Opinie

Bevrijd de publieke radio van formats, profielen en managers

Publieke omroep Het verzuilde denken blijft de radio-omroepen gijzelen, aldus . Doorbreek de zuilenstructuur en de beperkte formats, werk toe naar één nationale omroep.
Illustratie Hajo

Dezer dagen gaat een aantal radiomakers met chagrijn in het lijf naar het Mediapark in Hilversum. Het gonst, er gaan geruchten. De radiozenders moeten op de schop, het NPO-spook waart door de kantoren en de studio’s. Hun programma’s liggen onder vuur.

Eind mei lekte het conceptjaarplan Audio 2022 van de NPO, de zendtijd verdelende instantie in Hilversum, uit. Nu gebeurt het vaker dat er documenten, met wat voor status dan ook, uitlekken, Hilversum is net Den Haag, en altijd voltrekt zich daarna dezelfde rituele zendtijdstoelendans. Die duurt nog de hele zomer voort, om dan in september uit te monden in de definitieve nieuwe programmering voor alle ‘audiomerken’.

Want de oude radiozenders zijn onderdeel geworden van ‘platforms’. Onder het kopje ‘ambitie’ lezen we daarover in het conceptjaarplan: „We zitten midden in een meerjarige strategische beweging waarin we onze lineaire kanalen ontwikkelen tot mediaomgevingen en merken met relevante en aansprekende inhoud, lineair én non-lineair. […] Hybride, efficiënte productievormen zijn interessant om te verkennen. Podcasts kunnen bijvoorbeeld als basis dienen voor radio-items binnen de lineaire programmering en andersom.”

Welkom bij de publieke omroep anno 2021. En toch, ondanks deze strategische doelen „die voortvloeien uit het Concessiebeleidsplan 2022-2026 van de NPO”, is de rituele stoelendans om wie wat waar en wanneer mag uitzenden in bijna een eeuw radio nauwelijks veranderd.

Nieuwe zuilen

We zitten in Nederland namelijk nog altijd opgescheept met de erfenis van een publieke omroepbestel dat gebaseerd is op de zuilenstructuur van de jaren twintig van de twintigste eeuw. In die tijd – de radio was net uitgevonden – bestonden er vijf zuilen. De christenen hadden de NCRV, de katholieken de KRO, de protestantse vrijzinnigen de VPRO, de ‘gewone’ vrijzinnigen de AVRO en de socialisten de VARA.

Lees ook: Op1 toont ongenadig de problemen van de publieke omroep

De VPRO wilde eigenlijk helemaal niet meedoen aan de zuilenstructuur, ze wilde een nationale omroep. Na de Tweede Wereldoorlog zag het er even naar uit dat die er dan eindelijk zou komen. De radioprogramma’s werden vanaf 1946 verzorgd door de stichting Radio Nederland in den Overgangstijd en dat beviel zo goed dat premier Schermerhorn en minister Van der Leeuw van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen het plan opperden om de zuilenstructuur af te schaffen. De oude omroepen verzetten zich met hand en tand en zo viel men in 1947 weer terug op het Radioreglement van 1930.

Toch zitten we anno 2021 dus nog steeds met diezelfde zuilen, al hebben ze niet meer de functie van toen. Er is wat verbouwd. Protestanten en katholieken, vrijzinnigen en amusementsliefhebbers en jongeren en socialisten hebben de muurtjes tussen hun zuilen afgebroken. Maar tegenover elke fusie staat weer een nieuw opgerichte zuil.

We hebben er inmiddels een voor ‘vrolijk’ rechtse mensen, een voor senioren en een voor Geenstijlers. En op het bureau van demissionair minister Arie Slob (Media, ChristenUnie) staan er nog twee te wachten, een voor ‘ongehoorden’ en ook één waar juist iedereen wordt gehoord en gezien. Het is drukker dan ooit, en nog steeds, na bijna een eeuw vergaderen, zijn de vrijzinnigen, die allang niet meer vrijzinnig zijn, boos omdat ze te weinig zendtijd krijgen.

