Richard Krajicek met de Gentlemen's Singles Trophy.

Foto UKWT

Terug naar die ene dag 25 jaar geleden, toen Richard Krajicek zijn jeugd terugverdiende

Wimbledon-titel Richard Krajicek Hij dacht in 1996 aan stoppen en wilde die zomer niet naar Londen afreizen. Richard Krajicek ging toch. En won Wimbledon, als enige Nederlander ooit. Zonder zijn vader op de tribune. Een reconstructie, 25 jaar later.

Zen Speaks

Zijn hoofd is rood aangelopen. Het shirt uit. Richard Krajicek ligt op zijn buik op een handdoek, op het groene hardcourt van de Australian Open, januari 1996. Zijn witte Nike-short is iets naar beneden getrokken, zodat de fysiotherapeut goed bij zijn gekwetste onderrug kan. De man smeert zalvende hot cream en kneedt de gewrichten. Krajicek voelt pijnscheuten door zijn lichaam trekken. Om de spieren te ontspannen, slikt hij een pilletje.

Zijn lichaam is zijn wapen én vijand. Door zijn lengte (1,96 meter) en armen als hefbomen, kan hij veel snelheid ontwikkelen met zijn service. En is hij bijna niet te passeren aan het net. Maar fysiek is hij kwetsbaar, een wandelend stukje glas, zoals hij het zelf soms noemt. Vooral zijn knieën, met de meniscus die geregeld blokkeert. Om erger te voorkomen, onderhoudt hij zijn lichaam dagelijks met urenlange oefeningen.

Stuurs kijkt Krajicek voor zich uit, liggend op de baan. Eén misstap, één moment van twijfel – en hij ging door zijn rug. Het SI-gewricht, dat de verbinding vormt tussen rug en benen, schoot vast. Hij schudt zijn hoofd. Opgave, in de derde ronde tegen Jean-Philippe Fleurian. Hij is net 24, maar „misschien ben ik oud aan het worden”, zegt Krajicek tegen de pers.

Het stormt in zijn hoofd. Nóg professioneler, nóg beter worden – dat was het doel voor dit jaar. In aanloop naar dit seizoen heeft hij misschien wel harder gewerkt dan ooit. Hij is afgetraind, weegt net iets boven de 90 kilo. Al maanden zit hij dicht tegen de toptien van de wereld aan. Hij wil de laatste stap maken. Grandslams winnen, richting de absolute top.

„Is dit dan mijn beloning?”, vraagt hij zich af. „Dat ik een nieuwe blessure krijg?” Hij kan de kritiek wel uittekenen. „Krajicek raakt al geblesseerd als hij aan tennis denkt”, roept Andre Agassi na de opgave. „Misschien is het wel psychosomatisch”, zegt Krajicek, bijna reddeloos.

Op vakantie op Bali, kort voor de Australian Open, verdiepte hij zich onder een palmboom op een luxueus resort in het zenboeddhisme. Vriendin Daphne Deckers, al langer geïnteresseerd in deze leer, gaf hem voor de reis Zen Speaks cadeau, een stripboek gericht op ‘loslaten’ en ‘acceptatie’. Deckers denkt dat de inzichten hem kunnen helpen om te gaan met de lichamelijke en geestelijke spanningen die topsport met zich meebrengen.

Krajicek raakt niet uitgekeken op de simpele, grappige cartoons. Hij ziet in dat hij te veel bezig is met morgen, met zijn einddoelen. Zonder de weg daar naartoe op waarde te schatten. Hij neemt zich voor meer in het nu te leven. Hij is zo enthousiast over het boeddhisme dat hij, aangekomen in Australië, het boek Nothing Special koopt van de bekende Amerikaanse zenlerares Joko Beck. Hij leest het in een ruk uit.

Het geeft hem houvast bij problemen waar hij wakker van ligt, controlfreak als hij is. Blessures. De druk om te presteren. De breuk met zijn vader. Het leven na tennis. Uren peinst hij over de dood, dat het zo moeilijk te bevatten is dat het leven op een gegeven moment eindigt. Hij probeert het van zich af te zetten. „Waarom zou je je zorgen maken om iets wat er nog niet is?”

Richard Krajicek, die vroeger een dubbelhandige backhand sloeg, met zijn ouders Petr en Ludmila.
Foto’s Henk Koster

Hoezeer hij de nieuwe levensfilosofie ook omarmt, het kan de frustratie over zijn rugblessure niet wegnemen. In het vliegtuig van Melbourne terug naar Europa denkt hij voor het eerst aan stoppen. Dit bestaan is niet vol te houden, met een lichaam dat hem keer op keer gijzelt. Die gedachten drukt hij weg. Ook omdat ze hem beangstigen – wat zou hij zonder tennis moeten? Vanaf zijn vijfde doet hij bijna niets anders, nadat zijn vader hem op zijn derde voor het eerst meenam naar de tennisbaan.

Wel besluit hij minder veeleisend te worden. Minder streng op zijn voeding te letten. Minder consciëntieus met zijn oefeningen. Soms laat hij een training lopen. Meer ontspanning, minder professioneel. Heel anders dan de manier waarop hij het seizoen inging.

Krák, hoort Krajicek. Hij heeft net gespeeld op het toernooi in Antwerpen, eind februari, als hij na een hete douche in het hotel zijn rug rekt. Het SI-gewricht zit sinds de Australian Open nog altijd vast. Specialisten hebben al veel geprobeerd, los kwam het niet. Tot nu. Hij slaakt een diepe zucht. Eindelijk verlost.

Ziek van verdriet

In de slaapkamer, aan de rand van het bed, probeert Krajicek nog wat tegen hem te zeggen. Dat hij een mooi gezin achterlaat. Dat hij twee geweldige kinderen voortbracht. Dat hij veel heeft betekend voor de familie. Iets terug zeggen lukt Fred, vader van boezemvriend Paul Dogger, niet.

