Wondermooie film over rouwrituelen in een multiculturele stad

Zap De documentaire Dood in de Bijlmer toont de totstandkoming van een uitvaartcentrum in Amsterdam Zuidoost. De held van het verhaal, uitvaartbegeleider Anita van Loon, stort zich met devote ernst op de vele rouwculturen in het stadsdeel.

Uitvaartbegeleider Anita van Loon spreekt dominee Koné in Dood in de Bijlmer.
Uitvaartbegeleider Anita van Loon spreekt dominee Koné in Dood in de Bijlmer. Beeld EO

Zijn er nog vragen? Zeker, over de toiletten. Een vrouw neemt het woord: „Kijk naar onze maten en kleren. Dan zul je begrijpen dat we niet zo’n klein hokje willen. Kunnen jullie ze voor ons zo groot mogelijk maken?” Een medewerker van uitvaartverzorger Yarden maakt netjes aantekeningen – met het oog op de gewaden van de Ghanese vrouwen zullen er extra grote toiletten komen.

De maandag door de EO uitgezonden documentaire Dood in de Bijlmer vertelt een verhaal met vele kamers. Centraal staat een niet zo groot stukje grond in Amsterdam-Zuidoost, waar Yarden een nieuw rouwcentrum wil bouwen dat zo veel mogelijk bevolkingsgroepen bedient. Een prestigeproject voor een multiculturele stad en wellicht ook een gat in de rouwmarkt. Maar ook een ingewikkeld project, legt een manager uit: „Wij blanke Nederlanders weten niet wat de faciliteiten zijn die jullie nodig hebben.”

Devote ernst

Daarmee komen we bij de held van dit verhaal: Anita van Loon. Zij is een en al kalme daadkracht, een no nonsense vrouw die niet te koop loopt met haar gevoelens. Die hebben nabestaanden immers zelf al genoeg. Met devote ernst stort Van Loon zich op de rouwculturen in de Bijlmer. Niet uit ideologisch multiculturalisme en soms ook wat knorrig, maar omdat dit nu eenmaal haar vak is: mensen vragen hoe zij hun geliefden willen begraven. Ze doorloopt samen met enkele collega’s een hindoestaanse ceremonie. Zo goed mogelijk volgt ze de instructies op: meng dit met je rechterhand, leg het zo neer. Aan het einde wordt een kinderformaat kist onder het uitspreken van een mantra rondgedragen. Erin ligt een pop.

Maar ineens zien we Van Loon per auto de polder doorkruisen. Ze is op weg naar haar zieke vader, zo blijkt. Ook met hem neemt ze uitvaartwensen door, ze laat hem een mooi liedje horen. In een prachtige vader-dochterscène vraagt ze of hij inderdaad een gesloten kist wil. Hoewel de oude man nog maar moeilijk uit zijn woorden kan komen, bevestigt hij dit met een fraai: „Nee, geen kassie kijken.”

Even later zien we Van Loon waken bij de kist van haar vader. Daarop volgen de beelden van de zeer Nederlandse begrafenis van Pa van Loon, door regisseur Paul Sin Nam Rigter prachtig doorsneden met die van een Ghanese uitvaart in de Bijlmer. Luidkeels wordt daar een gestorven broeder beweend in een urenlange estafette van rituelen. „Ghanezen van IJburg, maak je gereed”, klinkt het als een nieuw dansmoment nadert. Het is volkomen anders dan de bitterballen en de Nieuw-Zeelandse Sauvignon bij de Van Loons, maar toch ook heel erg hetzelfde.

Geen echte interesse

Dood in de Bijlmer is méér dan een wondermooie film over rouwrituelen en integratie. Het is ook een film over projectmanagement. Want ineens staat alles jaren stil en begint een hoge Yardenman met een businessplan te zwaaien. In één voldane beweging haalt hij een verdieping van het gebouw af, waarna zijn som weer klopt.

Er wordt een bezoek gebracht aan de toekomstige bouwplaats. Nu worden er grappen gemaakt over het meteen na de uitvaart kunnen pinnen bij de bank. Van Loon sluipt weg. „Er is bij Yarden geen echte interesse. Wij denken het allemaal zo goed te weten.” Ze neemt ontslag.

Uiteindelijk, na zeven jaar, verrijst het nieuwe rouwcentrum op de afgesproken plek. De businessplanman vertelt met smaak over de extra grote toiletten voor „de Ghanese dames”. Het klinkt inmiddels als een mededeling zonder ziel; je vreest dat de vraag om grote toiletten het enige is wat is doorgedrongen. Anita van Loon is bij de opening in geen velden of wegen te bekennen. In het laatste shot rinkelt een telefoon in het rouwcentrum. Niemand neemt op.