Strijd tegen Molukkers (20 mei 1817). De Nederlandse troepen leden een verpletterende nederlaag. Aquarel van Quirijn M.R. Ver Huell

Foto Marc Pluim, Museum Arnhem

Interview

Extreem geweld was aan de orde van de dag in Nederlands-Indië

Petra Groen | militair historicus Nederland heeft in Indië extreem geweld gepleegd. Petra Groen is hoofdauteur van een boek over deze militaire geschiedenis. „Nederland maakte aanvankelijk de fout om de oorlog op Europese wijze aan te pakken.”

Brandende kampongs, afgehakte hoofden op staken. Soldaat Jurrien van Hensbergen is duidelijk in zijn dagboek: waar zijn colonne passeert, heerst de dood. „Overal waar men langs trok vond men schone gebouwen die allen door ons vernield en verbrand waren, daarbij werd geen levend schepsel wat vijand was verschoond, zelfs geen moeder met haren zuigeling.”

We zijn in Nederlands-Indië, op het eiland Java. Wie net de film De Oost heeft gezien, denkt misschien dat Van Hensbergen getuige was van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, die woedde tussen 1945 en 1949, maar dat is niet zo. De in Nijmegen geboren leraar vocht als vrijwilliger tijdens de Javaoorlog, die duurde van 1825 tot 1830. Extreem geweld, zo blijkt, was aan de orde van de dag in Nederlands-Indië, ook lang voordat de bevolking zich definitief aan de vreemde heerschappij trachtte te ontworstelen.

Bovenstaand verhaal komt uit het onlangs verschenen boek Krijgsgeweld en kolonie. Opkomst en ondergang van Nederland als koloniale mogendheid, 1816-2010, het vierde deel uit de reeks Militaire geschiedenis van Nederland, die verschijnt onder auspiciën van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. De institutionele oorzaken van dit extreme geweld, zo lezen we in de conclusie, waren „langdurige dienst onder oorlogsomstandigheden, te veel verantwoordelijkheid te laag in de organisatie, de gebrekkige justitiële controle en de toetoep-cultuur, de gewoonte om misstanden toe te dekken.”

Dieper liggende oorzaken waren er ook: „[...] het veronderstelde – tijdelijke – succes van deze aanpak, de wanverhouding tussen koloniale doelen en militaire middelen terwijl het koloniale prestige hoe dan ook hooggehouden moest worden, het racistische en oriëntalistische vijandbeeld en het extreme geweld aan Indonesische zijde dat onder meer voortvloeide uit militaire cultuurverschillen.”

Een veelomvattende conclusie, passend bij een veelomvattend standaardwerk van ruim zeshonderd pagina’s. Hoofdauteur van het boek is Petra Groen (1955), emeritus hoogleraar militaire geschiedenis aan de Universiteit Leiden en tot 1 januari van dit jaar werkzaam bij het NIMH. Met Krijgsgeweld en kolonie beëindigt ze een loopbaan in de wereld van de militaire geschiedenis die bijna vier decennia duurde. Al vanaf haar proefschrift Marsroutes en dwaalsporen. Het Nederlands militair-strategisch beleid in Indonesië 1945-1950 vormde het koloniale verleden in Azië de rode draad in haar werk.

Dit boek behandelt ook de Nederlandse militaire geschiedenis in Suriname en de Nederlandse Antillen. Dat was nieuw terrein voor u.

„Daar was ook heel weinig over gepubliceerd toen in 2006 het eerste plan voor dit project ontstond. Ik heb samen met Anita van Dissel, met wie ik deze hoofdstukken deed, veel archiefonderzoek moeten doen voordat we aan schrijven toekwamen.”

In Suriname kwam de dreiging van binnenuit

Van het Nederlandse militair optreden in Indië zullen veel mensen wel een beeld hebben, maar waaruit bestonden de taken van de krijgsmacht in de koloniën in het westen?

„Bij de Antillen ging het vooral om het tegengaan van externe dreigingen: het gevaar dat andere landen zich de eilanden wilden toe-eigenen. Dat speelde in Nederlands-Indië niet. Nadat Napoleon verslagen was, kreeg Nederland die kolonie terug van de Britten. Zonder die goedkeuring was Nederland nooit in staat geweest zich in de archipel te handhaven.