Krajicek is speciaal naar Nederland gevlogen. De hele dag is hij erbij, aan de Bolestein in Amsterdam, zondag 10 maart 1996. Met Paul loopt hij rond het middaguur door het Amsterdamse Bos, om er even uit te zijn. „Over acht uur heb ik geen vader meer”, zegt Dogger tegen Krajicek. Hij telt af, om de dag beter door te komen.

Fred wil die zondagavond nog per se Studio Sport kijken, voor de samenvatting van Ajax. Twee dagen eerder gaf Fred een teken dat hij niet meer wilde. Gesloopt door multiple sclerose – al vijftien jaar zat hij in een rolstoel.

In zijn jeugd komt Krajicek graag bij het gezin. De ongedwongen sfeer daar kent hij thuis niet. Daar staat alles in het teken van presteren. Zijn vader Petr, die met zijn moeder Ludmila in 1970 vluchtte uit communistisch Praag, zei vaak dat hij het verschrikkelijk vond dat zijn eigen vader hem nooit pushte om ergens goed in te worden. Dat gemis projecteert hij later op zijn zoon en diens tenniscarrière.

Krajicek is blij dat hij soms even uit dat regime kan ontsnappen en gewoon kind mag zijn bij de familie Dogger. Daar is het altijd een gezellige, georganiseerde chaos. Hoe druk het ook is, iedereen mag aanschuiven voor het eten. Hun motto: alles kan, niets moet.


Waar Dogger wordt vrijgelaten als het om tennis gaat, eist Krajiceks vader volledige toewijding. Als Richard even geen zin heeft om te trainen, wordt dat niet geaccepteerd. Hij bepaalt wat er gebeurt. „Mozart is ook niet op zijn tiende opgehouden met piano spelen”, zegt Petr later tegen journalisten. Als hij zijn zoon toespreekt na een mindere wedstrijd, kan hij in woede ontsteken. Helemaal als Richard er tegenin gaat.

Krajicek en Dogger zijn in de jeugd bijna onafscheidelijk. De een verlegen, de ander een losbol. Ze trekken langs toernooien, zijn in hun leeftijdscategorie vrijwel onverslaanbaar en spelen om die reden vaak finales tegen elkaar. Krajicek vindt de wilde avonturen van de goed gebekte Dogger schitterend. Zijn maatje ligt goed bij de meisjes, terwijl Krajicek netjes op zijn kamer blijft. Via ‘Paultje’ gaat er een wereld voor hem open.

Als laatste niet-familielid zit hij er nog, kort voor de dokter de prik toedient. Hij probeert zijn tranen te bedwingen, maar dat lukt niet meer als hij het gezin achterlaat in de slaapkamer. Krajicek huilt om alles. De onvermoeibare zorg van Pauls moeder Marja voor haar man, het soort liefde dat ontbrak in het gestrande huwelijk van zijn eigen ouders. De dood van Fred. De aftakeling van Paul door drugsproblemen. De onvoorwaardelijke band tussen vader en zoon Dogger. Waardoor hij zich nogmaals realiseert hoe slecht de relatie met zijn eigen vader is.

Ziek van verdriet wordt Krajicek de volgende dag met hoge koorts wakker. Hij had beloofd met Dogger te gaan hardlopen in het bos, maar moet afbellen. Op de begrafenis, een paar dagen later, draagt Krajicek de kist, samen met Dogger en andere vrienden van de familie. Hij moet door zijn knieën buigen, om het hoogteverschil tussen de dragers niet te groot te laten worden.

Als Krajicek later die maand een groot toernooi in Miami speelt, voelt hij zich leeg, maar ook onbevangen. Nog nadrukkelijker probeert hij het leven te nemen zoals het komt.

Krajicek en Dogger zijn in de jeugd bijna onafscheidelijk. De een verlegen, de ander een losbol.

Krajicek in zijn kamer met Paul Dogger (rechts).Foto privé-archief

Angst voor gras

Daphne Deckers heeft een droom. Ze schrikt er zelf van, zo levensecht. Krajicek is net met spierpijn wakker geworden in hotel Le Parc in Parijs, begin juni 1996. De dag ervoor is hij in de kwartfinale van Roland Garros uitgeschakeld door Jevgeni Kafelnikov. Deckers weet precies wanneer ze beter even niks kan zeggen na een nederlaag. Nu kan ze zich niet inhouden.

„Ik ben eigenlijk niet zo verdrietig meer over gisteren”, zegt ze opgewekt. „Ik heb vannacht gedroomd dat je Wimbledon gaat winnen. Ik heb het gewoon zien gebeuren.”

Met een droge blik kijkt Krajicek haar aan. „Heb je er ook een datum bij gedroomd?”

„Dat niet”, zegt ze. „Wel dat het gaat gebeuren.”

„Lekker veel houvast”, reageert Krajicek.

Haar visioen is Krajicek alweer vergeten, als hij ruim een week later overweegt Wimbledon te laten schieten. Op Rosmalen, een voorbereidingstoernooi op gras, heeft hij net in de kwartfinale verloren van Paul Haarhuis. Zijn coach Rohan Goetzke is meteen weg, teleurgesteld als hij is over de negatieve houding van Krajicek.

Hoewel hij twee jaar eerder Rosmalen won, voelt Krajicek zich nog altijd angstig op gras. In het begin van zijn carrière haatte hij het zelfs om op deze ondergrond te spelen. Met zijn serve-and-volley-spel wil hij vrijuit naar voren kunnen bewegen. Maar zijn voeten hebben weinig grip, hij is bang uit te glijden.


Dat is deels weggenomen door een aantal karatelessen het jaar ervoor, waar hij bewust goed leerde vallen. En hij trekt nu voor iedere wedstrijd een nieuw paar grasschoenen aan, met kleine rubberen nopjes. Aan de voorkant, bij de punt, zitten de nopjes die het snelst afslijten door de druk bij het afzetten. Waar hij voorheen pas na een aantal wedstrijden van schoenen wisselde – en geregeld uitgleed – heeft hij nu iets meer stabiliteit.

Maar de mentale blokkade zit diep.

