Vijftig jaar geleden was al voor de verkiezingen een nieuw kabinet geregeld

50 jaar kabinet-Biesheuvel Het is deze week een halve eeuw geleden dat kabinet-Biesheuvel aantrad. Anders dan nu was toen vóór de verkiezingen al bepaald hoe een nieuwe coalitie eruit zou moeten zien.

Rijksministerraad bijeen met nieuwe kabinet Biesheuvel, 9 juli 1971.
Rijksministerraad bijeen met nieuwe kabinet Biesheuvel, 9 juli 1971. Foto Bert Verhoeff / Anefo

De verkiezingen zijn al bijna vier maanden oud, geheel onduidelijk is welke partijen straks met elkaar gaan regeren. Dat was bij het kabinet-Biesheuvel, dat deze week een halve eeuw geleden aantrad, wel anders. Toen was vijf maanden vóór de verkiezingen in het geheim en ver weg van het Binnenhof al bepaald hoe een nieuwe coalitie eruit zou moeten zien. Maar zo vastbesloten als de partijen destijds waren om samen te regeren, zo kort duurde hun kabinet.

Het was in het najaar van 1970. De conversatie verliep in het Nederlands, het viel de overige aanwezigen in de bar van het Londense hotel Kensington niet op dat vier heren daar in de late avonduren met elkaar een kabinet formeerden. „Veringa dan maar minister-president?”, zei de één. „An me nooit niet”, zei de ander. „Ik wil naar Buitenlandse Zaken”, zei een ander. „Nee”, zei de volgende uit het groepje. „Dat wil ik.”

De verkiezingscampagne moest nog beginnen, maar de fractievoorzitters van drie christelijke partijen en die van de VVD waren al druk bezig met de samenstelling van een nieuw kabinet. De hotelbar in Londen, bevolkt door de Nederlandse fractievoorzitters Norbert Schmelzer (KVP), Barend Biesheuvel (ARP), Jur Mellema (CHU) – hun partijen zouden tien jaar later samengaan in het CDA – en Molly Geertsema (VVD), vormde de spreekwoordelijke achterkamer die ook nu zo bepalend is als nieuwe kabinetten worden geformeerd.

Reus van Aerdenhout

De 51-jarige Biesheuvel, de ‘reus van Aerdenhout’, leider van de ARP, trad op 6 juli 1971 aan als premier van het 51ste kabinet. De ARP was goed voor slechts dertien zetels. Er werd van uitgegaan dat de christelijke partijen spoedig zouden fuseren.

De balletjes die in Londen waren opgeworpen, bleken negen maanden later opmerkelijk goed op hun plaats terecht te komen. Biesheuvel werd premier, Schmelzer ministerschap van Buitenlandse Zaken, Molly Geertsema ging volgens plan naar Binnenlandse Zaken. Namen van anderen, niet in Londen aanwezig maar wel door het viertal genoemd, kwamen ook in het kabinet.

Schmelzer maakte in 1973, in het boek Het verschijnsel Schmelzer van Robbert Ammerlaan, voor het eerst melding van het Londense formatiegesprek. In de in 2012 verschenen geschreven biografie over Biesheuvel door Wilfred Scholten gaf toenmalig CHU-fractievoorzitter Mellema verdere details over het kwartetten tussen de vier politieke leiders.

Er deed zich bij de verkiezingen wel één complicatie voor. KVP, ARP, CHU en VVD bleven steken op 74 zetels. Er volgde , net als nu, achter gesloten deuren nog een ‘heuse’ formatie. Daarbij kreeg de succesvolle nieuwkomer DS’70, die onder leiding van de zoon van oud-premier Willem Drees vanuit het niets met acht zetels behaalde, een uitnodiging tot het kabinet toe te treden.

Een kabinet van sterke mannen – vrouwen zaten er niet in – werd de ploeg van Biesheuvel bij zijn aantreden genoemd. Ze zouden het verschil moeten maken met het kabinet-De Jong, dat de vier jaar ervoor slechts ‘op de winkel gepast’ had. Het nieuwe kabinet zat vol met grote politieke reputaties. Het predikaat ‘nationale kanjers’ viel.

Politici van de oude stempel die uit lijfsbehoud met een schuin oog keken naar de maatschappelijke veranderingen. Conform de tijdgeest werd de aanspreektitel excellentie afgeschaft. En ook verschenen de ministers niet meer in jacquet bij de traditionele bordesfoto met het staatshoofd maar in donker pak. Over het te voeren beleid zou Biesheuvel een maand later in de regeringsverklaring zeggen: „Wij zullen ons onbevooroordeeld opstellen tegenover wat er aan verlangens, wensen, behoeften en ideeën uit de maatschappij naar voren komt, zonder daarbij te vervallen in een dogmatische voorkeur voor het nieuwe omdat het nieuw is.”

Een jaar later bij de besprekingen over de rijksbegroting was het al bekeken. „Gesprekken begroting verlopen voorspoedig”, schreven de kranten op zaterdag 15 juli 1972. Na het weekend meldden ze de breuk in het kabinet-Biesheuvel. De twee ministers van DS’70, onder wie Drees, stapten op, omdat zij zich niet konden verenigen met de bezuinigingen die hun departementen waren opgelegd.

Lees ook: Rutte mag de formatie niet om tactische redenen frustreren

Waarom ging het zo snel mis? Elkaar in de weg zittende ego’s en gebrek aan leiding? Veel nachtelijke, uitputtende vergaderingen? Het wordt beaamd door de nu 79-jarige Hans Wiegel, die de nieuwe fractievoorzitter van de VVD werd bij het aantreden van het kabinet-Biesheuvel. „Biesheuvel vond het heel moeilijk besluiten te nemen.” Het had volgens hem ook te maken met de vier oude partijen die nieuwkomer DS’70 moeilijk duldden. Wiegel: „Er werd toen gezegd dat de DS’70-ministers waren weggelopen, ze zijn ook wel enigszins door de anderen weggeduwd.”

Biesheuvel, Schmelzer en Geertsema verdwenen na het echec van het politieke toneel. Het kabinet-Biesheuvel raakte snel in de vergetelheid. Dat gold niet voor de opvolgers die het had gebaard. De plaats van de sterke mannen werd ingenomen door de hervormingsgezinde mannen én vrouwen van het kabinet-Den Uyl. En daar heeft men het nu nog steeds over.