Na de oerknal: de teloorgang van tandbederf en stuwstraalmotor

Wetenschapstaal Margriet van der Heijden schreef in mei een artikel over taalgebruik in de wetenschap. De mailbox stroomde vol met reacties.

De pagina uit de krant met het artikel waar zoveel reacties op kwamen.
De pagina uit de krant met het artikel waar zoveel reacties op kwamen.

Eigenlijk had ik dit stuk mijmerend willen beginnen. Dat kwam doordat op Twitter vooral sterrenkundigen reageerden op Oerknal: dat is pas klare taal (14 mei 2021), over helder taalgebruik in de wetenschap. Hoe komt het dat juist zij daar zoveel waarde aan hechten, wilde ik vragen. Willen ze hun onalledaagse en ver verwijderde studieobjecten gewoner en nabijer laten lijken door beeldende termen als ‘blauwe buitenbeentjes’, ‘bijmaantjes’ en ‘röntgenflitsers’ te gebruiken? En waarom zwegen mensen uit andere disciplines?

Alleen: dat deden die laatsten helemaal niet. Toen de wetenschapsredactie de reacties in één klap doorsluisde, werd mijn mailbox overspoeld met mails waarin een ‘wijsgeer’ wijzer werd gevonden dan een filosoof (afgaande op het woord); waarin verdwenen woorden als ‘schrikhagedis’ (voor dinosaurussen) en ‘wentelwiek’ (voor helikopter) werden opgerakeld, of die de lof zongen van ‘verstekwaarde’ en van „‘bol’ als geometrische vorm, als representatie van de werkelijkheid om berekeningen te kunnen doen, en als hemellichaam”.

Er bleken beeldende woorden te schuilen in graslanden en bloemenweides. Neem ‘kelk’ voor de schutblaadjes die samen ‘de bloem schenken’, schreef Eddy Weeda uit Zwolle, auteur van onder meer de Nederlandse Oecologische Flora. Of ‘stamper’, voor het deel van de bloem waarin het ‘vruchtbeginsel’ door een ‘stijl’ is verbonden met een ‘stempel’ die het stuifmeel ontvangt.

Turbinestraalmotor

Net als zoveel briefschrijvers betreurt Weeda het dat sommige van die woorden door een Engels equivalent worden verdrongen. Dat stuifmeel wordt bijvoorbeeld steeds vaker ‘pollen’ genoemd. Terwijl juist ‘stuifmeel’ zo mooi vangt dat de melige plantensporen van grassen, biezen, katjes en bingelkruid verstuiven in de wind.

Zo vergaat het woorden vaker. Deeltjesfysicus Erik Heijne zag de afgelopen decennia de ‘trefplaat’ teloor gaan, waarop hij en collega’s uit de deeltjesfysica tijdens experimenten hun deeltjesbundels richtten. ‘Target’ heet die nu overal. Net zo werden in de luchtvaart de ‘turbinestraalmotor’ en de ‘stuwstraalmotor’ terzijde geschoven voor ‘turbo jet engine’ en ‘ramjet’, schrijft ingenieur Johannes van Doorn. En: hoeveel mensen weten nog dat de ‘flaps’ van een vliegtuig in het Nederlands ‘welvingskleppen’ heten?

Fraai is de observatie van Joke Sterringa. „Een jaar of 40 geleden werd ik op de vingers getikt, toen ik het had over een curve: ‘Dat heet in het Nederlands een kromme’”, schrijft zij. „Maar ik vrees dat de coronacrisis met flatten the curve de kromme verdrongen heeft.”

Mondialisering

Het vernederlandsen van Engelse termen gaat trouwens ook niet altijd van een leien dakje. Moleculair geneticus Gerard Pals spot met ziekenhuisafdelingen en universiteitsvakgroepen die hun onderzoek naar de erfelijkheid van de mens ‘humane genetica’ noemen, ontleend aan het Engelse ‘human genetics’. Dat is geen verbetering ten opzichte van ‘antropogenetica’, en het recentere ‘klinische genetica’ of ‘medische genetica’, schrijft hij. Want dat het Nederlandse ‘humane’ anders dan het Engelse ‘human’ eigenlijk louter ‘menslievend’, ‘zacht’ of ‘welwillend’ betekent, maakt „humane genetica natuurlijk bewonderenswaardig, maar het is niet een naam die de lading dekt.”

Net zo roept het aan het Engels ontleende ‘globalisering’ onterechte associaties op, vindt sociaal geograaf Aldo de Leeuw. Dat komt doordat „we in het Nederlands al het woord ‘globaal’ kennen om te spreken over iets algemeens of oppervlakkigs. Zo lijkt het alsof ‘globalisering’ leidt tot een oppervlakkiger wereld”. Omdat dat waardeoordeel ontbreekt bij ‘mondialisering’ vindt De Leeuw dit oudere aan het Frans ontleende woord „neutraler en preciezer” en „geschikter voor de wetenschap”.

Om vergelijkbare redenen houdt bioloog Kees van Berkel meer van het verdwenen ‘levensgemeenschap’ voor een verzameling levende organismen in een stuk berkenbos of nat hooiland dan van het uit het Engels gekopieerde ‘ecosysteem’, een woord waar geen leven meer in te bekennen is. Wie weet wordt het juist daarom wel „te pas en te onpas” gebruikt, oppert hij: „Er kan zelfs de binnenkant van je broekzak mee bedoeld worden.”

Huishoudkunde

Verengelsing is niet de enige oorzaak van vaagtaal, blijkt uit andere mails. Waarom zeggen tandartsen niet gewoon tandbederf in plaats van cariës, tandplak in plaats van plaque, en gebitsregulatie in plaats van orthodontie, vraagt Michiel Eijkman, een ooit nog voor deze krant schrijvende tandarts, zich bijvoorbeeld af.

Of komt het soms wel goed uit om een woord te vervangen door iets abstracts, suggereert Willem van der Schoot. Zo heetten de vakgebieden macro-economie en bedrijfseconomie in de vijftiger en zestiger jaren nog gewoon staats- en bedrijfshuishoudkunde. Die termen stonden niet alleen dichter bij de alledaagse taal, „maar huishoudkunde heeft ook een relatie met het huishoudboekje en een doelstelling in zichzelf (het financieel op orde houden). Een interessante vraag is: hebben we eerst meer schulden gemaakt en toen de benaming van het vakgebied veranderd of is juist het andersom gegaan?”

Vernufteling

Vaak gaat het als vanzelf, beseffen tot slot veel briefschrijvers. Dat steeds minder mensen weten dat diskette een mooie vertaling is van floppy disk, komt vooral doordat bijna niemand deze voorlopers van de usb-stick überhaupt nog kent. Ook ‘dwaalderachtige’, afgeleid van Simon Stevins ‘dwaalder’ voor planeet, is reddeloos verloren als alternatief voor planetoïde, weet historisch taalkundige Freek van de Velde uit Leuven. Net zoals het door de Utrechtse wetenschapshistoricus David Baneke opgerakelde ‘vernufteling’ voor ingenieur geen kans op terugkeer meer heeft. Maar mooi is het wel.