Recensie

Recensie Boeken

Het viraal verspreiden van herinneringen

Richard Osinga Het is meteen smullen, de nieuwe roman (●●●●) van Richard Osinga. Dit boek draait om een bioloog met een midlifecrisis en een Nederlandse promovenda die een geïnfecteerde patiënt onder haar hoede neemt.
Illustratie Paul van der Steen

Wist u dit: dat we ons vermogen tot herinneren te danken hebben aan een virus? Het Arc-gen, cruciaal bij het opslaan van herinneringen, heeft een structuur die erg lijkt op die van een virus – waarschijnlijk omdat het voortgekomen is uit een virus, ergens in de prehistorische vorming van onze genetische informatie. ‘Ik zeg “ons”, maar wij waren in die tijd natuurlijk ook nog trilobieten, of vormeloze wormen’, doceert de Amerikaanse neurobioloog Neil Canterbury aan het begin van de roman Arc. ‘We wisten nauwelijks wat voor en achter was. Toen kwamen we op een dag in aanraking met dit virus, en hij, zij, hen hielp ons om herinneringen op te slaan.’

Het is meteen smullen, deze sciencefiction in de letterlijke zin des woords, die, in het bijzonder na anderhalf jaar algemeen-maatschappelijke bijscholing in virussen en RNA, flink tot de verbeelding spreekt. Tegelijk ben je als fictielezer op je hoede, want deze Neil Canterbury presenteert zijn sweeping statement zo aantrekkelijk als een TED-talk, wat ook te denken geeft. De smakelijkheid van een verhaal staat niet garant voor de geloofwaardigheid. Maar goed, als je dat ‘Arc-gen’ intypt op Google, blijkt het allemaal nog niet zo gek – of fictief – te zijn. Dat Arc-gen bestaat, vindt zijn oorsprong in een virus, Nature publiceerde er een paar jaar geleden nog over en Wikipedia wijdde er een (onbegrijpelijke, dus vertrouwenwekkende) pagina aan. Een artikel erover in wetenschappelijk tijdschrift Cell werd 269 keer geciteerd!

Kortom: hier wéét iemand iets. En behalve dat nerdappeal is dit alles ook nog verrassend soepel opgeschreven: ook het eerste hoofdstuk, waarin het gaat over een Nederlandse neurologiepromovenda die op een lome avond wegdut en in een droom een mystieke spreuk hoort die haar niet meer loslaat. Misschien zit de slimmigheid van deze nieuwe roman van Richard Osinga (1971) wel in dat contrast: zweverige uitzinnigheid die opbloeit uit een humuslaag van rationele, hoogtechnologische bètawetenschap.

Mierenhoop

Dat tegenwicht maakt de derde van de drie verhaallijnen in elk geval een stuk verteerbaarder: daar zoomt Osinga in op de Indiase mystieke dichter Kabir, een moslim die onder soefi- en hindoe-invloeden uitgroeit tot leider van een sekte die in reïncarnatie gelooft, maar in elk geval in de verbondenheid van alles en iedereen. Er duiken spreuken op als: ‘De druppel werd één met de zee./ Wie kan hem nu nog vinden?’

Dat kun je zweverig vinden, maar functioneel is deze metafoor voor de verbondenheid van alles wel: dat is de inzet van Arc. Net als in zijn vorige, vijfde roman leidt Osinga’s zoektocht naar verbindingen, tussen het hypermoderne, aardse en spirituele, ons tot in hogere sferen. ‘Hij probeert de kleinste dingen en de grootste dingen te vangen in een sluitende theorie’, werd gezegd over een van de personages in Wie de Rechtvaardigen zoekt (2019).

Die roman, die de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs haalde, was opgebouwd uit korte verhalen over vele verschillende personages op vele plekken en momenten, waartussen een verbinding gesuggereerd werd. Zo wemelt het in Arc veelbetekenend van de mieren – en van het idee (of de hoop) dat de mens wel eens als een mier zou kunnen zijn, in spiritueel opzicht, ons bewustzijn onderdeel van een grote ‘mierenhoop’ met z’n eigen, zelfstandige (en ‘emergente’) bewustzijn.