Krajicek belt Goetzke, na de deceptie tegen Haarhuis. De Australiër, normaal de rust zelve, wordt pissig als hij hem aanhoort.

Krajicek is zo negatief over gras, dat hij vreest dat het doorwerkt richting het Amerikaanse hardcourtseizoen later in de zomer, zegt hij tegen Goetzke. Zijn voorstel is Wimbledon over te slaan en zich te richten op de tweede seizoenshelft. Hij wil nu eerst tien dagen op sportvakantie naar Oostenrijk: langlaufen, fietsen, hardlopen, krachttraining. Heeft hij vaker gedaan, hij kwam altijd opgeladen en fitter terug.

Onzin, zegt Goetzke. Hij probeert Krajicek duidelijk te maken dat hij beter is gaan bewegen en dat hij ook progressie boekt in zijn returns. Maar dat hij veel te zelfkritisch is en zich zo de put in praat. Dát moet veranderen.

„Zet die knop om”, zegt hij „Je bent gevaarlijk op gras. Accepteer een paar fouten, het andere deel is goed. De meeste spelers zouden willen dat ze jouw spel hadden.”

Zelden botsen ze, nu is het zover. Goetzke wordt steeds feller. „Het is het grootste toernooi ter wereld, zoveel kansen krijg je niet meer. Dit is het toernooi dat je kan winnen. Als je nu op vakantie gaat, kun je beter op vakantie blijven.”

Krajicek hoort het aan, maar is niet overtuigd. Hij besluit even af te wachten. Het is vrijdag, hij heeft nog tot maandag om zich officieel terug te trekken voor Wimbledon. „Ik laat je voor die tijd wel weten of we gaan of niet.”

Zondag belt hij Goetzke.

I’m good”, zegt Krajicek. „Let’s go for it.”

Great”, zegt Goetzke. „I’ll see you on the court.”

Een gelukje

Krajicek heeft een plan. Hij las een artikel over Andre Agassi die in plaats van op gras, vrijwel alleen maar op hardcourt trainde in het jaar dat hij Wimbledon won. „Dat kan mij ook helpen”, denkt hij. Naast zijn instabiliteit, stoort Krajicek zich op gras aan ballen die doorschieten en aan de slechte, ongelijke stuit. En door de korte rally’s komt hij niet in zijn ritme, wat fataal is voor zijn balgevoel én vertrouwen. Op het egale hardcourt lukt hem dat wel.

„Wacht eerst maar tot ik een potje heb gewonnen”, zegt Krajicek tegen zijn vriendin, als hij vijf dagen voor Wimbledon naar Londen reist met Goetzke. Hij heeft liever dat Deckers voorlopig in Nederland blijft. „Anders ben je geland en kan je weer omdraaien”, zegt hij. Dat overkwam haar een jaar eerder.

Hij neemt zijn intrek in een suite van het Conrad Hilton, in Chelsea Harbour, bij de Theems. Het hotel was het enige positieve aan zijn deelname een jaar eerder. Hij huurde altijd een huis dicht bij Wimbledon – handig in geval van lange regenpauzes, je bent zo thuis. Maar Krajicek vindt room service belangrijk. Een eigen kamer heeft ook zijn voorkeur. Hij is niet zo’n kamerdeler, hoe graag hij Goetzke ook mag. Hij haat slaapfabrieken, maar dit is uitstekend. Er zit een goed Thais restaurant om de hoek. En ze hebben zelfs een videotheek in het hotel.


Dit wordt niks, denkt Krajicek tijdens zijn eerste training op Wimbledon op vrijdag. Alsof hij op gras bijna niet kan tennissen. Terwijl hij een dag eerder Michael Chang nog versloeg in een demonstratietoernooi in Roehampton, verderop in Zuidwest-Londen. Ook op gras.

Hij moet naar hardcourt. Tussen ijverige amateurs, niet ver van Wimbledon, traint hij zaterdag op een openbaar tennispark. Daar is altijd wel een baan vrij. Een half uur, meer heeft hij niet nodig. Hij voelt het vertrouwen weer terugkomen. Puur mentaal.

Krajicek heeft een gelukje, hoort hij. Hij is toch geplaatst, als Thomas Muster zich op het laatste moment afmeldt. Door zijn slechte prestaties op Wimbledon in het verleden heeft de organisatie Krajicek, nummer dertien van de wereld, aanvankelijk geen beschermde status gegeven. Nu hij die wel heeft, ontloopt hij sterke tegenstanders in de eerste rondes. En hij krijgt meer kaartjes, kan trainen op wedstrijdbanen en zijn coach heeft recht op eigen vervoer.

Krajicek is gespannen. Níet verliezen in de eerste ronde, zoals de afgelopen twee jaar gebeurde, is het belangrijkste. Dan is Wimbledon 1996 eigenlijk al geslaagd.

Toeschouwers schuilen onder paraplu’s als Cliff Richard ‘Summer Holiday’ inzet op het centercourt

De Engelse zanger Cliff Richard vermaakt het publiek tijdens een van de vele regenpauzes in 1996 op Wimbledon. Meervoudig kampioene Martina Navratilova (rechts achter Richard) doet vrolijk mee.Foto Nils Jorgensen

Nieuwe laptop

Krajicek weet niet wat hij er precies mee wil, en ook niet hoe het werkt. Maar het lijkt hem wel wat. Een laptop, voor op reis. Internet komt opzetten, hij hoort iedereen erover. Zijn goede vriend Rodger Linse, die hem eerder als sportjournalist volgde, kent wel iemand die het apparaat kan installeren. Ene Peter, systeembeheerder bij het blad Sport International, waarvoor Linse heeft geschreven.

„Hij installeert hem helemaal voor je”, zei Linse tegen Krajicek na Roland Garros. „Ik regel dat. Geen probleem.”

In Den Haag neemt Linse verbaasd op, als Krajicek hem vanaf zijn hotelkamer in Londen belt na de eerste ronde tegen Javier Sánchez. Hij dacht dat Krajicek Wimbledon zou laten schieten.

„Hoe is het gegaan?”, vraagt Linse enthousiast.

