Kansenongelijkheid in het onderwijs: de emancipatiemotor hapert

Schoolloopbaan Kansenongelijkheid is het belangrijkste probleem binnen het onderwijs. Het maakt steeds meer uit in welk gezin je geboren wordt. De emancipatiemotor hapert.

Illustratie Midas van Son

Neem twee kinderen van zes, allebei even slim. De een woont bij twee hoogopgeleide ouders. Er zijn boeken, hij wordt voorgelezen vanaf de geboorte en meegenomen naar musea. De ander groeit op in een gezin met een alleenstaande moeder die zonder diploma school verliet, schulden heeft, geen boeken leest en geen tijd of kennis heeft om haar kinderen voor te lezen en te helpen bij de eerste rekensommen.

Drie keer raden wie er zes jaar later naar het vwo gaat en wie naar het vmbo.

Het maakt uit in welk gezin je geboren wordt. Steeds meer. Al groeit het aantal studenten in het hoger onderwijs in Nederland al jaren, een universitair diploma is niet voor ieder slim kind weggelegd, al doet het nog zo hard zijn best.

Dat was altijd al zo, maar de laatste jaren is het voor sommige kinderen nóg lastiger geworden om hun achtergrond te ontstijgen.

De Onderwijsinspectie legde vijf jaar geleden voor het eerst de vinger op de zere plek in de jaarlijkse Staat van het Onderwijs. „Bij gelijke intelligentie wordt het voor je schoolkeuze en je schoolloopbaan steeds bepalender uit welk gezin je komt”, stelde ze vast.

Daarbij blijkt de opleiding van ouders doorslaggevender dan bijvoorbeeld het inkomen of een migratieachtergrond.

Kinderen met hoogopgeleide ouders krijgen in groep acht hogere adviezen voor hun vervolgopleiding en gaan dus vaker naar het vwo. Leerlingen met laagopgeleide ouders komen vaker op het vmbo terecht dan je op basis van hun capaciteit en intelligentie zou mogen verwachten. En eenmaal op het vmbo is het lastig ooit nog een diploma aan een hogeschool of universiteit te bemachtigen. Stapelen van onderwijs is ingewikkelder geworden en studeren kost, zeker sinds de invoering van het leenstelsel, veel geld.

Meisjes met laagopgeleide ouders volgen minder vaak havo/vwo

Dat geldt ook voor jongens met laagopgeleide ouders

Het laat zien dat de kansenongelijkheid in het onderwijs toeneemt

Emancipatiemotor hapert

De sterke correlatie tussen de opleiding van ouders en de onderwijskansen van hun kinderen is inmiddels in verschillende onderzoeken vastgesteld. Een onderzoek van het Centraal Planbureau uit december 2020, waarvoor de gegevens van duizenden kinderen tussen de 2 en de 15 jaar werden geanalyseerd, laat zien dat de verschillen tussen ouders al zichtbaar zijn in de prestaties en vaardigheden van hun kinderen op 2-jarige leeftijd. Die achterstand lopen ze gedurende hun schooltijd niet meer in, stelt het CPB. Het heeft negatieve gevolgen op de langere termijn: „De relatieve prestaties in de vroege jeugd zijn mede bepalend voor iemands latere arbeidsmarktkansen.”

Dat is schrikken in een land waar veel mensen nog denken dat ieder kind gelijke kansen heeft en dat het onderwijs een soepel draaiende emancipatiemotor is. Een land waar sinds de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw immers ook arbeiderskinderen naar de universiteit konden en waar de Cito-toets, ingevoerd in 1970, werd gezien als een eerlijke meetlat waarmee álle kinderen ongeacht hun afkomst gelijke kansen zouden krijgen in hun schoolloopbaan.

