„Het is goed dat we snel hebben ingegrepen in deze crisis. Maar zodra het sein ‘brand meester’ wordt gegeven, moet de brandweer terug in de kazerne.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

DNB-president Klaas Knot: ‘Nu is het moment voor verdere afbouw van de hypotheekrenteaftrek’

Klaas Knot Dit weekend is Klaas Knot tien jaar de hoogste centrale bankier van Nederland. In zijn jeugd ervoer hij wat een instortende huizenmarkt kan betekenen. Nu waarschuwt hij voor onderschatting van het inflatierisico. En hij vindt: de snelle stijging van de huizenprijzen, ook dát is inflatie.

Op een anoniem betonnen kantoorgebouw bij het Amstelstation in Amsterdam prijkte vorige week een regenboogvlag. Hier, aan de Spaklerweg, zetelt tijdelijk De Nederlandsche Bank nu het hoofdgebouw aan het Frederiksplein verbouwd wordt. DNB hees de vlag uit solidariteit met Hongaarse lhbti’ers toen het Nederlands elftal in Boedapest speelde. De regenboogvlag wapperde de voorbije jaren wel vaker bij de centrale bank, onder meer tijdens de jaarlijkse Pride.

Klaas Knot, dit weekend precies tien jaar president van DNB, vindt het „buitengewoon belangrijk” dat zijn bank „zichtbaar en herkenbaar” is voor „alle Nederlanders”, zo vertelt hij in zijn werkkamer. „Dat geldt voor lhbti, voor genderdiversiteit, voor culturele diversiteit.” Hij gelooft niet zo in „grote statements”, maar wel in „doen”. In de vijfkoppige DNB-directie zitten daarom twee vrouwen en één lid van de lhbti-gemeenschap, vertelt Knot met zichtbare trots.

Open, inclusief: dit is het type leider dat Knot (54) wil zijn. Het hoofdgebouw aan het Frederiksplein moet na de verbouwing een open karakter krijgen. De binnentuin wordt openbaar. „Het heeft met de vraag te maken: wat wil je achterlaten? Ik wil een bank achterlaten die middenin de maatschappij staat.”

Niet dat Knot binnenkort al vertrekt bij DNB. Zijn termijn, die niet verlengbaar is, loopt nog vier jaar. Als alles meezit, kan hij nog een tijdje werken vanuit het hoofdkantoor-nieuwe stijl: de verbouwing moet over twee jaar klaar zijn.

De afgelopen tien jaar ontwikkelde de geboren Groninger Knot, die in 2011 uit het ministerie van Financiën naar DNB werd gehaald, zich tot senior internationaal centraal bankier. Hij reist normaliter veel: naar Frankfurt voor vergaderingen van de Europese Centrale Bank, naar Washington voor het Internationaal Monetair Fonds en naar financieel-economische conferenties, waar hij een veelgevraagd spreker is. In december wordt Knot voorzitter van de Raad voor Financiële Stabiliteit (FSB), een in het Zwitserse Bazel gevestigd forum dat voorstellen doet voor financiële regelgeving. En hij is toegetreden tot de ‘Group of 30’, een eminent groepje van vooral voormalig centraal bankiers en topmensen uit de financiële sector. Knot werd daarvoor gevraagd, vertelt hij. „Dat is gewoon iets wat op senioriteit en status gaat.”

Wat zijn eigenlijk uw drijfveren?

„Ik heb altijd een fascinatie gehad voor geld, voor de financiële economie. Geld gaat over vertrouwen. Een van mijn belangrijkste drijfveren is dat ik mij er zéér van bewust ben dat je vertrouwen in een munt maar één keer kunt verspelen. Zo’n vertrouwensverlies kan dramatische maatschappelijke kosten hebben. Dus die verantwoordelijkheid voel ik sterk. Daarnaast was mijn economische coming of age eind jaren 70, begin jaren 80. Het was een tijd met inflatie, uit de hand lopende overheidsfinanciën, een arbeidsmarkt die helemaal op slot zat, en de piekende en daarna inzakkende huizenmarkt, waarvan ik zelf de consequenties ondervond.”

Wat gebeurde er toen precies?

