Recensie

Recensie Boeken

Via de katten toont Mensje van Keulen de mensen

Mensje van Keulen Kattenverhalen, kattenversjes en kattenartikelen zijn gebundeld voor Van Keulens verjaardag. Soms zijn de katten heel kats, soms tonen ze vooral de mensen – en de suggestieve kracht van haar schrijverschap.

In de stille winternacht ging de hemel open: een man ligt in bed samen met zijn poes. In het sonnet ‘Winternacht’ beschrijft Mensje van Keulen (1946) dit pure geluk heel treffend: ‘De oortjes komen net boven de rand./ De voetjes zijn kokindjes in zijn hand.’ De kat begint te stampen met zijn dropjespoten, spinnend, ‘rood van plezier’, en de man zou vast en zeker ook spinnen, als hij dat kon. Dit is ‘het poezenparadijs’, constateert hij in de laatste regel van het vers.

Mensje van Keulen werd afgelopen maand vijfenzeventig jaar en is intussen al vijftig jaar schrijver. Uitgeverij Atlas Contact viert dat met een bundeling van uiteenlopende berichten vanuit het poezenparadijs. Van Keulen is er meer dan goed bekend. Ze voerde sinds het begin van haar schrijverschap met regelmaat katten op, in verhalen, gedichten, versjes, kinderboeken en artikelen.

Met de kat als inspiratiebron en uitgangspunt kan Van Keulen allerlei kanten op. Soms zijn de katten in haar werk heel nadrukkelijk kats, dan weer drijven ze ver af van hun werkelijke wezen. In het speelse telrijm ‘Tien stoute katjes’ met buitelende illustraties van Jan Jutte (bekroond met het Gouden Penseel 2001) zijn de katjes niet veel meer dan figuurtjes met toevallige oren en een staart, ze geven een feestje met taart, ze trommelen en drinken bier.

In andere versjes schiet dat ‘onkatse’ nog verder door, en ontaardt hier en daar in rijmelarij: ‘Tony Tijger had zo’n tandpijn,/ tranen rolden langs zijn toet./ Tonia, zijn tweelingzus, zei:/ ‘Tony, weet je wat jij doet?’

Operabezoek

In dagboeknotities – eerder gepubliceerd in Alle dagen laat en Neerslag van een huwelijk – zijn de katten juist heel nadrukkelijk zichzelf en beschrijft Van Keulen naast haar meest innige gevoelens voor hen (‘Als [Joetie] niet ineens was weggesprongen had ik misschien zijn roze kraaltje achterop gezoend’) ook zaken als kots moeten opruimen en naar de dierenarts gaan. In het bundeltje staan verder vermakelijke ‘CatsApps’, compleet met foto’s, waarin Van Keulens Bosie kletst met de kater van Kees van Kooten, Erik. Het plezier spat ervan af.

Maar het mooist zijn toch de verhalen die meer over mensen dan over katten gaan. Met het sterkste verhaal opent Het Kattentheater. In ‘Donkere dagen’ is de kat een betekenisdrager van jewelste. Weduwe Doris krijgt hem van haar dochter Wiesje op het moment dat haar omgang met buurman wel erg gezellig wordt, met operabezoek, scrabble en wekelijks samen eten. Het is bij Van Keulen altijd zo knap hoe ze zowel direct als geraffineerd opschrijft wat er tussen mensen gaande is. ‘„We hebben hem uitgekozen,” zei Wiesje, „omdat hij zo op pappie lijkt. Precies zulk rood haar en een beetje mollig.”’ Ze heeft de kater ook de naam van haar verscheiden vader meegegeven: Jan Willem, zodat die naam weer voortdurend klinkt in huis.

De buurman begint van de weeromstuit hoogst ongezellige woorden te leggen bij het scrabbelen: ‘geen ‘leven’ [...] maar ‘nevel’. Geen ‘parel’, maar ‘lepra’.’ Het komt tot een punt dat het woord ‘ondier’ op het bord verschijnt.

Moedwil of misverstand, toeval of niet: in verkennen en suggereren ligt de grote kracht van Van Keulens schrijverschap. Of, om het op zijn kats te zeggen: in steels gespin en dito geblaas, meer nog dan in keihard miauwen.