„Gewonnen, maar hoe zit het nou met dat ding?”, reageert Krajicek kortaf. „Dat had toch al voor Wimbledon klaar moeten zijn?”

„Ja, dat komt goed. Maak je geen zorgen”, zegt Linse. „Maar hoe is het daar?”

Krajicek gaat er niet op in. „Heb je Peter al gesproken? Bel hem anders even.”

Zo gaat het ook na de tweede ronde, tegen Derrick Rostagno. Alles moet geordend zijn bij Krajicek. Als iets niet is opgeruimd, of niet klaarligt voor de volgende ochtend, kan hij daarvoor zijn bed uitkomen. En dít is niet geregeld. In zijn beleving had hij de laptop al lang moeten hebben.

In een roes

Stanley Franker verlaat de tribune. Hij trekt het gestuntel niet langer. De bondscoach heeft het idee dat Krajicek het laat lopen. Dat hij bewust ballen te hard slaat. Zonde van mijn tijd, denkt Franker. Bovendien vindt hij het te koud en winderig op baan 2, de ‘graveyard’ genoemd omdat veel kampioenen hier in het verleden sneuvelden.

’s Ochtends bij de training is hij al geïrriteerd, voor zijn derde rondepartij tegen Brett Steven, die in Nieuw-Zeeland opgroeide op grasbanen. Terwijl Krajicek de eerste twee rondes probleemloos doorkwam. Maar uit het niets is de negativiteit terug – de wegwerpgebaartjes, de wantrouwende blik naar het gras, het zuchten.

Gedragsverandering gaat niet snel, weet hij. Net zoals zijn moeizame verhouding met gras ook tijd vergt. Op de snelle ondergrond moet je soms gokken, durven gáán voor slagen. Karakterologisch is Krajicek bang om fouten te maken. Miste hij vroeger, dan kreeg hij het te horen van zijn vader. Daarom sloeg hij in zijn jeugd bijna alles met een boogje terug.


Als hij de tweede set verliest, is Krajicek met zijn hoofd al half op vakantie in het Oostenrijkse Ramsau am Dachstein, gepland na Wimbledon. Goetzke gebaart driftig. „Get over it”, zegt hij met ingehouden woede. Krajicek denkt even aan de zenboeken die hij heeft gelezen. Loslaten. Accepteren.

Zo wil hij niet op vakantie, zegt hij tegen zichzelf. Als hij met dit gedrag verliest, komt precies uit waarom hij überhaupt niet naar Wimbledon wilde. „Ik ga nu gewoon vrij spelen”, neemt hij zich voor. „Stuitert de bal slecht, dan is dat maar zo. Win ik, prima. Verlies ik, ook prima. Als het maar met een positieve houding is.” Hij laat het van zich afglijden, speelt onverstoorbaar.

Als Krajicek van de baan loopt, komt hij Goetzke tegen. Die staat klaar om hem toe te spreken. Je hebt gewonnen, maar je groef bijna een gat voor jezelf, wil hij zeggen.

Krajicek is hem voor.

Don’t worry”, zegt hij. „I’m okay.”

Goetzke slikt zijn woorden in. „Good to hear”, knikt hij. „Good win.”

Hij heeft het misschien nodig gehad. Een psychologische zege – op zichzelf. Soms moet je in het tennis eerst de afgrond zien, om in een roes te komen. Dat proces ondergaat Krajicek binnen drie dagen.

Hij ziet de bal als het ware steeds groter worden. Alsof hij niet kan missen. Het voetenwerk, de timing, de slagen – het gaat vanzelf. Op die roze wolk verslaat hij in de vierde ronde Michael Stich, de Wimbledon-kampioen van vijf jaar eerder. In de tiebreak van de tweede set doet Krajicek iets wat hij anders bijna nooit demonstreert: twee schitterende enkelhandige backhandreturns voluit geslagen.

Per ongeluk is het de meest briljante verandering in zijn carrière, vindt Krajicek zelf: zijn switch van een dubbelhandige naar een enkelhandige backhand. Zestien is hij als zijn trainer Cees Houweling de slag aanpast, hij vindt de dubbelhandige variant te kwetsbaar. Maar zijn enkelhandige backhand blijkt in de jaren erna ook te zwak om vanaf de baseline te domineren. Noodgedwongen ontwikkelt Krajicek zich tot serve-and-volley-speler, wat hij zonder enkelhandige backhand nóóit zou hebben gedaan. Hij moet tegen zijn natuur in aanvallen, om zijn mindere kant te verbloemen.

Die zwakke schakel is nu plots een extra wapen. Hij zal het nodig hebben. Pete Sampras wacht.

 


Samenvatting van de kwartfinale waarin Krajicek won van de Amerikaan Pete Sampras, die Wimbledon drie keer op rij had gewonnen.

 

Summer Holiday

Knock. Knock. „Room service!” Een regenachtige woensdagochtend, 3 juli 1996. American pancakes, met aardbeienjam voor Krajicek. Net als de dagen daarvoor. Ernaast yoghurt en cornflakes, met wat fruit. Op zijn gewicht let hij niet meer sinds begin dit jaar – met 96 kilo is hij ruim vier kilo zwaarder dan normaal. Vanuit bed kijkt hij met Daphne tekenfilms op Cartoon Network, een routine waar ze net als de dikke pannenkoekjes niet meer van afwijken.

Haar Ralph Lauren-petje moet mee voor de kwartfinale tegen Sampras. Dan blijft hij winnen, net als in de eerdere partijen. Daphne gaat er zelf in geloven. Het petje is donkerblauw en een beetje versleten. Eerst had ze hem alleen op tegen de zon. Nu durft ze de talisman niet meer af te zetten.

’s Ochtends oefent Krajicek nog even zijn returns op de stevige service van Peter Wessels. Eerder in de week is het 18-jarige talent door Goetzke gevraagd voor een opwarmtraining. Dat bevalt zo goed, dat ze het daarna elke dag doen. De verlegen Wessels, die sterk speelt in het juniorentoernooi, is vertrouwd gezelschap voor Krajicek. Hij kan Nederlands met hem praten en kent de jongen al langer. Wessels durft bijna niks te zeggen tegen zijn voorbeeld, maar stilletjes hoopt hij dat ze beiden het toernooi winnen.

