Jonge sporters roepen onaangetast door grotemensentwijfel dat ze de beste zijn

Zap De beloften (VPRO) toont de onbekookte bravoure van zeven sporttalenten op weg naar ‘Tokio’. Minstens zo belangrijk als de fysieke prestatie, blijkt keer op keer de onbreekbaarheid van de wil.

Kogelstoter Alida van Daalen in De beloften.
Kogelstoter Alida van Daalen in De beloften. Beeld VPRO

Weinig is zo onweerstaanbaar als een jonge sporter. Onaangetast door grotemensentwijfel roepen ze dat ze de beste zijn, zonder schroom reiken ze naar het allerhoogste. Wanneer de vijftienjarige kogelstoter Alida van Daalen van haar moeder en coach, oud-atlete Jacqueline Goormachtigh, op het gras van het trainingsveld te horen krijgt er „zeker zestien meter” nodig zal zijn voor een zege, bromt het kind met één been in de ergernis: „Nou, ik ga gewoon winnen.”

Later in de wedstrijd zien we wat Alida zo graag buiten de deur wilde houden: de wetenschap dat je niet zomaar zestien meter gooit. Haar gezicht versipt na haar eerste worp en nog verder na de tweede. „Risico nemen!” roept Goormachtigh van de kant. „Al vlieg je eroverheen!” En inderdaad, nu lukt het. Meteen nadat de kogel is geland, verovert een kolossale opluchting het gezicht van de vijftienjarige. De bevrijding transformeert tot intense vreugde als ze het scorebord ziet. ‘Gewoon’ gewonnen.

De beelden van Alida van Daalen (nu 19) bij de Jeugd Olympische Spelen zijn al een paar jaar oud. Regisseurs Xena Maria Evers en Victor Vroegindewij volgen al sinds 2017 zeven jonge sporters die hun zinnen hadden gezet op de Olympische Spelen van Tokio. Van de documentaireserie De beloften (VPRO) die dat opleverde werd donderdag het eerste deel uitgezonden. Van Daalen spreekt daarin ook de ambitie uit om een boegbeeld te worden voor de werpnummers in de atletiek, zoals Dafne Schippers dat is voor de sprint.

Onbekookte bravoure

Onder de onbekookte bravoure zit voor de kijker de zekerheid dat niet al deze zeven talenten daadwerkelijk naar Tokio zullen mogen. „Als je in de weg staat voor mijn Spelen dan wals ik over je heen. Dan ben je mijn vijand,” bluft de jonge judoka Simeon Catharina. Op zijn buik heeft hij de datum getatoeëerd waarop hij wereldkampioen bij de junioren werd. „Ik heb nog niet echt een mannenlichaam”, zegt hij. Dat klinkt trouwens wat gek uit de mond van een krachtpatser naast wie de meeste Nederlandse mannenlichamen verbleken tot iets insectachtigs.

Wat hij bedoelt, is dat hij erg op zijn gewicht moet letten om niet uit zijn gewichtsklasse (tot honderd kilo) te groeien. In noodgevallen gaat hij voor een wedstrijd een paar uur zweten in de sauna. Zijn moeder ziet intussen met lede ogen toe hoe weinig rijst haar zoon opschept. Zij heeft toch al oog voor de schaduwzijden van „de goede zaak”: ze kunnen de topsportcarrière van hun zoon bijna niet betalen.

Dat speelt minder bij skateboardster (ja, dat is een Olympische sport) Roos Zwetsloot die zichzelf betitelt als „een kakmeisje in een jongenssport”. Zij wordt door de op het oog nauwelijks oudere bondscoach Sjoerd in een BMW-cabrio opgehaald om een nieuwe wedstrijdbaan te testen. Het blijkt slechts een gedeeltelijk genoegen: „Er zitten gewoon bulten in!”

De beloften bestrijkt in alle opzichten een breed spectrum, waarbij steeds weer blijkt dat op dit niveau het belangrijkste talent van de topsporter zijn of haar geestelijke kracht is. Zo horen we zwemmer Nyls Korstanje, die op zijn elfde al werd geprezen in een column van Pieter van den Hoogenband, met veel zelfkennis zeggen: „Ik heb niet de grootste handen, ik ben niet de langste en ik ben niet de sterkste, maar willen verbeteren is mijn grootste talent.”

Hij heeft zich inmiddels geplaatst voor de Spelen, al weet je dat in de eerste aflevering van De beloften nog niet. Het is ook de hoofdzaak niet. Dat is de vreugde-explosie van de vijftienjarige Alida als ze al haar verzwegen twijfel zestien meter van zich af heeft had geworpen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.