Wat er in ons onderwijssysteem gebeurt, is een spiegel van de maatschappij

Eddie Denessen hoogleraar sociaal-culturele achtergronden en differentiatie in het onderwijs

Maar ondanks alle goede bedoelingen – want wie wil nou níét dat elk kind gelijke kansen krijgt? – en de vele miljoenen die de afgelopen jaren zijn besteed aan achterstandsbeleid op scholen, hapert de emancipatiemotor. Kansenongelijkheid is tegenwoordig, naast het lerarentekort, hét belangrijkste probleem binnen het Nederlandse onderwijs.

Honoursprogramma

Kansenongelijkheid zit ingebakken in onze cultuur en is sterker geworden onder invloed van het neo-liberalisme van de laatste jaren, zegt Eddie Denessen, hoogleraar sociaal-culturele achtergronden en differentiatie in het onderwijs. „We streven naar het meritocratisch ideaal, het idee dat je de loopbaan van kinderen niet terug kunt voeren op kenmerken van hun ouders. Er mogen wel verschillen zijn, maar die moeten verklaard kunnen worden uit individuele leerlingenkenmerken als intelligentie en inzet.”

Dat ideaal heeft echter scherpe randjes en zet de solidariteit onder druk, zegt Denessen. „Als het niet lukt om te slagen in het leven, heb je het aan jezelf te wijten.”

Daar komt bij dat het Nederlandse onderwijsstelsel enorm gedifferentieerd is en „gericht op selecteren en afrekenen”. Er is speciaal onderwijs voor hoogbegaafden, er zijn plusklassen op de basisschool en universiteiten kennen tegenwoordig allemaal een honoursprogramma. „Maar daarmee kies je niet alleen de beste scholieren en studenten, je sluit ook anderen uit. We bieden kansen, maar pakken ook kansen af.”

De ongelijkheid ontstaat niet alleen door het verschil in bagage die een kind van huis uit meekrijgt. Ook de leraar speelt een belangrijke rol. „Een kind gaat zich gedragen naar de verwachtingen die anderen van hem hebben”, zegt Trudie Schils, hoogleraar onderwijseconomie aan de Universiteit Maastricht. „Als een leraar dénkt dat jij, net als je ouders, het vwo wel aankan, kan je dat waarschijnlijk ook wel. En andersom, als iemand tegen jou zegt dat leren niks voor jou is, is de kans groot dat je naar het vmbo gaat.”

Economische gevolgen

De groeiende kansenongelijkheid is niet alleen onrechtvaardig voor de kinderen die erdoor benadeeld worden, maar is op de lange termijn ook schadelijk voor de economie. Het is niet voor niets dat economen zich zorgen maakten over het gemiste onderwijs door corona: gemiste onderwijstijd betekent gemiste inkomsten. Volgens schattingen van de OESO zouden leerlingen als gevolg van de pandemie 3 procent lagere inkomens hebben „voor de rest van hun leven”. Ook zouden de sluitingen van de scholen tijdens corona leiden tot een 1,5 procent lager bruto binnenlands product dan normaal „voor de rest van deze eeuw”.

Of deze sombere voorspellingen uitkomen, is nog maar de vraag. Feit is wél dat de scholensluiting niet voor ieder kind even schadelijk was. Verschillende onderzoeken tonen aan dat kinderen uit sociaal en economisch zwakkere gezinnen de meeste achterstand opliepen. Omdat ze thuis niet rustig konden werken, bijvoorbeeld, of omdat hun ouders niet konden helpen bij het schoolwerk.

Corona benadeelde diezelfde groep leerlingen ook nog op een andere manier. Omdat vorig jaar de eindtoets niet doorging, bepaalden alleen de leraar en de school het schooladvies van leerlingen in groep acht. Resultaat: vooral meisjes en leerlingen uit lagere sociaal-economische klassen kregen een lager advies.