„In Suriname kwam de dreiging van binnenuit. Het leger vocht er tegen de marrons, slaafgemaakten die zich bevrijd hadden. Hier ging het dus vooral om het handhaven van intern gezag, tot 1863 in een slavenmaatschappij. In Nederlands-Indië ging het om het véstigen van gezag. Daarvoor waren veel meer troepen nodig. In Suriname dienden één marineschip en één bataljon, in de Antillen iets meer schepen en twee compagnieën. Dan hebben we het dus over enkele honderden manschappen, terwijl je in Azië het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) had, dat op zijn hoogtepunt meer dan 40.000 man groot was.”

De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) was in de archipel aanwezig via handelsposten, maar na 1815 probeerde de Nederlandse staat het grondgebied daadwerkelijk onder zijn gezag te brengen. Hoe pakte de krijgsmacht dat aan?

„Aanvankelijk op een ‘Europese manier’. Men ging op zoek naar een beslissende confrontatie met de tegenstander, wilde diens hoofdstad veroveren. In Europa had je dan gewonnen, maar in de Indonesische archipel pakte dat anders uit. Dat werd goed duidelijk tijdens de Javaoorlog.”

Prins Diponegoro wordt gevangen genomen. Midden: luitenant-generaal De Kock. Schilderij van Raden Saleh

Hoe verliep die strijd?

„Prins Diponegoro kwam in opstand, en aanvankelijk vocht hij op de door de Nederlanders gewenste manier: met veldslagen en belegeringen. Al snel kwam hij erachter dat hij op die manier niet ging winnen. De Nederlandse eenheden – die overigens voor de meerderheid uit Indonesische soldaten bestonden – waren beter bewapend en tactisch onderlegd. Dus stapte hij over op een guerrillaoorlog.

„De Nederlandse commandant Hendrik de Kock moest daardoor zijn strategie aanpassen. Zijn leger werkte met mobiele colonnes, van zo’n vijfhonderd tot tweeduizend man sterk, maar die waren niet mobiel genoeg om succes te boeken tegen een vijand die vanuit hinderlagen aanviel en dan weer oploste in de omgeving en de rest van de bevolking. Daarom bouwde De Kock Midden-Java vol met bentengs, wel driehonderd in totaal. Vanuit deze kleine forten hielden Nederlandse militairen de omgeving onder de duim – een soort middeleeuwse dwangburchten dus. Boeren konden zich niet meer ongezien verplaatsen. Dat beroofde Diponegoro van een deel van zijn mannen en belastinginkomsten en verhinderde de aanvoer van proviand.

„Deze greep op de bevolking ging gepaard met extreem geweld. De Kock zette dat gedoseerd in, en dat leek te werken. Bevolking en bestuurders lieten hun oren hangen naar de Nederlanders. Dit aanvankelijke succes maakte het aantrekkelijker ook in de toekomst van extreem geweld gebruik te maken. Diponegoro kwam in het nauw en De Kock arresteerde hem tijdens vredesonderhandelingen. Zoiets listigs was in Europa niet gebeurd, net zoals dat in Europa de burgerbevolking meestal niet betrokken raakte bij de vijandelijkheden. De Kock was zich ervan bewust dat hij die regels overtrad, maar deed het toch.”

Na de Javaoorlog begon het Nederlandse koloniale project pas goed, eerst met de verovering van Sumatra, uitmondend in de Atjeh-oorlog (1873-1904). Hoe ging dat in zijn werk?

„Het interessante is dat het initiatief voor de veroveringen vaak lokaal genomen werd, door houwdegens als generaal Andreas Michiels in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw. De regering in Den Haag werd telkens geconfronteerd met voldongen feiten, maar accepteerde de vruchten van dit optreden wel. De politiek was zuinig met het toekennen van geld en manschappen, maar riep geen halt toe aan de offensieven. Een nederlaag kon niet geaccepteerd worden, omdat daarmee het koloniale prestige op het spel stond. Voordat je het wist zou de hele archipel in opstand komen. Die logica leidde onverbiddelijk tot de verovering van alle eilanden.

