Opinie

Hoe Covid-19 arbeid onder de radar duwt

Maarten Schinkel

Het zou een gezelschapsspel voor economen kunnen zijn, als het onderwerp niet zo serieus was: waar zijn de werknemers gebleven? Neem Amerika, het land waar alles vaak economisch nét iets eerder gebeurt. Vrijdag komen de maandelijkse werkgelegenheidscijfers, de zogenoemde non-farm payrolls, over de maand juni. De banengroei bedroeg drie maanden daarvoor gemiddeld 541.000 per maand. Prima in normale tijden, maar in een economie die tijdens de pandemie 10 miljoen banen verloor, is het nogal mager. De denktank Peterson Institute for International Economics schat dat, gezien de post-pandemische groeispurt, het er zeker 750.000 per maand hadden moeten zijn. Dat is onverwacht: het aantal openstaande vacatures stijgt met 6,2 procent op jaarbasis, en dat is een record. Maar het aantal mensen dat vrijwillig stopt met werken, groeit met 2,7 procent, en dat is óók een record. Aan de lonen ligt dat niet, die stijgen op dit moment met 4,5 procent. Misschien dat het grote aantal vacatures mensen overmoedig maakt (‘Ik kom toch wel weer aan een baan’). Maar ook het aantal mensen dat vanuit werkloosheid een nieuwe baan vindt, is lager dan gangbaar, constateren de economen Jason Furman en Wilson Powell.

Er zijn tal van verklaringen mogelijk voor de ontbrekende werknemer: de hogere werkloosheidsuitkeringen of andere steun in het kader van de pandemieprogramma’s van de overheid spelen zeker een rol. Maar de economen noemen ook minder materiële oorzaken: de nog steeds sluimerende pandemie of vaccinatiegraad in sommige gebieden, die mensen afschrikt. Het gebrek aan, of de onbetaalbaarheid van, kinderopvang. Maar vooral de daarna genoemde mogelijkheid valt op: de mogelijkheid dat mensen door de pandemie hun leven zijn gaan overdenken. Wat wil ik eigenlijk?

Gebeurt dat ook in Europa? Zoals gezegd: in de VS zijn economische ontwikkelingen altijd iets eerder en de markten zijn dynamischer. Dat geldt al helemaal voor de arbeidsmarkt. En bovendien is het pandemiebeleid daar anders. Inkomens werden gesteund, terwijl in Europa vooral banen zijn gestut. Het werkgelegenheidsverlies is hier, met 3,5 miljoen banen, dan ook veel kleiner. Economen van ABN Amro denken dat in de eurozone de zoektocht naar werk spoedig op gang komt. Er zijn 1,1 miljoen mensen met een werkloosheidsuitkering bijgekomen die misschien nog niet actief zoeken, een dubbel zo groot aantal heeft werk noch zoekt daarnaar. En dan zijn er alleen al in Duitsland en Frankrijk 5 miljoen mensen die werken bij gesteunde bedrijven waarvan het voortbestaan onzeker is geworden.

Dat is een hele poel van arbeid die zich uiteindelijk wel meldt. En in Nederland? Hier, zeggen de ABN-economen, is de val van het aantal vacatures sinds het begin van de pandemie best klein, met 41.000. De werkgelegenheid is vrijwel even bescheiden gedaald. De werkloosheid is niet sterk gestegen, en maar 20.000 werknemers hebben zich (tijdelijk) afgemeld voor de arbeidsmarkt. Dat maakt het best begrijpelijk dat nieuwe vacatures moeilijk te vullen zijn: de poel van extra arbeidskrachten is ondiep.

Dat is een goede analyse. Maar toch kan er ook hier een tijdelijk zingevingsprobleem opduiken zoals dat in de VS wordt vermoed. Deze zomer wordt de pandemie snel vergeten in een feest van zand, zon en water. Maar mocht het virus in het najaar weer opduiken en zonder nieuwe noodmaatregelen niet te temmen zijn, dan komen de vragen die nu vervagen snel terug. Wat wil ik, waar wil ik wonen, hoe en waar wil ik werken? Is een goed leven mogelijk met één been buiten de samenleving? Dat zou een wending in het bestaan zijn die je eerder van Amerikanen verwacht. Maar het kan ook zomaar in Nederland. Misschien nu al.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.