Ongewassen Japie gaat na 35 jaar naar het lab: wat leeft er op hem?

Biologie Wat leeft er op een knuffelaap? liet haar 35 jaar niet gewassen Japie onderzoeken in laboratoria. „Wie weet wat voor ziekteverwekkers erop zitten…”

Japie op 35-jarige leeftijd in zijn natuurlijke habitat: het bed.
Japie op 35-jarige leeftijd in zijn natuurlijke habitat: het bed. Foto Olivier Middendorp

Ik slaap al 35 jaar met een knuffelaap die nog nooit in de was is geweest. Zijn naam is Japie, zijn ogen zien eruit als gebutste knikkers en zijn ooit zachte lichtbruine snoet is nu donkerbruin, en stug als leer. Vuil, snot en zoute tranen.

Er was een tijd dat ik Japie onder de dekens verstopte als er bezoek kwam. Van zo’n oude knuffel kun je als buitenstaander immers van alles vinden: raar, kinderachtig, vies.

Inmiddels heeft mijn omgeving hem in zijn armen gesloten. Figuurlijk. Want al vinden mijn vrienden het prima dat ík met een ongewassen knuffel slaap, zelf durven ze hem niet aan te raken.

Was Japie de knuffel van een ander geweest, dan was ik ook op veilige afstand gebleven. Een stuk stof dat 35 jaar in mijn bed heeft gelegen, tegen mijn gezicht, tegen mijn blote bovenlijf. Buikgriep, vrijpartijen, hoge koorts: Japie heeft het allemaal van dichterbij meegemaakt dan hem lief was. Niet te lang bij nadenken, want als ik dat wel doe, dan roert zich onherroepelijk de wetenschapsjournalist in mij. Met vragen die me ’s nachts uit de slaap houden: wat leeft er allemaal op Japie? Hoe vies is het eigenlijk, slapen met een ongewassen knuffel?

Dát er wat op Japie leeft, is heel aannemelijk. In onze leefomgeving krioelt het van het onzichtbare leven: bacteriën, parasieten, schimmels, virussen – al valt die laatste groep eigenlijk buiten de micro-organismen, omdat het levenloze eiwitpakketjes met genetisch materiaal betreft. De bacteriën, eencelligen zonder celkern, zijn het talrijkst, en komen bijna overal voor. Onder meer op en in ons lijf – waar ze samen met andere micro-organismen ons microbioom vormen – en in onze leefomgeving.

Japie en Gemma in de zomer van 1987, wandelend in het Alvdal Vestfjell in Noorwegen.

Foto privécollectie

In het boek Nooit alleen thuis beschrijft microbioloog Robert Dunn dat er in een enkel huishouden al meer dan 8.000 verschillende bacteriesoorten kunnen voorkomen. Sommige van die soorten zijn specifiek voorbehouden aan bijvoorbeeld kachels, wc’s of zelfs vaatwassers. „De zeephouders in afwasmachines blijken een uniek ecosysteem te vormen vol micro-organismen die in staat zijn hitte, droogte en vochtigheid te overleven.” Een ander deel is afkomstig van onze eigen huid: „Ieder van ons valt uit elkaar met een snelheid van ongeveer 50 miljoen schilfers per dag. Op elke schilfer die door de lucht zweeft zitten duizenden bacteriën die zich met de schilfer voeden.”

Een knuffelaap is natuurlijk een andere leefomgeving dan een huidschilfer. Maar allicht zal er af en toe een avontuurlijke bacterie overspringen van mijn lijf op dat van Japie.

Onderzoek naar bacteriën op knuffels is schaars. Maar in 2014 verscheen een artikel in de American Journal of Infection Control over knuffeldieren in een kinderziekenhuis: kunnen die gevaarlijke bacteriën bij zich dragen?

Om dat te achterhalen, bemonsterden de auteurs zeventig knuffelbeesten van kinderen die voor langere tijd in het ziekenhuis moesten worden opgenomen, om te zien welke bacteriën de knuffels bij zich droegen. Vervolgens werden de speelgoedbeesten grondig schoongemaakt met chloorhexidine, en nadien werden ze nóg een paar keer bemonsterd. Na de grondige reiniging was de bacteriegroei gering. Vóór de reiniging bleek elke knuffel op z’n minst één potentieel schadelijke bacteriesoort bij zich te dragen. Met de nadruk op potentieel – want veelal ging het om bacteriën die óók talrijk zijn op onze huid (stafylokokken) en in ons speeksel (streptokokken) en die niet altijd ziekmakend hoeven te zijn. Wel werd bij twee knuffels de soort Stenotrophomonas maltophilia aangetroffen, die voor blaasontsteking en longontsteking kan zorgen.

