Foto STEPHANIE PILICK, EPA

Interview

Directeur van het Stasi-archief: ‘Iedereen was deel van het systeem’

Roland Jahn De DDR-geschiedenis is nog geenszins verwerkt, vindt Roland Jahn, de laatste directeur van het Stasi-archief.

Direct na de val van de Muur in november 1989 begonnen functionarissen van de Stasi, de ‘Staatssicherheitsdienst’ van de DDR, de door hen vervaardigde dossiers te vernietigen. Ze versnipperden de akten en maalden ze vervolgens met water tot brij. Elders werden papiersnippers op binnenplaatsen opgestookt. Maar tegelijkertijd bezetten burgercomités overal in de DDR gebouwen van lokale Stasi-afdelingen – eerst in Erfurt, in 1989, waar de plaatselijke vuilnisophaaldienst hielp door met hun wagens de straten naar het gebouw te blokkeren. Ook in Rostock en Leipzig werden de Stasi-bureaus door burgers bezet; in januari 1990 ten slotte bestormde een menigte de Stasi-centrale in Berlijn. Op beelden is te zien hoe stapels A4-tjes door het trappenhuis naar beneden dwarrelen – verslagen van de levens in een dictatuur, opgesteld met hulp van familie en vrienden.

Honderdelf kilometer aan dossiers bleven bewaard. Het oog voor detail dat de Stasi aan de dag legde, de verbetenheid, de zorgvuldig uitgetypte verslagen, het absolute geloof in de controle van de eigen burgers en hun gedachten: het boezemt haast bewondering in, in een wereld waarin de meeste mensen de gemakzuchtige digitale surveillance van de techreuzen lijdzaam ondergaan.

De eerste chef van het Stasi-archief – voluit de ‘Bundesbeauftragter für die Stasi-Unterlagen’ – was activist en predikant Joachim Gauck, later bondspresident. Van 2011 tot juni 2021 was het Roland Jahn. Jahn groeide op in het Thüringse Jena en ging daar naar de universiteit, tot een kritische uitspraak hem zijn opleiding kostte. Zijn kritiek op de DDR en de partij verhevigde toen een vriend stierf in Stasi-gevangenschap. Later werd Jahn zelf opgepakt en in 1983 ‘ausgebürgert’ – over de grens gezet, niet langer welkom in de Arbeiders- en Boerenstaat.

Jahn ontvangt in zijn kantoor. Klein van stuk, energiek, en weinig geduld voor humbug. Jahn: „Ik denk dat het Stasi-archief belangrijk is voor het inzicht in het functioneren van de dictatuur, maar ook in het verzet van velen. De Stasi-dossiers zijn het verslag van het gebeurde onrecht, maar ook een getuigenis van de vrijheidsdrang van mensen.” Na tien jaar zit Jahns taak erop: in juni ging het Stasi-archief over naar het nationaal archief. „Met deze stap wordt het Stasi-archief onderdeel van het nationaal geheugen.” Maar dat betekent geenszins, volgens Jahn, dat de DDR-geschiedenis verwerkt en afgesloten is.

Lees ook ‘In onze hoofden staat de Muur nog overeind’

Ook dertig jaar na de Duitse hereniging is er nog volop sprake van ‘de Oost-Duitser’, die in allerlei opzichten af zou wijken van de West-Duitser, meestal omdat ’ie zo rechts zou zijn. Kort voor de deelstaatverkiezingen in Saksen-Anhalt in juni meende Marco Wanderwitz, Bondsdaglid voor het CDU en in het bijzonder verantwoordelijk voor de ‘nieuwe deelstaten’ dat „een deel van de inwoners” van de voormalige DDR „nu eenmaal in een dictatuur is gesocialiseerd”. Dat deel, concludeerde Wanderwitz, zou op protestpartijen als de rechtspopulistische Alternative für Deutschland of Die Linke blijven stemmen en nooit meer werkelijk deel worden van de democratie. Een kwestie van een nieuwe generatie, meende Wanderwitz.

Die Linke, die voortkomt uit de DDR-partij SED, voerde in het voorjaar 2021 in Saksen-Anhalt campagne met de slogan: „Nehmt den Wessis das Kommando” – „Neem de leiding van de West-Duitsers over”.

De frontvrouw van klimaatbeweging Fridays for Future , Luisa Neubauer, zei onlangs in een talkshow: „Ik ben een West-Duitse vrouw, ik wil niet de zoveelste zijn die in een talkshow het oosten begint te beleren.” Neubauer is geboren in 1996. Hoe kan het dat er dertig jaar na dato nog zo nadrukkelijk over oost en west wordt gesproken?

„Ik zou me tegen die constante generalisering van oost en west willen verzetten. Natuurlijk waren de omstandigheden in de DDR anders dan in de Bondsrepubliek. Maar ‘de Oost-Duitser’ bestaat niet, ieder ging zijn eigen weg. De partijsecretaris en de predikant, de Stasi-officier of de politieke gevangene: die hadden allemaal een nogal verschillende kijk op hun land en een heel andere manier om er mee om te gaan.”

Wordt er op de DDR-tijd nu meer gesimplificeerd teruggeblikt dan in de jaren negentig?

„Dat is natuurlijk vaak zo, dat men denkt, als iets langer geleden is, dat je er simpele waarheden over kunt formuleren.