Wazig – maar ondertussen race je het verhaal door. De Amerikaanse neurobioloog gaat op congres naar India, waar hij door een combinatie van wetenschappelijke geldingsdrang, midlifecrisis en exotische opwinding tot ver buiten zijn denkkaders getrokken wordt. De Nederlandse promovenda neemt een eigenaardige patiënt onder haar hoede – uit het buitenland afkomstig, in coma, en schijnbaar geïnfecteerd met een vreemd virus. In de mystieke Indiase lijn draait het uit op een sekte met eeuwenoude kannibalistische praktijken. De verbindende factor is dat gekke gen – de crux is de gedachte dat wanneer het herinneringsgen ooit een virus was, herinneringen ook weer een virus zouden kunnen worden, waardoor gedachten viraal verspreid kunnen worden.

Zou het? Dát durfde ik niet meer te googelen, of eigenlijk wílde ik dat niet meer googelen, maar Osinga maakt het aannemelijk genoeg. Dus werd het een kwestie van geloof om aan te nemen dat in elk van de verhaallijnen die uitzinnige gedachte leidend is, en een kwestie van me laten meevoeren, omdat ik nu eenmaal benieuwd was of dat Grote Gesuggereerde Hogere geopenbaard zou worden, en hoe dan wel. Benieuwd naar die hypothese van mierenhoopachtige verbinding tussen ons allen.

Eenrichtingsinformatie

Misschien is over de plot zo wel genoeg verteld; deze recensie zou er, eerlijk gezegd, niet geloofwaardiger op worden. Het interessante is dat je lezend geen last van die onwaarschijnlijkheid hebt. Tegelijkertijd ben je je voortdurend van die paradoxale dynamiek bewust, van je eigen soepele geloof in idiote wendingen en vergezochte ideeën – wat er ook toe leidt dat Arc naast het spirituele scifi-spektakel nog een ander verhaal vertelt, op metaniveau. De roman confronteerde mij in elk geval met hoe ik geneigd was te geloven, als dat geloven zaligmakend leek. Want ik weifelde weliswaar even over mijn suspension of disbelief, maar werd gepaaid met een brokje waarheid en liet me gewillig meevoeren in een denktrant, en was zo voor ik het wist ondergedompeld in een zalige kritiekloosheid, in een tunnel van eenrichtingsinformatie die geen twijfel meer verdroeg. Anders ging de magie verloren, en die magie was zo heerlijk.

Het verlangen naar eenheid en verbondenheid, naar dat alles klópt, is het onderwerp van de roman: precies die stapjes – van rationele scepsis naar gewillig geloof naar oogkleppen, stapjes die allemaal uit dat verlangen voortkomen – nemen ook de personages. Maar Osinga gebruikt dat verlangen ook als vertelstrategie, om je te laten voelen wat de personages voelen. Dat maakt Arc heel effectief als ideeënroman, zózeer dat wat je er verder op kunt afdingen (je leest het niet voor de subtiele personages of geraffineerde menselijke verhoudingen, je leest het niet om echt iets over virussen te leren) niet zo belangrijk voelt.

Smakelijkheid garandeert geen waarachtigheid, maar maakt het wel érg makkelijk om te geloven – van dat besef doordringt de leeservaring van Arc je. En dat laten meevoeren door een groots, maar onwaarschijnlijk, maar óók ogenschijnlijk doortimmerd idee, dat is zo’n beetje de modus operandi van complotdenkers – terwijl dat geloof in verbinding bij uitstek een religieus, of spiritueel verlangen is. Zo gaat Arc in feite over de algemeen menselijke neiging tot geloven, en misschien over hoe we allemaal complotdenker kunnen worden, al is het maar even, tijdens het lezen van deze wonderlijke en overtuigende roman.