Gelei van roodalgen

Om te onderzoeken welke soorten er op Japies zachte vacht gedijen, zit er maar één ding op: hem meenemen naar het laboratorium. En dus stap ik in de tram naar Remco Kort, hoogleraar microbiologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en auteur van het boek De microbemens. Hij is mede-oprichter van het microbenmuseum Micropia. „Als je wilt kunnen we je knuffel daar in het lab wel bemonsteren”, had hij aan de telefoon gezegd. Nu zit Japie in mijn tas, gewikkeld in een T-shirt – een beschermlaag, tegen het slijten. Onderweg laat ik hem stiekem, heel even, uit het raam kijken. Samen eropuit, net als vroeger.

Eenmaal oog in oog met Kort probeer ik me professioneel te gedragen. „Ja, het is natuurlijk maar een viezig bruin vod…” – (sorry Japie, sorry!) – „… jullie mogen best een plukje uit zijn vacht knippen als dat nodig is” – (nee, doe het niet!) – „…hij kan wel een paar dagen in het lab blijven” (al zal ik dan ’s nachts uren wakker liggen). Maar Kort stelt me gerust: we hoeven Japie alleen maar een paar tellen met zijn snoet in een petrischaaltje met agar te duwen, daarna mag ik hem weer mee naar huis nemen. Die gelei, gemaakt van de celwanden van roodalgen, fungeert als voedingsbodem voor bacteriën. Door ook een agar-afdruk van mijn eigen neus te maken, kunnen we zien of het resultaat in beide schaaltjes min of meer hetzelfde oogt. Na het maken van de afdrukken gaan de agarbodems voor 48 uur in een stoof. Bij 37 graden Celsius – lichaamstemperatuur – krijgen de bacteriën zo voldoende kans om te groeien.

Reclames voor antibacteriële doekjes ten spijt is het niet wenselijk om volledig steriel te leven

Die snelheid is een voordeel van deze manier van bacteriekweek: zo kun je eenvoudig een eerste indruk krijgen van de microbiële diversiteit. De methode wordt al zo’n anderhalve eeuw gebruikt door microbiologen. Ook in de Amerikaanse publicatie over knuffels in het kinderziekenhuis werd gebruik gemaakt van agarbodems. Al naar gelang de bacteriën die je wilt onderzoeken, kun je diverse agarvarianten gebruiken. Een veelvoorkomende agarbodem, die we ook gebruiken voor Japie, is gebaseerd op sojameel, maar een chocolade-agarbodem (niet op basis van chocolade maar van bloed) kan bijvoorbeeld heel specifieke micro-organismen detecteren die anders over het hoofd worden gezien. Dat is ook een nadeel van de agarmethode: hij is ‘kweekafhankelijk’, je ziet alleen de soorten die goed op de voedingsbodem gedijen.

Ik stop Japie terug in mijn tas. „Als ik hierna überhaupt nog met hem durf te slapen”, zeg ik zo laconiek mogelijk. „Wie weet wat voor ziekteverwekkers erop zitten…” Kort denkt dat het meevalt, en zegt dat het grootste deel van de microben onschadelijk is, of juist bescherming biedt tegen ziekteverwekkers. „En bovendien is Japie een droge omgeving. Daar gedijen bacteriën niet goed op. Als je met een vaatdoekje in bed zou slapen zou ik het zorgelijker vinden.”

Een knuffel in de droger stoppen in plaats van in de wasmachine zou om die reden ook effectief kunnen zijn tegen bacteriegroei. „Of je kunt hem af en toe in de zon leggen. Uv-licht doodt bacteriën, en bovendien droogt hij dan ook door de warmte uit.” Maar de vraag is of je dat moet willen, voegt hij toe. „Want lang niet alle bacteriën zijn boosdoeners.”

Antibacteriële doekjes

Het lastige met hygiëne is: er is geen gouden regel. Handen wassen is goed, net als het nemen van andere maatregelen om ziekteverwekkers op afstand te houden.

Maar reclames voor antibacteriële doekjes ten spijt is het niet wenselijk om volledig steriel te leven. Dood je met alcohol de mogelijke boosdoeners, dan breng je tegelijkertijd de goeie helpers om zeep. Gewoon handenwassen is daarentegen wel goed, schrijft Dunn, want dat „heeft geen invloed op de dikke laag micro-organismen op onze huid: het verwijdert alleen de soorten die er als laatste bij zijn gekomen”.

Terug in de tram vanaf Micropia zie ik hoe een moeder een speen van de grond raapt, en hem na vluchtig afvegen in de mond van haar baby stopt. Ik denk aan bevriende jonge ouders die de ‘drieseconderegel’ hanteren, om te bepalen hoe lang een speentje (of een knuffel, of een stukje brood) op de grond mag hebben gelegen en tóch nog in de mond mag worden gestopt. Een ander stel heeft één knuffel in tweevoud voor hun kind gekocht, zodat de knuffels bij toerbeurt in de was kunnen. En weer een andere vriendin vertelde laatst over de Nijntje-knuffel die alle kinderen van de crèche om beurten te logeren krijgen. „Zonder dat hij tussendoor in de was gaat.” Kortom: iedereen hanteert als het op hygiëne aankomt zijn eigen regels.