„Mijn ouders zaten aan de verkeerde kant van de toenmalige crash op de huizenmarkt. Ze hadden een nieuwe woning gekocht, nog in aanbouw, en toen ze het bestaande huis wilden verkopen, was de markt gekeerd. Zij zaten een paar jaar met twee huizen en een dubbele hypotheek. We zijn niet op vakantie gegaan in die tijd en er was ook weinig geld voor uitjes en extra’s. We hadden te eten hoor, maar het was wel ingrijpend. Dat heeft bij mij die fascinatie gebracht voor de booms en de busts in de economie. Begin jaren 80 was er somberheid alom. Zo’n tijd niet weer mee willen maken en helpen voorkomen: dat kán, met het juiste beleid, met een langetermijnvisie. Dat is de rol van de centrale bankier.”

Het streven naar stabiliteit, dus.

„Dat is precies wat ik bedoel. Zorgen dat de economie misschien wat minder hoge pieken meemaakt, zodat de dalen ook minder diep zijn. Werkloosheid is zeer ontwrichtend. Het is de grootste veroorzaker van inkomensongelijkheid die ik ken.”

De Nederlandse economie is heel weerbaar gebleken

Als stabiliteit uw grootste drijfveer is, wat zijn dan de belangrijkste lessen uit de afgelopen tien jaar?

„We hebben twee heel diepe schokken gehad in de afgelopen tien jaar: eerst de financiële crisis en de eurocrisis in het kielzog daarvan. En daarna de coronacrisis. In die laatste zat natuurlijk een element van pech, want de economie deed het in de jaren daarvoor juist uitstekend. We noemen de pandemie hier ‘de meteoriet van buiten’. En dan is de les toch: bouw buffers op, bij banken, bij overheden, bij bedrijven, bij huishoudens. De pandemie was in eerste aanleg een volstrekt symmetrische schok, want hij trof alle landen hetzelfde. Maar toch komen niet alle landen even sterk de crisis uit. De Nederlandse economie is gewoon heel weerbaar gebleken. Voor andere economieën, vooral die met een grote afhankelijkheid van toerisme, geldt dat minder.

„Een andere les: de ‘financialisering’ heeft ons wel kwetsbaar gemaakt. Daar bedoel ik mee: er is veel meer schuldfinanciering. Kijk naar de gestegen aandelenkoersen. Mensen vragen: kan dat wel goed gaan? Ik zeg dan: stijgende koersen zijn geen probleem, zolang de beleggingen niet met geleend geld zijn gedaan. Want dan gaat het, bij een daling van de koersen, mis. Dat geldt ook voor de huizenmarkt, met hoge hypotheken. Zodra de huizenprijzen dalen, staan nieuwe kopers meteen onder water. Daarom moet je te hoge financiering beperken.”

Foto Merlijn Doomernik

Een belangrijke oorzaak van de waardestijgingen van aandelen en huizen is de gedaalde rente. De ECB heeft de rente telkens verlaagd. Toen u begon, stond het hoofdtarief op 1,5 procent. Nu is dit nul, de depositorente voor banken staat zelfs negatief, min 0,5 procent.

„Ik heb in die tien jaar maar één renteverhoging meegemaakt. Op 1 juli 2011 trad ik aan, en zes dagen later schroefde de ECB de rente op van 1,25 naar 1,5 procent. Daarna is er inderdaad maar één richting geweest: naar beneden.

„Daarin is de centrale bank wel vooral volgend geweest. De zogenoemde ‘natuurlijke evenwichtsrente’, die vrij tot stand komt tussen aanbieders en vragers van geld, is gedaald. Vergrijzing zorgt voor meer aanbod van spaargeld. De overgang naar een diensteneconomie zorgt voor een lagere vraag naar investeringen – een kantoor vraagt minder investeringen dan een fabriek. Het heeft allemaal een drukkend effect op de rente. Het monetaire beleid moet, alleen maar om neutraal te blijven, die daling volgen. Op een moment loop je dan, wanneer de natuurlijke evenwichtsrente negatief wordt, als centrale bank aan tegen de ondergrens van nul. Toen hebben we besloten de ECB-depositorente negatief te maken. Ik was het daar destijds wel mee eens, vanuit het idee dat het tijdelijk zou zijn. Maar als ik had geweten hoe moeilijk het zou zijn dat weer terug te draaien, had ik mij misschien wel anders opgesteld…”

De ECB verlaagde niet alleen de rente meermaals. Om de langetermijnrente te drukken ging ze ook massaal staats- en bedrijfsleningen opkopen. Het balanstotaal van de ECB verviervoudigde in tien jaar tijd tot 7.700 miljard euro.

Had u dit ooit verwacht?

