Analyse

Wat als de bovenklasse de ladder optrekt?

Essay | Sociale mobiliteit In de afgelopen eeuw was sociale stijging een van de belangrijkste ontwikkelingen. Maar wat gebeurt er als de nieuwe klassenmaatschappij weer op slot gaat?

Illustratie Midas van Son

ong

Ze zullen er hebben gestaan, tussen de arbeiders die zich dagelijks meldden aan de fabriekspoort in de negentiende eeuw: intelligente mannen en vrouwen, met talent dat nooit tot wasdom zou komen, leervermogen dat nimmer zou worden benut. Omdat hun klasse hen opsloot in de maatschappelijke positie die zij nu eenmaal hadden, en die onveranderlijk leek.

Verderop, hoog in het kantoor, zou zomaar een man kunnen hebben gezeten die zijn functie nauwelijks aankon, maar nu eenmaal de kleinzoon was van de oprichter. En vanaf zijn geboorte voorbestemd de nieuwe directeur te worden.

Als er één grote maatschappelijke revolutie was in de twintigste eeuw, is het wel het ontstaan van sociale mobiliteit. De sociaal-democratie en vakbeweging zetten in op volksverheffing: bijbrengen van cultuur, geschiedenis en algemene ontwikkeling aan de onderklasse van de arbeidsmarkt. In de naoorlogse jaren droegen avondstudie, de Mammoetwet voor het voortgezet onderwijs én de opening van de universiteiten eraan bij dat steeds meer kinderen van arbeiders, bouwvakkers, klerken een weg naar boven vonden die paste bij hun talent, en zo boven hun afkomst uit konden stijgen.

Die revolutie blijkt onder meer uit studentenaantallen. In het jaar 1900 studeerde één op de 1.800 Nederlanders aan de universiteit. In 1950 was dat één op de 337. Daarna ging het snel omhoog. In 2019 studeerde één op elke 56 Nederlanders aan een universiteit. Tel het hbo erbij op, en één op elke 22 Nederlanders studeerde dat jaar .

De boodschap: wie aanleg heeft en een beetje zelfdiscipline, kan het zo ver schoppen als zijn of haar talenten mogelijk maken. De verre nazaten van al die arbeiders aan de poort zijn nu natuurkundige, leraar, dierenarts, topambtenaar of succesvol ondernemer.

De werknemer zit steeds beter op z’n plek, verricht daar productiever werk en draagt zo bij aan de eigen welvaartstoename

De forse toename van de welvaart sinds de oorlog is een samenspel van stijgende productiviteit en bevolkingsgroei. Maar onder de motorkap van die productiviteitsstijging huizen niet alleen technologische ontwikkeling en automatisering. Ook de talenten van de factor arbeid zijn steeds beter benut. De werknemer zit steeds beter op z’n plek, verricht daar productiever werk en draagt zo bij aan de eigen welvaartstoename. En die van de samenleving als geheel.

De meritocratie: ieder op zijn plek

De bijbehorende sociale mobiliteit is sindsdien groot geweest. Niet alleen klommen mensen op binnen het bestek van hun eigen leven. Een kind kreeg het zelfs op twee manieren beter dan de ouders: allereerst was er de algemene toename van welvaart, waardoor volgende generaties sowieso beter af waren. Daarnaast was er de sociaal-economische stijging door de generaties heen: het verder opklimmen dan vader of moeder.

Lees ook Topadvocaat Mounia Benabdallah: ‘Mislukken kon ik me niet permitteren’

Maar blijft dat ook zo? Nederland staat te boek als een land waarin de sociale mobiliteit nog steeds groot is. Het Sociaal en Cultureel Planbureau constateerde dat onlangs nog in De Sociale Staat van Nederland. Het World Economic Forum maakte vorig jaar een mondiale Index van Sociale Mobiliteit. De top bevat de usual suspects waar het lijstjes van gelijkheid, geluk en algemeen welbevinden betreft: de Scandinavische landen, met Nederland op plaats zes. Opvallend: de Verenigde Staten, ooit kraamkamer van de sociale mobiliteit, van de krantenjongens die miljonair werden, halen de top-25 niet eens. Het Verenigd Koninkrijk komt niet verder dan plaats 21. Dat is ver onder Duitsland, Frankrijk en Japan. Het is dan ook geen toeval dat in de Angelsaksische wereld het eerst alarm wordt geslagen over een afname van de sociale mobiliteit.

Hoe rationeel was de verwachting dat die mobiliteit er altijd zou blijven? Voor hetzelfde geld is er een kleine eeuw lang sprake geweest van een herschikking van talent en aanleg, en is dat proces na lange tijd nu min of meer klaar.

Dan leven we nu, of in ieder geval tot voor kort, in een periode die dichtbij een ‘meritocratie’ komt: een maatschappelijke ordening op basis van aanleg en werklust. Hoeveel meritocratischer kan je daarna nog worden? Niet iedereen kan tegelijk sociaal stijgen ten opzichte van de anderen, evenmin als een meerderheid van de automobilisten beter kan rijden dan het gemiddelde – ook al blijkt uit enquêtes dat een meerderheid dat wél vindt.

Nieuw: de angst om te vallen

Dat een sociale stijging lange tijd toch mogelijk was, schrijft de Britse socioloog John Goldthorpe toe aan veranderingen in de economie. Vooral gedurende de jaren vijftig en zestig verdubbelde het aantal banen als professional of manager. Er was op die manier veel ruimte voor opwaartse sociale mobiliteit.