Daphne Deckers weet niet goed wat ze moet zeggen. Succes? Je kan het? Elk woord lijkt te veel

Daphne Deckers te midden van familie en vrienden van verliezend finalist MaliVai Washington.Foto A. Seitz/Gamma

You have to stick with him. And come out big”, zegt Goetzke tegen Krajicek. „Remember, he doesn’t like to play you.” Veel aansporing heeft Krajicek niet nodig. Hij is ervan overtuigd dat hij Sampras, nummer één van de wereld en de afgelopen drie jaar winnaar op Wimbledon, kan verslaan. Dat lukte hem al twee keer, onder meer in Rotterdam voor de Davis Cup. Het aanvalsplan is simpel: constant de mindere backhand van de Amerikaan aanvallen.

Dít doet Wimbledon dus met Sampras, denkt Krajicek. Zo heeft hij hem nog niet eerder meegemaakt. Hij overrompelt Krajicek, met zijn agressieve returns. In de derde game, die twaalf minuten duurt, moet Krajicek vijf breakpoints wegwerken. Hij overleeft de storm.

Toeschouwers schuilen onder paraplu’s als Cliff Richard Summer Holiday inzet op het centercourt. Wéér regent het – het is een van de natste Wimbledons in jaren. Al drie uur is het wachten op het vervolg van Sampras-Krajicek. Het publiek zingt en swingt mee met de Britse zanger, lid van de tennisclub op Wimbledon. Verschillende tennissters sluiten zich bij hem aan, onder wie Martina Navratilova, als achtergrondkoortje. De BBC zendt het live uit, de beelden gaan de wereld over.


Krajicek krijgt er weinig van mee. In de spelerslounge leest hij wat en praat een beetje met Goetzke. Pas als de wedstrijdleiding doorgeeft dat het opklaart en ze straks waarschijnlijk weer de baan op kunnen, gaat hij zich opwarmen en voelt hij de wedstrijdspanning terugkomen. De hele tijd ‘strak’ staan werkt contraproductief.

Krajicek weet dat hij in Sampras’ hoofd zit. Met zijn dominante service en volleys geeft hij de Amerikaan geen ruimte zijn eigen spel te spelen. Sampras slaat het liefst één of twee aanvallende forehands na zijn service, en komt dán naar het net. Nu voelt hij zich gedwongen direct serve-and-volley te spelen, om Krajicek voor te zijn. Het publiek kijkt verwonderd als Krajicek na de eerste set ook de tweede wint: 7-5 en 7-6.

Niets lijkt mis te kunnen gaan.

Ademnood

Nee toch, denkt Krajicek. Hij ziet het op tv, als hij al binnen is. De kwartfinale is even daarvoor, half acht woensdagavond begin derde set, opnieuw stilgelegd. Het dekzeil wordt meteen over de baan getrokken, maar bij de check ontbreekt een van de zeventien groundsmen.

Ene Mark Hillaby is eronder verdwenen, nadat hij met zijn hoofd tegen het metalen frame van het doek klapte. Als hij is bevrijd, behandelt een arts hem meteen op de baan – door ademnood was hij even bewusteloos. Vandaag spelen ze niet meer, realiseert Krajicek zich. Er is te veel regen op het gras gevallen.

Dit is niet goed voor mij, denkt Krajicek. Dit kan de kentering worden, piekert hij in de auto naar het hotel. „Sampras heeft nu de hele nacht om tot rust te komen en met zijn coach te praten. En zelf ben ik het momentum kwijt.” Het zal wel het geluk van de nummer één van de wereld zijn – een gedachte die hij meteen weer los probeert te laten.

Maar in bed ligt hij nog een uur wakker. „Als Sampras de derde set wint, kan dat. Dan moet ik niet denken dat het door het incident komt”, praat hij op zichzelf in. „Dan gaat het zeker fout.”

Goetzke redeneert de volgende ochtend tijdens de wedstrijdbespreking juist andersom. „Psychologisch zit jij nog in zijn hoofd. Hij weet: ik moet drie sets op rij winnen tegen Krajicek.” Houd het simpel en blijf bij je routines, zegt Goetzke. „Punt voor punt, denk niet aan de finishlijn.”

Krajicek is messcherp en wint ook de derde set, in 22 minuten. De vriendin van Sampras draait zich na het laatste punt om naar Deckers op een stoeltje achter haar in de spelersbox. „I think we saw the new champion today”, zegt ze. „Congratulations.”

Als Krajicek naar het net loopt, denkt hij ongeveer hetzelfde. Bewust viert hij de zege ingetogen. Hij wil geen ontlading, nu nog niet. Van binnen juicht hij wel als hij hoort dat hij in de halve finale niet tegen angstgegner en servicekanon Goran Ivanisevic speelt, maar tegen Jason Stoltenberg. Hij heeft geen wapens.

Die avond gaat de telefoon in het huis van Jan en Tineke Naaktgeboren in Rotterdam. Tineke neemt op, Jan is nog in de praktijk. Hij is fysiotherapeut en behandelt Krajicek vaak. „Je neemt hem mee, maar je hebt er niks aan”, zegt Krajicek soms grappend over Naaktgeboren. De realiteit is dat hij hem vaak nodig heeft – en nu helemaal. Krajicek heeft lichte schouderklachten.

„Kan Jan hierheen komen?”, vraagt Krajicek.

„Natuurlijk”, zegt Tineke. „Ik ga het regelen.”


De volgende dag vliegt Naaktgeboren vanaf Rotterdam Airport naar Londen – met zijn krachtige, langwerpige handen als belangrijkste gereedschap. De kosten voor de afgezegde afspraken in zijn praktijk vergoedt Krajicek. Die wacht vrijdag door de vele regen zeven uur voor niks op zijn halve finale tegen Stoltenberg, die wordt verplaatst naar zaterdag.