„De Atjeh-oorlog was de heftigste strijd die Nederland in de negentiende eeuw in Indonesië uitvocht. Het verzet was bijzonder vasthoudend, mede vanwege de sterke religieuze component van de oorlog – de bevolking was streng-islamitisch. Zoals eerder maakte Nederland aanvankelijk de fout om de oorlog op Europese wijze aan te pakken: de reguliere strijdmacht van de tegenstander verslaan en dan wachten op diens overgave. Die kwam er niet.

Marechaussees poseren bij een uitgemoorde kampong, 14 juli 1904. Foto H.M. Neeb, Nationaal Museum van Wereldculturen

„Daarom werd er een nieuwe strategie ontwikkeld, door de plaatselijke commandant, generaal-majoor Johannes van Heutsz, en zijn adviseur Christiaan Snouck Hurgronje. Snouck ontwierp een manier om de lokale bestuurselite met de Nederlanders te laten samenwerken – die collaboratie was overal in de archipel cruciaal, omdat de Nederlanders met veel te weinig waren. Van Heutsz nam de militaire innovatie voor zijn rekening.

„Die bestond vooral uit de oprichting van het Korps Marechaussee [niet te verwarren met de Koninklijke Marechaussee]. Dat bediende zich van kleine eenheden, soms maar bestaand uit een dozijn mannen, die razendsnel konden opereren in moeilijk terrein. Het was een elite-eenheid, aangevoerd door Nederlandse officieren en onderofficieren. De mannen waren ‘Ambonezen’ – Molukkers en Menadonezen – en Javanen. Die laatsten werden op gelijke voet behandeld als hun Ambonese collega’s, wat uitzonderlijk was binnen het KNIL. Dat zorgde voor een esprit de corps en grote loyaliteit – ook als het aankwam op het plegen van extreem geweld.

„Dat geweld had ook op Atjeh aanvankelijk resultaat, omdat Van Heutsz het – op instigatie van Snouck – onderdeel maakte van een strategie van straffen én verleiden. Zijn opvolger Gotfried van Daalen zette het geweld dusdanig rigoureus door, zonder zich om die andere component te bekommeren, dat het zich tegen de Nederlanders keerde. Hoe cynisch het ook klinkt: dosering van geweld was belangrijk.

„Van Heutsz schopte het uiteindelijk tot gouverneur-generaal van heel Indië en met zijn methode werd de hele kolonie gepacificeerd.”

Generaal Van Heutsz met zijn staf bij een aanval in Atjeh, 3 februari 1901. Foto C.B. Nieuwenhuis, KTOMM Bronbeek Arnhem

In 1942 liepen de Japanners in korte tijd de Nederlandse verdediging onder de voet. Indonesische nationalisten waren in 1945 dan ook niet meer bang om een onafhankelijkheidsoorlog te starten. Nederland maakte hierin opnieuw gebruik van grof geweld. Waarom werkte dit nu niet?

„Omdat de hele archipel tegelijk in opstand was. Voor de verovering van Nederlands-Indië had de krijgsmacht een eeuw de tijd gehad, maar daar was de internationale situatie nu niet naar. Het kolonialisme had afgedaan, vooral bij de Verenigde Staten. Dus terwijl er op het hoogtepunt eind 1948 – tijdens de zogenoemde tweede politionele actie – 150.000 man inzetbaar was, lukte het niet om de nationalisten te verslaan. Het ongelooflijke was ook dat generaal Simon Spoor, de Nederlandse commandant, inzette op de traditionele, Europese manier van oorlogvoeren, met een aanval op de republikeinse hoofdstad Yogyakarta.

„Het extreme geweld waarmee de strijd gevoerd werd, behaalde geen resultaten meer. Belangrijk is overigens wel hier te vermelden – hoewel je dat bijna niet meer durft – dat dit geweld begon in de bersiap-periode in 1945-46, toen nationalisten duizenden Nederlanders, Indische Nederlanders, Molukkers en andere pro-Nederlandse Indonesiërs vermoordden.”