Knot schudt nadrukkelijk zijn hoofd. „We hebben als centrale banken dingen gedaan die ik nooit voor mogelijk had gehouden toen ik aantrad. Negatieve rentes. Opkopen van leningen, en dus de balans van de centrale bank zelf actief gebruikten om beleid mee te voeren. Dat stond niet in de studieboeken monetaire economie die ik op de universiteit las. Het beleid is nu heel activistisch geworden. Daar blijf ik twijfels bij hebben, en die uit ik ook met enige regelmaat in het bestuur van de ECB.”

Lang niet altijd was Knot het eens met de verregaande besluiten die in Frankfurt worden genomen. Onder oud-ECB-chef Draghi waren meerderheidsbesluiten echter de norm geworden. „Er is dan toch enorme groepsdruk”, zegt Knot. „Dat had ik nog niet zo meegemaakt. Als je zo over tafel wordt getrokken, leer je hoe je grenzen moet bepalen.”

In september 2019 trok Knot zo’n grens, door na de ECB-vergadering publiekelijk afstand te nemen van het besluit de obligatie-aankopen te hervatten hoewel er geen recessie was. Het besluit zelf voorkwam Knot daarmee niet, maar de massaliteit van het verzet zaaide gerede twijfel over omvang en timing van het besluit.

Nu staat de ECB voor het lastige besluit om de enorme steunoperatie in coronatijd, waaronder ‘pandemienoodopkopen’ van maandelijks zo’n 80 miljard euro, af te bouwen. Knot: „Het is goed dat we snel hebben ingegrepen in deze crisis. Maar zodra het sein ‘brand meester’ wordt gegeven, moet de brandweer terug in de kazerne. Dat moet rond maart 2022 wel het geval zijn.”

Lees ook: Kunnen centrale banken nog wel onafhankelijk van overheden opereren?

Wordt het monetair beleid eigenlijk ooit weer normaal?

„De lakmoesproef komt wanneer we als ECB onze inflatiedoelstelling halen, van onder, maar dichtbij 2 procent op de middellange termijn. Dan zal blijken of we net zo krachtig de teugels kunnen aanhalen als we ze de afgelopen tien jaar hebben laten vieren.”

De inflatie in de eurozone bedroeg in juni 1,9 procent, maar daarmee is de doelstelling niet bereikt. De ECB wil dit niveau namelijk ‘duurzaam’ vasthouden. De voorbije jaren lag de inflatie hardnekkig laag. Volgens ECB-president Christine Lagarde is de huidige inflatie tijdelijk van aard, onder meer doordat de wispelturige energieprijzen nu even aantrekken.

Knot is op zijn hoede. „We moeten onze capaciteit niet overschatten om vooraf vast te stellen wat nou tijdelijke inflatie is en wat niet.”

Vanwaar uw behoedzaamheid over de inflatie?

„Ik leer ontzettend veel uit mijn gesprekken binnen de Group of 30 met de oudere generatie centrale bankiers, die nog inflatie hebben meegemaakt. Van de huidige generatie heeft niemand ooit echte inflatie ervaren. De inflatie in de jaren 70 kwam aanvankelijk ook onverwacht. Als de huidige generatie aan het roer zou zijn geweest in 1973, hadden wij dan niet óók allemaal gezegd: ‘Ach, die olieprijsstijging is vast tijdelijk?’ Ik breng daarom ook in Frankfurt in: er zijn andere scenario’s denkbaar dan ons basispad met blijvend lage inflatie. Inflatie is niet dood.”

Niet alleen centrale banken, ook overheden moeten uit de crisisstand, als het aan Knot ligt. Extra stimulering van de economie vindt hij voor Nederland niet langer nodig. „De economie was in uitmuntende vorm voordat wij corona ingingen. Het herstel is er al, en het is krachtig”. Wel moeten „structurele” problemen van vóór ‘corona’ worden aangepakt, zoals het woningtekort. „Verantwoorde investeringen” – waarbij de staatsschuld onder de 60 procent van het bbp blijft – moeten het „groeipotentieel” van de Nederlandse economie omhoog brengen, vindt hij.

En: „Nu is het moment” om „verdere afbouw van de hypotheekrenteaftrek” door te voeren. Dit pleidooi klinkt vanuit DNB regelmatig, net als voor aanscherping van leennormen als de ltv-ratio (loan to value), de verhouding van die hypotheek tot de waarde van het huis. In Nederland mag je maximaal 100 procent van de waarde van je huis lenen (in het verleden nog meer); in de meeste andere landen moet je eigen geld inleggen.