Rodger Linse is zaterdagmiddag net klaar met een potje voetbal met vrienden in Amsterdam, als zijn telefoon gaat. Uit bijgeloof kijkt hij Krajiceks wedstrijden niet op tv, omdat het meteen minder ging toen hij een paar games tegen Sampras zag. Als hij opneemt, weet hij nog niet dat zijn vriend Stoltenberg heeft verslagen.

„Ja, het is al geregeld met die computer”, zegt Linse vrijwel direct.

„Nee, maakt niet uit”, zegt Krajicek. „Ik speel morgen de finale, je moet morgenochtend om half zeven op Rotterdam Airport zijn. Daar staat een privéjet klaar. Want jij moet erbij zijn. Alles is geregeld.”

Die afspraak hebben ze al een paar jaar staan, voor als hij een grandslamfinale zou halen. Met een jeugdvriend, en de moeder van Krajicek, vliegt Linse de volgende dag naar Londen.

Dit wordt hem fataal, denkt Krajicek. Zaterdag ziet hij MaliVai Washington juichend op zijn knieën gaan, na zijn comeback in de halve finale tegen Todd Martin. „Hij valt te vroeg”, zegt hij tegen zijn vriendin. Een grotere kans om Wimbledon te winnen zal ik nooit krijgen, beseft Krajicek. Washington is ongeplaatst en geen grasspecialist. Hij voelt meteen de druk toenemen. En begint een psychologisch spelletje met zichzelf. „Híj heeft ontlading, is al blij met dit resultaat”, denkt hij. „Ik niet.”

Krajicek loopt naar de videotheek beneden in het hotel, zaterdagavond. Hij wil vermaakt worden. Een beetje actie, niet te soft. Braveheart heeft hij al eens gezien, die vond hij goed. Hij kan wel iets nieuws proberen, maar straks bevalt het niet en gaat hij met een slecht gevoel slapen. Geen risico’s nu. Hij pakt resoluut de video van Braveheart.

Wit schortje

Zondagochtend, 7 juli. Krajicek spoelt de band terug. Hij wil nog een keer de scène zien waarin de Schotse vrijheidsstrijder William Wallace, gespeeld door Mel Gibson, zijn troepen toespreekt voor een grote veldslag tegen de Engelsen. „They may take our lives but they will never take our freedom!”, roept Wallace. Krajicek grijnst, dit voelt goed. Hij ligt op bed, terwijl Naaktgeboren zijn rechterschouder losmaakt.

Deckers weet niet goed wat ze moet zeggen. Succes? Je kan het? Elk woord lijkt te veel. Ze is benaderd door Ralph Lauren: of ze tegen betaling een petje met een groter merklogo wil dragen tijdens de finale. Dan snap je dus niet hoe het werkt, denkt ze.

Om half elf stapt Krajicek in de taxi richting Wimbledon, met Goetzke en Naaktgeboren. Ze hebben weinig gespreksstof – spreken over de wedstrijden doen ze al helemaal niet. Wanneer ze arriveren tikt een politieagent op het raam en wijst naar Krajicek. „Ik heb mijn geld op je ingezet!” Hopelijk stel ik je niet teleur, reageert Krajicek met een ongemakkelijk lachje. „Nu sta je onder grote druk, maat”, knipoogt Goetzke.

Krajicek blijft stug naar haar gezicht lachen, is zich meteen bewust van het beeld dat dit kan opleveren

Als Krajicek en Washington voor de fotografen poseren, zien zij Melissa Johnson half naakt aan zich voorbij rennen.Foto RBP Press

Wimbledon is nog verlaten, de kleedkamers vrijwel leeg. Krajicek speelt een uur warm met Wessels, die in de halve finales van het juniorentoernooi verloor en straks al terugvliegt naar Amsterdam. Goetzke neemt Krajicek na de lunch even apart. „Hier heb je voor gewerkt. Neem je tijd, blijf ademen, don’t rush. Geloof erin. Jouw spel is beter. Je weet wat je moet doen. Geniet ervan.” Ze omhelzen elkaar kort.

Het is even voor tweeën, het centercourt zit al bijna vol. In de catacomben lopen Krajicek en Washington van een trap, een klapdeur door, linksaf een wachtkamer in. Het is stil. Tot een deftige man met een soort witte doktersjas binnenkomt, verantwoordelijk voor het dragen van de tennistassen.

De man vraagt op welke stoel ze straks willen zitten – links of rechts van de umpire. Rechts, zeggen ze beiden. Daar zat Krajicek ook tijdens zijn partij tegen Sampras, en vanaf die plek is het makkelijker communiceren met Goetzke. Ze moeten tossen, zegt de man. Krajicek kiest kop, als altijd. Hij wint.

Krajicek gaat als eerste de houten groene deur door die naar de baan leidt. Even trekt hij zijn hoofd in zodat hij zich niet stoot. Het hoekje om, achter de man met de tassen langs, het gras op. Tot ze zich ter hoogte van de servicelijn omdraaien en buigen voor de royal box. Heel even schiet zijn vader door zijn hoofd, wiens droom dit ook is geweest. Die gedachte drukt hij meteen weg. Negatieve emoties kan hij nu niet gebruiken.


Hij zoekt oogcontact met Goetzke. Met een schuin oog ziet hij ook Deckers en Franker zitten. De samenstelling van zijn spelersbox heeft Krajicek bewust intact gelaten – hij wil daar nu niet plots mensen hebben die er eerst niet waren. Straks verstoort het de dynamiek.

Krajicek kijkt de bovenste ring helemaal rond, neemt het stadion en de mensen in zich op. Door te accepteren waar je staat, kan het publiek niet op je drukken, leerde hij van de Rotterdamse haptonoom Ted Troost, die hem eerder begeleidde. Krajicek doet het voor elke wedstrijd.

Hij hoort aan de opwinding dat er iets is, wanneer hij met Washington bij het net poseert voor de fotografen. Als Krajicek even naar links kijkt, ziet hij Melissa Johnson half naakt aan zich voorbij rennen. Even trekt ze haar witte schortje omhoog.