Ik werd in het begin aangezien voor de secretaresse

Dit boek was de laatste publicatie voor uw pensioen. Hoe heeft u de militaire geschiedschrijving zien veranderen in de afgelopen vijfendertig jaar?

„Het vakgebied was altijd een beetje ondergeschoven kindje, in Nederland tenminste. In landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk werd het altijd al veel serieuzer genomen. Hier was het een beetje verdachte hobby, zeker in de jaren tachtig, toen ik begon. Als je je toen met krijgsgeschiedenis bezighield, moest je wel een militarist zijn. Misschien is het een illusie, maar ik denk dat het vak aan statuur gewonnen heeft.

„Dat komt omdat de militaire geschiedenis uit zijn niche gekomen is; we hebben verbinding gezocht met andere vakgebieden. Ikzelf met de koloniale geschiedenis, mijn opvolger Ben Schoenmaker met de vaderlandse geschiedenis.

„Het is ook goed dat we zijn afgestapt van het idee van militaire geschiedschrijving als een landkaart met een onnavolgbare hoeveelheid pijlen erop. Daarbij moeten we trouwens niet in de valkuil stappen dat we helemaal doorslaan naar de andere kant: vechten is nog steeds de reden dat een krijgsmacht bestaat. Dat moet je niet uit het oog verliezen én je moet daarover schrijven, hoe impopulair en met morele dilemma’s omgeven oorlog ook is.”

U werkte als vrouw in een vrij mannelijke wereld. Hoe was dat?

„Laat dat ‘vrij’ maar weg; het was een mannelijke wereld. Dat was vrij klassiek: ik werd in het begin aangezien voor de secretaresse of er werd naar me gekeken als ‘ach, dat meisje’. Ik moest beter mijn best doen en laten zien wat ik in mijn mars had, pas toen kwam de acceptatie.

„Daar moet ik wel bij zeggen dat ik in het begin bij het NIMH door een aantal militairen onder hun vleugels ben genomen. Ik was niet in dienst geweest, wist weinig van het leger, dus ik had een achterstand op de andere onderzoekers van het instituut. Die officieren hebben me een stoomcursus gegeven, en daar ben ik ze altijd dankbaar voor geweest. Ze hadden me ook kunnen laten mislukken. Ik ben overigens nog steeds niet het type dat tien soorten tanks uit elkaar kan houden. Passages over hardware laat ik altijd door anderen checken.”

Historici zijn ook onderdeel van de maatschappij

Ook de maatschappelijke context is veranderd, lijkt me. Eerst lag uw werk onder het vergrootglas van veteranen, maar de laatste tijd zijn daar andere groepen bijgekomen.

„Dat klopt. Toen ik begon, moest ik nog expliciet vragen of ik niet vooral bezig zou zijn met het schrijven van herinneringsboeken en of ik de handen vrij zou hebben om te schrijven wat ik wilde. Dat mocht ik, en toen ik kritiek uitte op het strategisch optreden van generaal Spoor waren veteranen daar niet blij mee, maar mijn bazen zijn achter me blijven staan.

„Inmiddels is het zo dat de koloniale geschiedschrijving ook met argusogen gevolgd wordt door mensen die daar vanuit een anti- of postkoloniaal standpunt naar kijken. Daar zijn we ons natuurlijk terdege van bewust geweest bij dit project. Het is onzinnig te doen alsof dat niet zo is. Historici zijn ook onderdeel van de maatschappij. Dat je op de hoogte bent van dit soort geluiden, wil alleen nog niet zeggen dat je je oren ernaar laat hangen. We hebben overal over gediscussieerd binnen onze groep – die bestaat uit historici uit verschillende generaties en met diverse visies – en zijn zo hopelijk tot een afgewogen beeld gekomen van deze omstreden tijd uit de geschiedenis.”

Petra Groen, Anita van Dissel, Mark Loderichs, Rémy Limpach, Thijs Brocades Zaalberg: Krijgsgeweld en kolonie Opkomst en ondergang van Nederland als koloniale mogendheid Boom, 648 blz. €55

Correctie (4 juli): in een eerdere versie van dit artikel was sprake van Medanonezen. Dat moet Menadonezen zijn en is aangepast.