Het is voor starters toch niet zomaar mogelijk eigen geld mee te nemen voor hun woning?

„Ik vind 100 voor de ltv nog steeds te hoog. Dat stimuleert excessief lenen en drijft de huizenprijzen verder op. Je zou toe moeten naar 80 of 90. Maar het is waar, als wij werknemers in Nederland verplichten 20 procent van hun loon apart te zetten voor hun pensioen, dan blijft er weinig over om voor je eigen huis de eerste 10 of 20 procent bij elkaar te sparen. Het pensioendossier en het woningdossier moet je dus in samenhang beschouwen. Je zou het toch een keer mogelijk moeten maken jongeren toe te staan om, zeg, de eerste tien jaar van hun carrière niet voor hun pensioen te sparen, maar dat geld te sparen om mee te nemen bij de aankoop van een eerste huis.”

Intussen blijven de huizenprijzen stijgen.

„In onze economische ramingen hebben we het mis gehad wat corona zou gaan betekenen voor de huizenmarkt. Wij voorspelden vorig jaar, niet als enige overigens, dat de pandemie de prijzen zou gaan drukken. Wat wij niet hebben voorzien, is dat de overheid een dusdanig succesvol beleid voerde dat er amper inkomenseffecten waren voor huizenbezitters. De werkloosheid trad vooral op bij mensen met flexibele contracten. En die hebben veelal geen koopwoning. De mensen die wél een huis hebben, verbood de overheid op vakantie te gaan. Dus wat gingen die doen? Investeren in hun huis. Dus er ging door corona méér geld naar de huizenmarkt en niet minder”.

De galopperende huizenprijzen bleken thema nummer één tijdens een luistersessie met burgers en maatschappelijke organisaties die DNB eind vorig jaar organiseerde, in het kader van de herziening van de monetaire strategie waaraan de ECB werkt. Mensen, zo hoorde DNB, ervaren inflatie in de woonlasten, terwijl de huizenprijzen – gek genoeg – níét in de inflatie-index zitten waarop de ECB haar beleid baseert, de consumentenprijsindex (HICP). Alleen de huurprijzen zitten in deze index en die wegen bovendien maar een klein beetje mee. De inflatie volgens de HICP lag de voorbije jaren hardnekkig laag, terwijl de huizenprijzen jaarlijks met vele procenten stegen. De ECB overweegt nu de huizenprijzen meer gewicht te geven in de inflatie-index.

Lees ook: Die galopperende huizenprijzen, dat is toch ook inflatie?

Bent u hier voorstander van?

„Ja. Dit is een onderwerp waar we absoluut iets mee moeten. Je hebt een toch wat vreemde situatie: wij als centrale bankiers doen ons beklag over te lage inflatie, maar als je in het land praat met mensen, zeggen zij dat alles zo verschrikkelijk duur is geworden. En dan vraag je ze: wat is dan zo duur geworden? Dan zeggen ze: mijn woonlasten. En dan zeggen wij, sorry, maar dat zit niet in onze index. Dat kan natuurlijk niet waar zijn. In de strategieherziening zullen we met een antwoord moeten komen.”

Hebben centrale banken met hun lagerentebeleid de ongelijkheid helpen vergroten?

„Je moet inkomensongelijkheid en vermogensongelijkheid uit elkaar houden. De grote inkomensongelijkmaker is werkloosheid. Met het ruime monetaire beleid hebben we als centrale bank juist bijgedragen aan het dempen van recessies en het laag houden van de werkloosheid. Daar ben ik van overtuigd.

„Bij vermogensongelijkheid ligt het lastiger. De lage rente heeft als nevenwerking: meer vermogensongelijkheid. En daar waar wij een laatste zetje hebben gegeven aan die lage rente, hebben wij daar ook aan bijgedragen. Voor diegenen die een huis bezitten, wordt de waarde van hun bezit door de lage rente opgejaagd, terwijl zij die geen huis bezitten, een huurverhoging voor hun kiezen krijgen. En de lage rente leidt tot vermogensprijsinflatie. Dat is goed voor diegenen die aandelen en andere beleggingen hebben, zoals beleggers die woningen opkopen. Maar de lagere inkomens hebben hun vermogen meestal in hun pensioen zitten. En de lage rente is helaas niet goed voor hun pensioenaanspraken.”