Krajicek blijft stug naar haar gezicht lachen, is zich meteen bewust van het beeld dat dit kan opleveren. De ogen van Washington dalen heel even naar beneden. De streaker, die als serveerster werkt op Wimbledon, is door een boulevardblad betaald voor de actie. Het breekt gelijk de spanning.

Het is vijf voor zes, als de zon langzaam naar het noorden draait. Na vier uur, met drie regenonderbrekingen, zit Krajicek in een zetel – hij leidt met 6-3, 6-4 en 4-1. Dan serveert hij tegen de zon in, vanaf rechts op de zuidelijkste baanhelft. Krajicek probeert het felle licht te ontwijken met zijn opgooi. Maar in zijn sprints naar het net raakt hij heel even verblind. De desoriëntatie helpt Washington. Die leeft op en pakt één van de twee breaks terug.

Krajicek calculeert, als Washington bij 5-3 serveert. Om energie te sparen laat Krajicek soms returngames lopen, nu gaat hij jagen. Anders moet ik straks tegen de zon in voor de Wimbledontitel serveren, denkt hij. Die gedachte maakt hem onrustig. Ook omdat de zon steeds ongunstiger gaat staan.

Het begint licht te suizen in het hoofd van Deckers. 15-40 Krajicek, twee matchpoints. Washington slaat een scherpe, wegdraaiende service in de forehandhoek van Krajicek. Normaal zou hij hem laten lopen – te moeilijk. Als hij naar de bal reikt, glijdt hij met zijn linkervoet uit op het glibberige gras. Deckers verstijft, denkt gelijk aan een blessure. Maar hij krabbelt op. Zijn eerste matchpoint is weg – return in het net.

Op zijn achtste ziet Krajicek Björn Borg Wimbledon winnen, juichend op zijn knieën. Zo wil hij het ook – ooit. Foto Gary M. Prior/Allsport UK

 

Het is zes over zes. „Let’s get it done, Richard, come on”, denkt Goetzke. Tweede service Washington, Krajicek brengt de bal voorzichtig terug. Gespannen, ingehouden rally. De zevende bal komt iets korter, Krajicek anticipeert, wil gaan aanvallen. De bal stuit onverwacht een beetje naar hem toe en in zijn reflex slaat hij een streep van een forehand.

Zijn arm wordt zwaarder als Krajicek naar voren komt, hij vreest een bal laag over het net. Washington gaat diep door zijn knieën om zijn backhand in stelling te brengen. Krajicek leest de bal. Dit wordt een moeilijke volley, denkt hij.

Krajicek is het nooit vergeten. Op zijn achtste ziet hij Björn Borg Wimbledon winnen, juichend op zijn knieën, na een waanzinnig gevecht tegen John McEnroe. Zijn slaapkamertje hangt in die jaren vol met posters van de Zweed. Zo wil hij het ook – ooit. Maar bewust doet hij het niet, zestien jaar na Borg. Het gaat vanzelf. Even twijfelt hij nog. „Was het wel matchpoint?”

Trots in Den Hoorn

Gespannen zit Petr Krajicek op de bank voor de tv in zijn woning in Den Hoorn, een dorp bij Delft. Hij blaast van opluchting, als de laatste bal van MaliVai Washington net onder de netband belandt. Zijn zevenjarige dochter Michaëlla, halfzus van Richard, speelt in de kamer met barbiepoppen, samen met een vriendinnetje. Veel interesse in de wedstrijd hebben ze niet.

Petr Krajicek raakt emotioneel, trots als hij is op zijn zoon. Trots dat hij hem heeft kunnen helpen. Al een jaar heeft hij geen contact met Richard. Maar míjn zoon heeft Wimbledon gewonnen, denkt hij. De kwartfinale en halve finale kon hij door andere bezigheden niet zien, dit wilde hij niet missen.

Dat hij er niet bij mag zijn in Londen, steekt diep van binnen, al zal hij dat niet snel toegeven. Petr coachte Richard tot en met zijn vijftiende, waarna hij op afstand komt te staan na de scheiding van zijn vrouw Ludmila. Richard, klaar met zijn dominante vader, kiest voor zijn moeder. „Die pijn was verschrikkelijk”, vertelt Petr later in een interview. „Mijn zoon was voor mij alles.”

Petr bouwt een nieuw gezin op met zijn tweede vrouw – en werkt met dochter Michaëlla aan een tweede tenniscarrière. Af en toe is er nog contact met Richard, maar het lukt niet normaal met elkaar om te gaan. Zeker als het over tennis gaat, ontaardt het al snel in ruzie. Richard is wel onderdeel van hun leven, maar alleen via tv. Zoals vandaag. Op afstand.

Een envelop

Ze praten ingehouden, bijna fluisterend. Verderop in de kleedkamer zit Washington met zijn broer, die hem troost. Krajicek voelt zich opgelaten, wil zijn vreugde niet tonen. Dat kan ik niet maken tegenover hem, denkt hij.

Met z’n drieën staan ze om Krajicek. „I told you you could do it, wanker”, zegt Goetzke zacht. „The monkey is off your back.” Tom Okker, halve finalist in 1978 en door Krajicek uitgenodigd, spreekt respectvol. „Geweldig, historische prestatie.” Franker vraagt met welk racket hij het matchpoint speelde. „Mag ik die hebben?” Hij wil het veilen voor een goed doel in zijn geboorteland Suriname. Krajicek zet zijn handtekening op de greep, net als Washington.

Even na half negen rolt bij ondernemer Kees van Veen, die Krajicek zakelijk begeleidt en in zijn jeugd financieel steunde, een fax binnen. Gericht aan ‘de heer Richard Krajicek’. „In Italië hebben wij allen gekeken en verheugen ons van harte met u.” Afzender: Paleis Soestdijk – Juliana, Bernhard, Irene, Margriet en jongeren.