En dat, zegt hoogleraar Schils, leidt op de lange termijn tot economische schade. „Als mensen niet kunnen doen wat bij hen past, is sprake van een mismatch. Dat is altijd suboptimaal en levert dus kosten op. Kinderen die naar het vmbo gaan, terwijl ze best vwo hadden aangekund op basis van hun intellectuele capaciteiten, zakken relatief vaak af of vallen uit en hebben uiteindelijk geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Wat weer leidt tot een hoger risico op criminaliteit, een lagere gezondheid en dus een hogere druk op sociale zekerheid.”

Een diploma is letterlijk geld waard, zegt Denessen. „Het doorsnee-inkomen van mensen met een vwo-diploma is bijna twee keer zo hoog als dat van mensen met een vmbo-diploma: ongeveer 45.000 euro versus 23.000 euro per jaar. En kijk naar het verschil in levensverwachting tussen hoog- en laagopgeleiden: dat scheelt zes jaar.”

Schaduwonderwijs

Kansenongelijkheid heeft de neiging zichzelf in stand te houden of zelfs te versterken, zegt Schils. „Het houdt intergenerationele mobiliteit tegen. Een kind met lageropgeleide ouders, loopt een grote kans zelf ook lageropgeleid te blijven en komt dus niet verder. Daarmee hou je de tweedeling in de maatschappij in stand.”

Door het grote belang van een zo hoog mogelijke opleiding wordt de strijd om diploma’s steeds harder gevoerd. De winnaars? Hogeropgeleiden. Dat zijn immers de ouders die de weg weten op school, een hoger advies eisen voor hun kind en het geld hebben om hun kind buiten school om klaar te stomen voor een hogere vervolgopleiding.

In april waarschuwde de Onderwijsinspectie voor de snelle groei van het zogeheten schaduwonderwijs. Het aantal kinderen dat Cito-trainingen volgt of op huiswerkbegeleiding zit, neemt elk jaar toe. De jaarlijkse uitgaven aan aanvullend onderwijs stegen de afgelopen 25 jaar van 26 miljoen naar 284 miljoen euro. Een op de drie middelbare scholieren, een op de vier basisschoolleerlingen en een op de vijf studenten in het hoger onderwijs maken er inmiddels gebruik van. Alida Oppers, inspecteur-generaal van de Onderwijsinspectie, waarschuwde in NRC voor de gevolgen daarvan voor de toch al groeiende ongelijkheid binnen het onderwijs.

Een kind gaat zich gedragen naar de verwachtingen die anderen van hem hebben

Trudie Schils hoogleraar onderwijseconomie

Het is een ontwikkeling die je niet los kunt zien van de groeiende tweedeling in de samenleving, zegt Denessen. „Naarmate ongelijkheid groeit, wordt de druk op ouders en kinderen om goed te presteren groter. Kinderen van hogeropgeleide ouders zijn daar de dupe van: die moeten om met die druk te leren omgaan naar mindfulness en yoga. En aan de andere kant staan de kinderen die het niet redden in dit systeem omdat ze vanuit huis minder mee hebben gekregen.”

Een eenvoudige oplossing is er niet, zegt Denessen. Wat wel kan helpen, is later selecteren, zoals de Onderwijsraad onlangs voorstelde in een advies aan het kabinet. Denessen: „We weten uit onderzoek dat de invloed van de achtergrond van kinderen afneemt met de jaren. Drie jaar later selecteren, dus niet op twaalf- maar pas op vijftienjarige leeftijd, maakt echt een enorm verschil.”

Maar, waarschuwt hij, je kunt de kansenongelijkheid niet alleen op het bordje leggen van scholen en leraren. Hij haalt een uitspraak aan van de Amerikaanse socioloog Basil Bernstein uit 1971: Education cannot compensate for society. Denessen: „Daar ben ik het volledig mee eens. Wat er in ons onderwijssysteem gebeurt, is een spiegel van wat er in de maatschappij gebeurt. Kansenongelijkheid is een maatschappelijk probleem dat je alleen op kunt lossen door de huidige tweedeling aan te pakken. Door beter te zorgen voor de zwakkere groepen in de samenleving. Dat zijn politieke keuzes.”