Goldthorpe is van mening dat de sociale mobiliteit nooit zo groot is geweest als we hebben verondersteld. Zeker niet in zijn eigen land, het Verenigd Koninkrijk. Zo ver hoef je niet te gaan om te concluderen dat er wél een nieuwe fase lijkt aangebroken, waarin we eraan worden herinnerd dat sociale mobiliteit steeds meer een zero sum game wordt. De stijging van de één is de daling van de ander.

Komt het zo ver? Dat is een van de grote vraagstukken van nu. Kees Kraaijeveld, directeur van de Argumentenfabriek, wees, in een gesprek over dit onderwerp deze week op een profetische klassieker uit 1958 van de Brit Michael Young: The Rise of the Meritocracy. Daarin schetst Young de situatie in 2034, waarin iedereen op de plek terecht is gekomen die bij hem of haar ‘hoort’. Maar omdat de nieuwe elite haar kinderen beschermt tegen vallen, en voor de onderlaag de weg naar boven steeds lastiger wordt, zitten de maatschappelijke verhoudingen weer muurvast. Er is een land ontstaan dat wederom verdeeld is tussen een kansrijke elite en een kansloze onderklasse. En er dreigt een revolutie.

Young bedoelde zijn boek oorspronkelijk half-satirisch, maar het werd door de jaren heen steeds serieuzer genomen. Tot we vandaag de vraag mogen stellen: zijn we al een beetje in zijn eindstadium aan het belanden?

Het gymnasium of de gladiolen

Wie ervan uitgaat dat maatschappelijke lagen in de regel onderling trouwen (of relaties aangaan) en kinderen krijgen, zal het niet verbazen dat de meritocratie zélf erfelijk begint te worden – met name in maatschappelijke zin. Ouders aan de top zijn nu vooral bang voor neerwaartse sociale mobiliteit van hun kroost. Loss aversion, het willen vermijden van verlies, een term die eind jaren zeventig werd bedacht door psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniël Kahneman – is een sterke drijfveer van de mens.

Zie de bijlessen, de run op de gymnasia, de druk van ouders voor een zo hoog mogelijk schooladvies, de Cito-trainingen. Of misschien ook wel het medicaliseren van leer- en gedragsproblemen. Om maar vooral de conclusie te vermijden dat onderprestatie het gevolg zou kunnen zijn van een gebrek aan kansrijkheid van het eigen kroost.

Bange bovenlaag, boze onderlaag

Zo trekt de bovenlaag, vaak zonder het te beseffen, de ladder op. Baart een vrijwel voltooide meritocratie, in de geest van Young, dus uiteindelijk zélf weer een groeiende maatschappelijke ongelijkheid? Leidt een groei van sociale mobiliteit uiteindelijk tot een afname van die mobiliteit?

Dat is maatschappelijk riskant. De bovenlaag wordt steeds banger om te vallen. De onderlaag steeds bozer om de onveranderlijkheid van de eigen situatie en die van de kinderen. Het is niet moeilijk om in de huidige afkeer van ‘de elite’ de eerste tekenen te lezen van de maatschappelijke onrust die het gevolg is van de afgesneden route naar boven. Die elite zélf – waaronder ongetwijfeld veel lezers van dit artikel (inclusief de auteur) – zal denken: elite, ik?

De bovenlaag wordt steeds banger om te vallen. De onderlaag steeds bozer om de onveranderlijkheid van de eigen situatie en die van de kinderen

Het is geruststellend en makkelijk die af te doen als de rijkste 0,1 procent, of 1 procent of zelfs 10 procent. Maar bekijk het eens van onderaf.

Aan die afgenomen mobiliteit is, afgezien van beter en inclusiever onderwijs, gezondheidszorg en bestrijding van vooroordelen, best wat te doen. Namelijk: iedereen weer een betere uitgangspositie geven. Al was het maar om te zorgen dat de verhoudingen niet verder uit het lood slaan. In Nederland groeit de vermogensongelijkheid. Als die inderdaad, volgens de theorie van Thomas Piketty, tot grotere inkomensongelijkheid leidt, zal er iets aan moeten gebeuren – hoe pijnlijk ook.

Wie de ‘volkswoede’ van de afgelopen jaren ziet, kan die proberen de kop in te drukken, te negeren of te begrijpen. Doe wel eerst de meritocratische bril op. Hoe hard heb ik gewerkt voor de waardestijging van mijn eigen woning? Wat heb ik eigenlijk bijgedragen aan het vermogen van mijn voorouders? Dan worden allerlei fiscale maatregelen om de groeiende vermogensongelijkheid, en de erfelijkheid daarvan, wat te mitigeren opeens logischer.

Sociale mobiliteit kan pijn doen

Even moeilijk voor de elite, maar onvermijdelijk: veel meer vaste dienstverbanden terugbrengen in de economie. Zelfontplooiing is lastig bij een onzeker bestaan aan de rand van de economie, of in een gezin dat de eindjes aan elkaar moet knopen.

Ook nodig om het tij te keren: accepteren dat neerwaartse sociale mobiliteit ook bestaat. Denk niet alleen aan die arbeiders aan de poort uit het begin van dit verhaal, maar ook aan die negentiende-eeuwse directeurszoon. Misschien bestaat die alweer. Hoe wrang zou het zijn als zijn maaltijd aan de deur wordt bezorgd door een man of vrouw op afroep, die zijn baan veel beter had aangekund – als de mogelijkheid er maar was geweest.