Krajicek moet opschieten. Het is al negen uur en hij staat nog steeds interviews te geven. Straks is hij samen met Steffi Graf, winnaar bij de vrouwen, de hoofdgast op het Champions’ Dinner in het chique Savoy Hotel. Black tie is verplicht. Krajicek wordt meegenomen naar een kleedkamer die, speciaal voor gasten die niet zijn voorbereid, is omgebouwd tot een soort modezaak, vol smokings en nette schoenen. In de haast doet Krajicek zijn vlinderdas scheef om.

Een medewerker van Wimbledon schrijft voor Krajicek nog snel een paar punten op een envelop die hij straks in zijn speech op het kampioenendiner kan gebruiken. Het toernooi bedanken, iets grappigs over de streaker. Eenmaal in zijn hotel gooit Krajicek de envelop weg. Maar hij bedenkt zich – waarom schreef die man het niet gewoon op een papier? Hij grist in de prullenbak, opent de envelop en ziet een cheque van 392.500 pond. Zijn prijzengeld.

‘I told you you could do it, wanker’, zegt Goetzke zacht. ‘The monkey is off your back.’

Krajicek toont de beker aan de fotografen op het centercourt. Foto Stu Forster / Allsport UK

Tweede keer is beter

Voor de stijlvolle, lichtblauwe muren in de Lancaster Room van het Savoy Hotel hangen een Nederlandse en Duitse vlag. In een aparte ruimte wachten Steffi Graf en Krajicek tot ze naar voren worden geroepen voor het Champions’ Dinner, het exclusieve traditionele slotfeest van Wimbledon. „Wat saai”, zegt Krajicek met een ondeugend lachje tegen Graf. „Zeven keer Wimbledon winnen. Ik ben veel origineler. Ik win één keer.”

Rode Château Roc Taillade wordt geschonken en parelhoen met aardappelpuree opgediend, als Krajicek vanaf een lange tafel bijna verdoofd van geluk de zaal met honderd genodigden inkijkt. Hij krijgt een members tie overhandigd, als lid voor het leven van The All England Lawn Tennis Club. Vanaf nu kan hij altijd vrij spelen op de Wimbledonbanen.

Onder de kristallen kroonluchters zitten ze om zijn replicabeker – Deckers, Goetzke, Franker en radiocommentator Theo Bakker, die Krajicek vanwege hun goede band ook heeft uitgenodigd. „Voor de rest van je leven ben je Wimbledonkampioen”, zegt Goetzke tegen Krajicek. „Niemand kan dit meer van je afnemen.” Verderop zit Graf. Als Deckers de nummer één van de wereld vraagt of zij de menukaart voor haar wil signeren, schrijft die er voor Krajicek bij: „The second time is even better.”

Bij het dessert wordt Krajicek naar voren geroepen voor zijn speech. „Ik ben nu zenuwachtiger dan voor de finale, maar helaas komt er nu geen streaker voorbij rennen”, zegt Krajicek. „Misschien kan ik iets regelen met mijn vriendin?” De grap valt goed, ook bij de oudere leden van de All England Club.

Krajicek en Washington buigen voor de Royal Box.
Foto A.Seitz/Gamma
Krajicek tijdens het traditionele Champions’ Dinner met v.l.n.r. bondscoach Stanley Franker, vriendin Daphne Deckers en coach Rohan Goetzke.
Foto Henk Koster
Buigen voor de Royal Box. Krajicek tijdens het traditionele Champions’ Dinner met v.l.n.r. bondscoach Stanley Franker, vriendin Daphne Deckers en coach Rohan Goetzke.
Foto’s A.Seitz/Gamma, Henk Koster

Krajicek denkt even aan zijn vader, als hij na middernacht in zijn hotelkamer komt. Veel van wat hij vroeger voor ogen had, is verwezenlijkt. Hoe ingewikkeld hun relatie nu ook is, Krajicek realiseert zich hoe groot de rol van zijn vader is geweest. Maar hij weet dat als hij het moment wil verknallen, hij hem nu moet bellen. Hij vraagt zich wel af of hij de finale heeft gezien.

Twee dagen later. Krajicek zit op het balkon van zijn kleine studio in het centrum van Monaco, met zicht op de Middellandse Zee. Het daalt nu pas in, als hij voor het eerst na Wimbledon even alleen is. Tranen rollen. Hij denkt aan vroeger, wat het allemaal gekost heeft.

Alle stress die het tennis in het gezin gaf: als hij verloor, zorgde dat óók voor spanningen tussen zijn ouders. Als hij op de lagere school met een klassenuitje meewilde naar Duinrell, mocht dat niet van zijn vader. Want één middag niet trainen, betekende dat hij drie weken achter zou lopen. En als hij een wedstrijd speelde, liep zijn vader bij elke baanwissel mee naar zijn kant, zodat hij hem van dichtbij kon coachen.

Hij beseft: door deze titel heb ik mijn jeugd terugverdiend.

Epiloog

Muiderberg, een natte januaridag in 2000. Er loopt een vreemde man rond ons huis, zegt Deckers opgewonden tegen Krajicek. Die kijkt door het raam. „Dat is mijn vader.” Hij twijfelt of hij naar hem toe zal gaan, Deckers dwingt hem. Ze wil graag dat hun eerste kind Emma haar opa leert kennen. Zelf heeft ze hem ook nog nooit ontmoet – een half jaar eerder was hij niet op hun bruiloft.

Petr ziet ruimte voor verzoening, na een interview van zijn zoon in NRC. „Misschien zoek ik Petr op als ik mijn carrière beëindigd heb”, zei Krajicek. „Ik heb Petr niet uit mijn leven verbannen, hij blijft mijn vader.”

Met de krant onder zijn armen staat Petr voor het huis. Hij heeft net een brief door de brievenbus geduwd, waarin hij schrijft dat hij het tijd vindt de moeilijke periode achter hen te laten. Krajicek loopt de straat op, weet niet goed wat hij moet zeggen. „Papa”, zegt hij in gebrekkig Tsjechisch. Hij vraagt of hij binnen wil komen. Ze kussen elkaar op de wang.