Uit Amerikaans onderzoek onder mensen met honden is gebleken dat die een vehikel voor microben kunnen zijn, zegt Kort. In een artikel in eLife, uit 2013, staat dat het microbioom van de verschillende gezinsleden meer op dat van elkaar lijkt dan in gezinnen zonder huisdier. „Ook is er overlap tussen hun microbioom en dat van de hond.” Maar een huisdier is natuurlijk niet te vergelijken met een levenloze knuffel die vooral door één persoon wordt geknuffeld.

Een petrischaaltje met agarkweek van Japies snoet.

Foto Olivier Middendorp

De agarkweek van Japies neus ziet er veelbelovend uit: een mengeling van witte, grijze en gele bacteriën. Er groeien dus daadwerkelijk verschillende bacteriekoloniën op Japie. Sterker nog: op het eerste gezicht lijken ze behoorlijk op de bacteriespikkels in de kweekbodem van mijn eigen neus. Dezelfde kleuren, dezelfde vormen. „Die geelgouden stippen zouden kunnen duiden op Staphylococcus aureus”, zegt Kort. Wéér die stafylokokken – net als bij de knuffels uit het Amerikaanse kinderziekenhuis. Het zijn bacteriën die hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging kúnnen veroorzaken. Maar of ze dat doen, hangt af van de specifieke stammen, en waar ze zitten. „Op onze huid zijn ze vrij algemeen aanwezig, maar op een verkeerde plek– bijvoorbeeld in onze bloedbaan – kunnen ze levensbedreigend worden.”

Wattenstaafjes

Japie krioelt dus van het leven. Maar aan de agarplaat kleeft een nadeel, heeft Kort me al eerder gewaarschuwd: de voedingsbodem toont alleen de bacteriesoorten die goed gedijen op de gelei. Een compleet bacteriepalet komt er dus niet mee tevoorschijn.

Aanvankelijk leek zo’n eerste verkenning me voldoende, maar inmiddels ben ik nieuwsgierig naar meer.

Op aanraden van Kort neem ik contact op met BaseClear, een laboratorium in Leiden – zij verzorgen niet alleen microbioomonderzoek voor instituten maar ook voor geïnteresseerde particulieren, onder de noemer My MicroZoo. Via een videoverbinding maak ik kennis met directeur Derek Butler en met hoofdonderzoeker Radhika Bongoni. Aanvankelijk is er wat verwarring: is het een echte aap of een knuffelaap die ik wil laten onderzoeken? Ik haal Japie voor de camera, en weer verloochen ik hem in naam van de wetenschap: „He looks quite ugly of course…

Butler en Bongoni vragen me wat ik precies wil laten onderzoeken. My MicroZoo blijkt zich specifiek te richten op de microben in ontlasting – die zijn veel talrijker dan huidmicroben. Op basis van hun darmmicrobioom krijgen mensen vervolgens adviezen over voeding en leefstijl. Dus wil ik dan een vergelijk trekken tussen Japie en mijn poep? Ik antwoord met schaamrood op mijn kaken dat ik écht altijd mijn handen goed was na wc-bezoek.

De ochtend van de uitslag, opnieuw via videoverbinding, ben ik zenuwachtig

Uiteindelijk spreken we af dat ze me zes testkits toesturen, om zes monsters te nemen: van Japies snoet, van mijn wang, mijn oksel, mijn speeksel, mijn kussensloop en voor de volledigheid toch ook van mijn ontlasting, „gewoon omdat het interessant kan zijn hoe ánders de microben daarin zijn ten opzichte van de overige monsters”.

Elk wattenstaafje doop ik eerst in een soort zoutoplossing, en daarna strijk ik er tien keer mee over het te bemonsteren oppervlak. Bij Japie kleurt het wattenstaafje een beetje bruin zodra ik over zijn neus strijk. Elk staafje gaat in een apart buisje, en de zes buisjes samen gaan in een envelop naar het lab.

De wattenstaafjes worden geanalyseerd aan de hand van de dna-volgorde van het gen 16S-rRNA: elke bacterie heeft dat gen, maar bij elke soort ziet het er net wat anders uit. En zodoende kun je een compleet overzicht krijgen van alle bacteriesoorten in een monster. Er wordt gebruik gemaakt van een PCR-test, die ook hele kleine hoeveelheden kan detecteren.

