Zedelijk gevaar voor jongens en meisjes

Vakantie is een gevaarlijk woord, beseft

Hoeveel invloed zal corona hebben op onze vakantie? Die vraag houdt veel mensen bezig. Ter relativering: de Vlaamse jezuïet Martinus Ballings (1865-1958) worstelde met een veel ernstiger vraag, namelijk: hoe gevaarlijk is twee maanden zomervakantie voor de ziel van studenten?

Zijn antwoord staat in een brochure van twaalf pagina’s, getiteld Vacantie (1925). Kennelijk voorzag dit geschrift in een behoefte, want er zijn 12.000 exemplaren van gedrukt.

Ballings begint met een herkomstverklaring van het woord vakantie. Dat komt van het Latijnse woord vacare („vrij zijn”). Volgens Ballings interpreteerden studenten dit als: „Wég met al wat drukt, bindt, spant, benauwt.”

Gevolg: ze stonden zo laat op dat ze het ochtendgebed misten en gingen vervolgens roken, drinken, kegelen, biljarten, vissen of jagen.

De gevolgen waren volgens hem niet te overzien: gebrek aan discipline raakte het hart en kon de ziel „bestoffen, bevlekken en beslijken”. Ballings doet daarom dringende aanbevelingen als: Sta op een vast tijdstip op. Doe stipt het ochtendgebed. Studeer dagelijks minstens één uur.

Ook op het gebied van roken, drinken, lezen, sport en vertier geeft hij gedragsregels. Hier de belangrijkste:

„1. Gun u op reis een verfrissching, ik ben er niet volstrekt tegen; maar houd uw fatsoen; blijf deftig; ga nooit, in het drinken, de maat te buiten.

2. Rook sigaar of pijp: althans in de hooger klassen mag ik het lijden. Maar rook niet aanhoudend; rook u de tanden niet zwart, het hoofd dul, den geest suf.

3. Biljart u niet doodmoe. Fiets u niet uit den asem. Sta geen dagen lang te hengelen, als de visch toch niet bijt. Lees uw oogen en verstand niet bijster. Kaart niet door, dagen lang, tot diep in den nacht.”

Ballings ernstigste advies luidt: „Vlucht als de pest den omgang met gevaarlijke makkers.” Want dergelijke maten – een nadere toelichting ontbreekt – kunnen de ziel doden.

Kennelijk had Ballings vooral mannelijke studenten voor ogen. Dat is ook wel logisch, want universiteiten waren toen bepaald niet „inclusief”.

Dat ook meisjes tijdens vakanties zedelijk gevaar konden lopen, blijkt uit de brochure Gemengde zwem- en zonnebaden en een gezonde opvoeding(1935), uitgegeven door het ‘Comité van Actie tegen Zedelijke Volksverwildering in Noord-Brabant in samenwerking met de Vereniging Katholiek Hilversum’. Gemengd zwemmen of zonnen kon volgens deze brochure leiden tot „zedelijke ontreddering”, en zelfs tot „volksverwildering”. Zoals toen reeds te aanschouwen in Noord-Brabant en Hilversum.