„Maar het leven in een dictatuur is erg complex. Doe je mee of weiger je, pas je je aan of spreek je tegen – dat waren vragen die mensen zich iedere dag opnieuw moesten stellen. Daarop bestaat geen simpel antwoord. Wij zien steeds terug in de Stasi-dossiers onder welke dwang mensen beslissingen moesten nemen: ben je bereid in het leger te gaan, ben je bereid om dan aan de Duits-Duitse grens te patrouilleren, ben je dan ook bereid te schieten [op DDR-burgers die wilden vluchten, red.]? En wat zijn de gevolgen als je weigert? Of aan de universiteit: slik je de vele kleine leugens in de werkgroep, ingegeven door de staatspropaganda? Zeg je je mening, ook als dat betekent dat je je studie niet kunt afmaken? Neem je het risico je baan te verliezen, in de gevangenis te belanden? Voor die vragen bestaat geen algemene morele maatstaf waarmee je kon zeggen, dit is verwerpelijk en dit niet.”

Is de wijze waarop de laatste jaren over de inwoners van de ‘nieuwe deelstaten’ wordt gesproken een vorm van identiteitspolitiek?

„Ik zie dat steeds weer geprobeerd wordt groepen te definiëren, en dat die groepen dan ook tegen elkaar worden uitgespeeld, en politiek worden geïnstrumentaliseerd. Veel van dat groepsdenken wordt aangepraat. Maar of iemand zich alleen maar voelt weggezet als tweederangs, of daar ook redenen voor heeft, moet je per individueel geval beoordelen. Wat telt is het individu.”

In uw boek Wir Angepassten. Überleben in der DDR, verschenen in 2015, schrijft u: „Het herinneren aan de DDR staat nog maar aan het begin.” Hoe verklaart u dat?

„Nou ja, de meeste mensen waren in de jaren negentig natuurlijk vooral blij dat die tijd achter de rug was. En destijds stond vooral de Stasi in de schijnwerpers, en iedereen was blij dat een schuldige kon worden aangewezen. Maar het wordt weleens vergeten dat de Stasi werkte in opdracht van de partij, de SED. En het wordt ook weleens vergeten dat vrijwel iedereen op de een of andere manier deel uitmaakte van het systeem, al was het maar omdat ongeveer 90 procent van de burgers bij verkiezingen keurig SED stemde – natuurlijk ook omdat de represailles voor niet-stemmen bekend waren. Ik zou willen dat daar meer over gesproken wordt.

„Door het politieke systeem ontstonden heel persoonlijke conflicten. Vrienden die elkaar verraadden. Of soms gelijktijdig in de gevangenis zaten, waar de een de ander verweet namen te hebben genoemd. Ouders die werden ontslagen omdat hun kinderen naar het Westen vluchtten. Of, zoals in mijn geval, studievrienden die allemaal voor mijn verwijdering van de universiteit stemden, en die ik toen als verraders zag.”

Lees ook Een verpletterend boek over een Duitse familie

In een werkgroep ‘Wetenschappelijk communisme’ aan de economiefaculteit van de universiteit Jena had Jahn zich, op zijn 23ste, kritisch uitgelaten over de ‘Ausbürgerung’ van dichter en zanger Wolf Biermann. Biermann trok al jaren de aandacht van de Stasi, had er al een ‘beroepsverbod’ van elf jaar opzitten – tot 1989 verzamelden bijna 200 Stasi-medewerkers en ongeveer evenveel informele informanten 69 mappen aan materiaal over hem. Na een optreden in het Westen in 1976 mocht Biermann niet terugkeren in de DDR.

Niet de universiteit ontzegde Jahn na zijn kritiek de toegang, of de partij: in de ‘democratische’ republiek moest er door de werkgroep zelf gestemd worden. Jahn zag zijn veertien studiegenoten als vrienden, en maakte zich geen zorgen. „Nu, met de kennis uit de archieven, weet ik dat ze een voor een onder druk waren gezet.” De Stasi verspreidde de leugen dat Jahn voor een westelijke geheime dienst werkte, en dat degenen die voor Jahn stemden zelf hun studie niet zouden kunnen afmaken. Op één na stemden ze allemaal voor Jahns verwijdering van de universiteit.

Kast met dossiers van ‘niet-officiële Stasi-medewerkers’. Foto’s Rainer Jensen/EPA

Voor Jahn verzachtte deze kennis uit de archieven zijn oordeel over zijn studievrienden; andere informatie maakte aan andere vriendschappen juist een einde. Zo verging het velen die hun Stasi-archief inzagen; sinds 1992 hebben ongeveer 3,5 miljoen burgers een aanvraag gedaan om hun dossier, of dat van een vader of moeder, door te spitten.

Jahn: „Het is mij erom gegaan dat er respectvol met de biografieën van al deze mensen wordt omgegaan, en het de volgende generatie mogelijk wordt gemaakt een gesprek aan te gaan met ouders of grootouders. Kijk, ik had een goed leven in de DDR, maar niet door de staat, maar ondanks de staat. En zo hebben veel mensen het ook beleefd: ze hebben het zichzelf naar de zin gemaakt. En ze kregen ook erkenning als ingenieur, of als arbeider. Kritiek op het systeem in de DDR wordt nu vaak als kritiek op de individuele burgers en hun levensloop opgevat, en dan zeggen partijen als Die Linke of de AfD: zien jullie wel, jullie worden geminacht. Onze opdracht was dat de dialoog over de biografieën van al die mensen kon plaatsvinden op basis van kennis.”