De 16S-rRNA-methode is de moderne tegenhanger van de klassieke agarkweek. Hij is ‘kweekonafhankelijk’; er is meer gedetailleerde informatie uit te halen, al blijft het beperkt tot bacteriën. En omdat het dna betreft, is het niet te zeggen of de bacteriën dood zijn of leven. „Wil je ook weten welke virussen en parasieten er op je knuffeldier voorkomen, dan kun je gebruik maken van shotgun metagenomics”, zegt Bongoni. Daarmee kun je dna van álle aanwezige microben detecteren. Maar het is een relatief dure methode, en bovendien kunnen de monsters snel vervuild raken of een vertekend beeld opleveren. Mochten wetenschappers eens een grootschalig knuffelmicrobioomonderzoek willen opzetten, dan zou ik Japie best kunnen opgeven als vrijwilliger voor een shotgun-analyse. Maar voor nu lijkt de 16S-rRNA-methode me gedetailleerd genoeg: Bongoni en Butler zullen de resultaten met me doorspreken, en vertellen welke bacteriesoorten er relatief het meest veelvoorkomend zijn op Japie.

Gevoelige huid

De ochtend van de uitslag, opnieuw via videoverbinding, ben ik zenuwachtig. Wat als er nu daadwerkelijk een gevaarlijke soort is aangetroffen? Of wat als Japie qua bacteriën een perfecte replica van mijn ontlasting blijkt?

Wat dat laatste stelt Bongoni me direct gerust: van alle zes de monsters zijn het microbioom van mijn poep en van mijn speeksel verreweg het meest afwijkend. Als ik dus kwijl in mijn slaap, komt dat niet of nauwelijks op Japie of mijn kussensloop terecht. Maar uit de Powerpoint-presentatie die Bongoni heeft gemaakt, blijkt dat de overige vier monsters wel sterke overeenkomsten vertonen.

Voorzichtig peilt ze of ik een huid heb die gevoelig is voor acné. Ik beaam dat ik vroeger jeugdpuistjes had, en nog steeds wel af en toe een pukkeltje in mijn gezicht heb. Verreweg het meest veelvoorkomend op mijn gezicht is Cutibacterium acnes – een bacterie die bij iedereen te vinden is, maar die zich vooral thuisvoelt bij mensen met een gevoelige huid. Een andere huidbacterie – Staphylococcus epidermis – heeft bij mensen met een ‘normale’ huid vaak de overhand. Bij mij zit die ook, maar in mindere mate. Beide soorten leven eveneens in mijn oksel, maar daar zijn ook twee Paracoccus-soorten rijkelijk vertegenwoordigd – soorten die zich thuisvoelen in vochtige, stikstofrijke omgevingen, zoals zweet.

Japie in bed.

Foto Olivier Middendorp

Andere bacteriesoorten die hoog scoren op mijn huid zijn Enhydrobacter aerosaccus, en de geslachten Corynebacterium en Acinobacter. „Allemaal vrij normaal”, vinden Bongoni en Butler. Al benadrukken ze ook: n=1. Aan een onderzoek bij één knuffel en één persoon, op één moment in de tijd, zijn geen keiharde wetenschappelijke conclusies te verbinden. Ook een wetenschappelijk artikel uit 2016 uit de Journal of Investigative Dermatology stipt dit aan: „De 16S-rRNA-methode vangt microbenprofielen op een specifiek moment in de tijd.” Daardoor is het moeilijk om bijvoorbeeld vast te stellen of bepaalde huidbacteriën een ziekte hebben veroorzaakt, schrijven de auteurs.

Zowel mijn kussensloop als Japie blijkt qua samenstelling een duidelijke afspiegeling van mijn huid. Wel heeft Japie relatief meer Cutibacterium acnes, wellicht doordat hij in tegenstelling tot mijn kussensloop niet fris gewassen is. Ook draagt hij Paracoccus-bacteriën bij zich – niet verwonderlijk, omdat hij ’s nachts vaak tegen het stukje huid vlak bij mijn oksel ligt.

Eigenlijk, vat Bongoni het samen, is de bacteriegemeenschap op Japie een slap aftreksel van mijn eigen huidbacteriën. „Ze zullen zich beter thuisvoelen bij jou, omdat er op jouw huid meer voedingsstoffen te halen zijn. Maar vrienden die jou knuffelen, kunnen hem dus ook veilig knuffelen.” Butler voegt toe dat ik Japie een maand in een luchtdichte plastic box zou kunnen stoppen om te zien wat er dan nog over blijft qua bacteriën. „Ik vermoed dat hij er vrij steriel uitkomt…”

Een plastic box – dat kan ik Japie niet aandoen. Het is mooi geweest met het experiment. Vannacht slaapt hij gewoon weer bij mij in bed. Samen met alle bacteriën.