- en archeozoölogie van zoogdieren aan de Universiteit Leiden, is niet onder de indruk van het onderzoek, zegt hij. „Dit is oude koek in een nieuw jasje. Deze onderzoekers hebben gegevens die uit de literatuur bekend zijn in een database gestopt en er statistische analyses op los gelaten. Dat levert indrukwekkende diagrammen op, maar wat leren we zo nu voor nieuws over het uitsterven van deze olifantachtigen?”

Neem de wolharige mammoet, zegt Van Kolfschoten. „Die kwam te leven in een habitat die steeds verder versplinterde in kleinere leefgebieden. Dat leidde tot kleinere kuddes, die geen contact meer hadden met andere kuddes – en zo tot een geringere genetische diversiteit. Dat zorgde uiteindelijk voor het verdwijnen van de mammoet. De jagende mens heeft daaraan misschien nog een kleine bijdrage geleverd, maar dat was echt marginaal. Klimaatverandering was doorslaggevend. Dat wisten we al.”

Het artikel schiet ook tekort in het verklaren van de verdwijning van de Proboscidea omdat de auteurs verzuimd hebben een vergelijking te maken met andere dieren die in dezelfde tijd leefden, vindt Van Kolfschoten. „Bij paarden zag je ook deze beweging: een grote soortenrijkdom, waarvan uiteindelijk maar enkele soorten overbleven. En kijk naar de orde van de evenhoevigen; daar kwamen juist soorten bij in de periode waarin de olifantachtigen verdwenen. Die context is belangrijk.”

Al met al had Kolfschoten wel wat vragen gehad als hij dit artikel van peerreview had moeten voorzien. „De auteurs doen of ze met hun database antwoord kunnen geven op vragen die niet eerder gesteld zijn, maar het vakgebied is al 150 jaar bezig met dit soort kwesties. Daar kan datagedreven onderzoek vast aan bijdragen, maar niet op deze manier.”

Correctie (8 juli): In een eerdere versie van dit artikel was sprake van het Museum voor Natuurkunde in Berlijn. Dat moet het Museum voor Natuurlijke historie zijn en is aldus aangepast.