Nette radiostations

De zendtijd wordt verdeeld door de NPO, de koepel boven de zuilen. En die NPO wil graag wat ordening op de zenders. Vroeger, toen alle zuilen nog vol met achterban zaten, was het een zootje op de radio. Regelmatig kwam het voor dat je van een documentaire over de Endlösung naadloos overging in de lichte grammofoonmuziek, James Last op klompen. Of je hoorde een hel en verdoemenis prekende dominee, die gevolgd werd door een VPRO-uitzending met poëzie als: „Hee joh, ik ken een vrouw, die heeft haar op haar kut als kabeltouw.”

Lees ook: NPO, geef vorm aan online publieke ruimte

En dat kunnen we natuurlijk niet hebben. De NPO-audiomerken zijn nette stations die het publiek op toegankelijke wijze informeren, voorzien van lekkere muziek en prima zijn afgestemd op het ritme van de dag. Om dat doel te bereiken verdeelt de NPO niet alleen de zendtijd, maar bemoeit ze zich ook steeds actiever met de inhoud van de programma’s en met de kleur van de zender.

Dat werkt zo. De omroepen leveren al hun verdiende geld in bij de NPO. Vervolgens dienen ze programmavoorstellen in en als de NPO daar brood in ziet, krijgen ze de beschikking over hun eigen geld om die programma’s te maken.

Nou zijn die NPO-beslissingen soms maar moeilijk te volgen. In het concept-jaarplan staat bijvoorbeeld dat het streven is dat NPO Radio 2 ’s morgens meer vrouwelijke luisteraars moet trekken. Is dat een streven ten dienste van de luisteraars of ten dienste van de adverteerders, zo kun je je afvragen.

Over de avondprogrammering op diezelfde zender klinkt het dat we het „gezamenlijke muziekbeleid op deze avond nadrukkelijker willen toespitsen voor publiek met een cultureel diverse achtergrond, waarbij we extra nadruk willen leggen op nieuwere Nederlandse soulmuziek”.

Overvol kantoor

Al dat soort zinnetjes komt voort uit het in Hilversum heersende profieldenken. De vijf radiozenders zijn ‘fullservicestations’, gefinetuned op de doelgroepen. Daarbij wordt gestreefd naar vernieuwing, verbreding en verjonging, vanachter het bureau. Intussen worden de programmamakers heen- en weer geslingerd tussen hun eigen chefs en de NPO-chefs.

Dat maakt dat ze gevangen zitten in hun eigen formats. Ze klinken vaak routineus, ze draaien hun uren. Daarom wordt het hoog tijd voor de publieke omroep om keuzes te maken. Blijf je elkaar nog een eeuw gijzelen in een systeem waarin te veel mensen aan te veel touwtjes trekken of laat je de inhoud van de uitzendingen leidend zijn?

Lees ook: Het huidige omroepbestel vertegenwoordigt niemand meer

In de ons omringende landen, waar het strategische merkdenken intussen ook de publieke omroepen is binnengedrongen, zoeken programmamakers veel vanzelfsprekender de grenzen van hun formats op. Dat geeft ze vrijheid, ze klinken daardoor krachtiger, vanzelfsprekender en minder geprogrammeerd.

Misschien is dat idee van de VPRO uit 1930, dat Schermerhorn en Van der Leeuw in 1946 wilden adopteren, dat idee van een nationale omroep kortom, zo gek nog niet. Een nationale omroep waarin de programmamakers geen poppetjes meer zijn, die door deurtjes uit verschillende zuilen op de audioplatforms worden gezet. De overvolle publieke omroep is een kantoor geworden waarin uitruilen, dansen naar het pijpen van zendermanagers en spreadsheets de dienst uitmaken. Zoals het nu gaat kan het echt niet veel langer.