Opinie

Gordel-gate: de afstand tussen pers en politiek is eerder te groot dan te klein

De ombudsman

Je kunt je als woordvoerder of campagneteam natuurlijk druk maken om een autogordel of een leeg champagneglas. Op Joe McGinniss zou dat vermoedelijk weinig indruk hebben gemaakt. De Amerikaanse journalist beschreef bij de verkiezingen van 1968 pijnlijk nauwgezet hoe het team van Richard Nixon hun kandidaat als een glanzend product („de nieuwe Nixon”) in de markt zette.

Dat ging er ruig aan toe. „Yep”, zei Nixon, „dat kleunt recht in het gezicht, wat ik net zei over die onderwijsstaking. Het kan me niks schelen of ze blank zijn [...] als ze mensen op hun smoel gaan slaan, godverdomme. [...] Oké, laten we nu die 5-minuten spot doen.”

Kijk, dat is andere koek.

Het boek dat McGinniss erover schreef, The Selling of the President, werd een journalistieke klassieker. Het legde bloot hoe technieken uit reclame en pr-management hun ingang hadden gevonden in de politiek. Of hij de journalistiek er een dienst mee heeft bewezen, kun je betwijfelen. Wie zijn verslag uit de worstfabriek las, deed als bedrijfsleider voortaan liever de keuken op slot, vergrendeld met wurgcontracten. Probeer nu maar eens om een batterij voorlichters of een campagneteam heen te komen.

De ophef over bemoeienis van ambtenaren en campagnemedewerkers met een VPRO-documentaire over D66-leider Sigrid Kaag is er het zoveelste bewijs van. Die commotie heeft ook iets potsierlijks. Aan de stamtafels klinkt ach en wee alsof de Titanic net is vergaan; anderen manen tot meer bescheidenheid, want iedere journalist kent toch dit soort duw- en trekwerk? Politici onderhandelen over verkiezingsdebatten en krijgen interviews vrijwel standaard ter inzage (met de vrome clausule dat alleen feitelijkheden mogen worden aangepast).

Natuurlijk mag een politicus ook iets zeggen over een documentaire waar die een jaar lang aan heeft meegewerkt. Maar wat en hoeveel, hangt af van tevoren gemaakte afspraken; die kunnen dus maar beter zo duidelijk mogelijk zijn, je wilt van je onderwerp geen coproducent maken.

Plastische chirurgie achteraf is in elk geval nooit slim – zoiets komt uit en dan is de fatale machinerie in werking gezet: eerst ontkennen, dan toegeven, dan de aankondiging van onderzoek, dan debat over de uitkomsten ervan, en de vraag naar ‘pólitieke gevolgen’ (van schrik ook verschoven: de klemtoon op ‘politiek’). Het is me een drukte. Klimaat en corona zijn ook wel groot genoeg om intussen voor zichzelf te zorgen.

Dus zouden ze bij D66 nu een beetje tevreden zijn, met de beeldvorming? Op Twitter regent het variaties op het genre ‘alle politici zijn leugenaars’ (behalve in Twente). Compleet met vinnige rode kruisjes achter hun namen. Ook het werkwoord ‘saneren’ (media, politiek, hele land) loopt alweer zijn ronde. En uiteraard het ooit lollige suffix ‘-gate’, dat arme afgepeigerde achterkleinkind van Watergate. Je zou bijna vergeten dat die poort nog opende naar een politieke inbraak en impeachment, niet naar de lachwekkende pressie om een autogordel alsnog vast te klikken.

Hoe uitzonderlijk is dit? Het is waar, zegt chef Den Haag Guus Valk, dat fixatie op beeldvorming in Den Haag „een algemeen cultuurprobleem” is. Met chef Media Karel Smouter lichtte hij een tipje op van de communicatie- en voorlichtingssluier die over de politiek ligt. Alweer jaren terug pleitte Tom-Jan Meeus voor minder politieke interviews, die vaak niet meer zijn dan geregisseerde acts met een ingestudeerde boodschap. Daar heb je niks aan, als journalist niet en als lezer niet.

Dan liever goed uitgezochte reportages en portretten – al zie je sindsdien ook een herleving van het scherpe politieke interview, waarin politici de maat wordt genomen. Petra de Koning, die voor NRC tal van politici langdurig volgde (én de man die boven alle partijen verheven is, koning Willem-Alexander), laat me weten dat zij met geen van hen van tevoren afspraken maakte en achteraf ook meestal geen problemen had. Voor een reportage over de ChristenUnie beloofde ze geen uitspraken van ándere politici te citeren die door CU’ers in die besprekingen werden aangehaald. Dat is redelijk; het zou ook vrijwel onmogelijk zijn zulke citaten-uit-de-tweede-hand in vertrouwelijke besprekingen te verifiëren.

De drang tot beheersing is overigens allerminst voorbehouden aan politici. Opgevoed door sociale media zijn we allemaal onze eigen reputatiemanager, regisseur en impresario geworden. Eén foute tweet en alles kan voorbij zijn! Ik schreef al eens over assertieve burgers die een recht op toestemming opeisen voordat ‘hun’ woorden in de krant komen.

In die media-centrifuge ligt het voor de hand dat politici welwillende kanalen zoeken om een kandidaat te presenteren als ‘echt’ mens – spontaniteit! – maar dan wel een waar ze tegelijk controle over kunnen hebben. En zoals bekend: gecontroleerde spontaniteit is vragen om kramp.

Daar komt bij dat de ene partij de andere niet is. D66, bezig een nieuwe leider te promoten, is zelf deels het product van media en marketing, al vanaf dat eerste fameuze tv-spotje met de grachtenwandelaar Van Mierlo. Campagne voeren doe je dan met hands on nieuwsbewaking en van bovenaf; zie het eerdere relletje over fotografie in opdracht en op tafel.

Bovendien, al sinds haar aantreden is Kaag het mikpunt van rechtse media, die geen kans onbenut laten om de linke „heks” (dixit Wilders) aan te klagen. Ook dat is relevant in dit dossier.

Het idee dat de hele journalistiek knusjes is verwikkeld met de politiek is overdreven of mist het punt – door die dikke laag pr en communicatie is de afstand tussen pers en echte, inhoudelijke politiek eerder te groot geworden dan te klein. Het verklaart voor een deel de opmars van politieke scorebord-journalistiek: een wedstrijdje bekijk je op afstand.

Niettemin, Joe McGinniss zou het verzoek om die autogordel aan te snoeren gewoon in zijn boek hebben gezet.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.