Mounia Benabdallah: „In Nederland heb je een sociaal vangnet, maar ook een groot achternamenprobleem.”

Foto Baker McKenzie

Interview

Topadvocaat Mounia Benabdallah: ‘Mislukken kon ik me niet permitteren’

Sociale mobiliteit Van Osdorp tot New York – dat is het succesverhaal van Mounia Benabdallah, partner bij advocatenkantoor Baker McKenzie. Ze ziet veel succesvolle migranten, al worden die nog te vaak als uitzondering gezien. „Ik probeer bruggen te bouwen.”

In haar beleving is Mounia Benabdallah (36) geen Marokkaanse Nederlander die veel hordes heeft moeten nemen. „In mijn leven had ik geen grote struggles.” Ze spreekt over een „gelukkige jeugd” in Osdorp, in een hechte Marokkaans-Nederlandse familie, als oudste kind met twee broertjes.

Toch gebeurde er in haar vroege jeugd iets wat grote impact had: op haar zesde overleed haar vader door een auto-ongeluk. Haar moeder stond er opeens alleen voor. „Ze was 25 jaar, met twee kleine kinderen en een derde op komst en ze sprak geen goed Nederlands.”

Haar vader, vertelt Benabdallah in een Zoom-gesprek, was „geen typische gastarbeider die in de fabriek kwam werken, maar een ondernemer. Hij kwam uit Agadir, maar was ook een echte Amsterdammer. Hij runde een restaurant en allerlei bedrijven.”

Haar moeder was en is nog steeds de grote steunpilaar en inspirator van Benabdallah. „Ze heeft altijd heel hard voor ons gewerkt. Ze begon als begeleider in het gehandicaptenvervoer. Daarna volgde ze een opleiding sociaal-pedagogisch werk. Ze werkt nu bij de Amsterdamse zorginstelling Cordaan, waar ze bemiddelt tussen migrantengezinnen met een gehandicapt kind en de organisatie. Deze mensen maken soms geen gebruik van het zorgaanbod, bijvoorbeeld omdat ze wantrouwig zijn: mijn moeder probeert een brug te slaan tussen die twee werelden.”

Jouw achtergrond

Van jongs af aan is Mounia mondig en hulpvaardig. Ze helpt oudere migranten om brieven te schrijven naar instanties. „Ze zeiden: je moet advocaat worden. Ik was eager – een beetje een nerd ook. Ik was altijd op zoek naar iets waarmee je je kon onderscheiden.”

Ze haalt haar vwo-diploma op het Katholiek College Amsterdam West. Op de Vrije Universiteit behaalt ze cum laude haar bachelor rechten en daarna volgt ze de master fiscaal recht. Op een studentenpresentatie bij advocatenkantoor Baker McKenzie valt ze op. Als ze 22 jaar oud is, treedt ze er in dienst.

De Zuidas waar Mounia Benabdallah als jonge jurist binnenstapt, met zijn prestigieuze kantoren, is voor haar een nieuwe wereld. „Sommige vrienden zeiden: daar kom je met jouw achtergrond echt niet binnen. Ik dacht: oh, is dat zo? Dat was voor mij echt een trigger.”

De eerste jaren werkt ze onder Wouter Paardekooper, partner bij Baker McKenzie. Hij is haar mentor. „Wouter betekende veel voor mij. Hij was streng, maar gaf me ook de indruk dat het niet uitmaakt of je ‘anders’ bent. Als je maar iets wilt bereiken. Het was prettig dat iemand mij steunde, en tegelijk de lat hoog legde.”

Een andere drijfveer voor Mounia Benabdallah is de internationale oriëntatie van Baker McKenzie, van oorsprong een Amerikaanse firma. Ze voelt zich er snel thuis, ook omdat Baker zich inzet voor een inclusieve werkomgeving. Ze krijgt de kans te werken in New York en Chicago. Na weer een periode in Nederland woont ze nu op Manhattan met haar echtgenoot, werkzaam bij organisatieadviesbureau McKinsey, en hun twee kinderen.

Lees ook Hoe de bovenklasse de ladder ophaalt: sociale mobiliteit loopt tegen haar grenzen aan

In 2016 wordt Benabdallah partner bij Baker McKenzie: met haar 31 jaar is ze dan de jongste vrouw in deze functie. In die rol probeert ze ‘bruggen te bouwen’, net als haar moeder. „Ik geef soms speeches voor studenten met een migrantenachtergrond. Ik zeg tegen ze: zie je multiculturele afkomst niet als nadeel, maar als kracht. Kom je ook uit West? Be proud! Dwing je plek af op een positieve manier.”

Karlijn wel, Zakaria niet

Tegelijk ziet Benabdallah dat minderheden het nog steeds moeilijk hebben. „In Amerika is iedereen die hard wil werken welkom, maar het is ook een klassenmaatschappij, met ingebakken racisme. In Nederland is dat beter, omdat er een sociaal vangnet is. Maar je hebt er een groot achternamenprobleem.”

Ze merkt dat als Marokkaans-Nederlandse studenten via sociale media Nederlandse expatclubs benaderen. „Als er een verzoek komt van iemand die schrijft: ‘Hallo, ik ben Karlijn’, wordt er direct gereageerd. Maar als er staat: ‘Hallo, ik ben Zakaria’, is de reactie vaak minimaal.”

Ik zeg altijd: kom je uit West? Be proud!

Ze zou daar graag verandering in zien. Migranten lopen nog altijd tegen muren op, of worden over één kam geschoren. Die beeldvorming stoort haar, ook als ze naar Nederlandse talkshows kijkt. „Ze hebben het nog steeds over allochtonen. Een vreselijk woord, omdat het een kloof schept. Nederlanders met een migrantenachtergrond zijn dit zat.”

Benabdallah ziet enerzijds Marokkaanse Nederlanders die het in de wijde buitenwereld maken, zoals burgemeesters, advocaten, artiesten en voetballers. Maar door de discriminatie kiezen sommigen ervoor om succes te zoeken in een eigen, parallelle economie.

„Mijn broers zijn beiden ondernemer. Een heeft een goedlopend meubeltransportbedrijf. Daar heeft hij overwegend Nederlanders met een migrantenachtergrond in dienst. Enerzijds begrijp ik dat, hij creëert banen voor deze groep. Maar op macroniveau is dit geen goede ontwikkeling. We moeten in Nederland niet langs elkaar heen leven. Hiervoor is verandering van twee kanten nodig.”

Wat Mounia Benabdallah vooral leerde, is dat de mensen in je directe omgeving bepalend zijn voor je loopbaan. Daarom reageert ze altijd als ze een mail krijgt van een student uit Amsterdam-West.

„Je wilt de groep die na jou komt stimuleren: niet afwachten, of klagen dat het niet lukt, maar verantwoordelijkheid nemen. Mijn drive komt vanuit mijn gezin, en de omstandigheden waarin ik opgroeide. Ik wilde iets terugdoen voor mijn moeder, die er alleen voor stond. Ik was geen rebellerende dochter, ik wilde iets bereiken. Mislukken kon ik me niet permitteren.”