Recensie

Recensie Boeken

De aantrekkelijkheid van politiek geweld

Geweld We mogen ons nooit laten intimideren door geweld. Of toch wel? Radicale denkers en politici, van links en rechts, wijzen geweld tegen de democratische orde niet bij voorbaat af. Drie boeken bieden een handvat.
De Parijse studentenprotesten in 1968.
De Parijse studentenprotesten in 1968. Alain Dejean/Sygma via Getty Images

Geweld loont. In Nederland, waar het geweldsmonopolie is toevertrouwd aan de democratische staat, wordt dat liever ontkend. Als we hier worden getroffen door politiek of religieus geweld, bezweren de bestuurders al in hun tweede zin dat we ons nooit moeten laten intimideren omdat geweld niet mag lonen.

Dat taboe op politiek geweld is een mooie rechtsstatelijke verworvenheid. Maar ook niet meer dan dat. De consensus dat geweld tegen de legitieme staatsmacht per definitie terreur is en dus een politiek kwaad, is historisch gezien geen vanzelfsprekendheid. Integendeel.

Geweld is de vroedvrouw van de geschiedenis, betoogde bijvoorbeeld de revolutionair Friedrich Engels (1820-1895) bijna 150 jaar geleden enthousiast. In een maatschappij, die zwanger was van vernieuwing, was revolutionair geweld volgens de apostel van Karl Marx onontbeerlijk om een nieuwe orde te baren. Dat geweld moest wel planmatig worden ingezet. Het terrorisme van de negentiende-eeuwse anarchisten was volgens de klassieke communisten contraproductief. Geweld was op zichzelf niet verwerpelijk, maar het moest wel dienstbaar zijn aan de revolutie en geen doel op zich. Lang bleef dat de lijn. Maar vanaf de jaren zestig en zeker na 9/11 in 2002 stond die randvoorwaarde toch weer ter discussie. Zo poneerde de communist/jurist Jacques Vergès (1925-2013) na 9/11 dat terrorisme eigenlijk een gewoon krijgsmachtonderdeel is, niet wezenlijk anders dan de infanterie of de cavalerie. Terrorisme is het armeluiswapen in de moderne oorlogsvoering, aldus de Franse advocaat die terroristen van links én rechts bijstond.

Engels en Vergès zijn niet één op één vergelijkbaar. Engels was actief in een Europa waar geen algemeen kiesrecht bestond en de meerderheid van het volk formeel en feitelijk werd buitengesloten. Vergès opereerde in een (West-)Europa waar na twee wereldoorlogen juist een democratische rechtsstaat werd gebouwd. Beiden hebben gemeen dat ze geweld primair politiek beoordeelden. Als het doel – de kapitalistische staat een slag toebrengen – ermee gediend werd, was het middel volgens hen geoorloofd.

Baudet

Dat denken is anno 2021 bezig aan een comeback. Ook in Nederland wijzen radicale denkers en politici geweld tegen de democratische orde niet meer a priori af. Deze goedpraters zijn onder alle gezindten te vinden: bij links en rechts, in religieuze en seculiere kring.

Zo acht Zomergasten-socioloog Willem Schinkel (1976), die nauw betrokken is bij het programma van de nieuwe partij BIJ1, politiek geweld denkbaar. Tegen het Vlaamse dagblad De Standaard zei hij eind april dat ‘we de staat moeten terugveroveren op het kapitalisme’. Omdat Shell zijn bezittingen niet zomaar zal laten onteigenen, zal dat wellicht gepaard gaan met ‘uniformen’ en ‘waar nodig geweld’. Volkskrant-columniste Asha ten Broeke speelde dit voorjaar ook met die gedachten. ‘Vreedzaam verzet’ tegen de CO2-uitstoot was nog ‘niet uitgeput’, schreef ze, maar het was ‘misschien jammer’ dat ze niet wist hoe je een bom maakt voor het geval de tijd daar wel rijp voor was.

Aan gene zijde ontpopt Thierry Baudet zich als een messias die, als het er op aankomt, geweld niet kan schuwen. Nadat hij in 2018 tegen ‘schrijftafelmoordenaars’ achter de asielzoekerscentra geweld als ‘noodweer’ had vergoelijkt en zich er in de verkiezingscampagne dit jaar over had verbaasd dat zijn volgelingen niet ‘normaal antifa’s [activistische antifascisten, red.] op hun bek hebben kunnen slaan’, vertelt hij er nu ook een politiek-cultureel verhaal bij over de historische ‘eindstrijd’ met de ‘globalistische kliek’ waarin we zijn beland. Nederland is zich aan het ‘losmaken uit de media-macht van de gevestigde orde’. Dat proces van ‘onthechting’ doet pijn. Maar ‘ik buig niet’, aldus Baudet. ‘Wij gaan door. Onverschrokken. Als jullie voorman is het mij een eer om elke keer die pijn voor jullie te lijden.’

Wat hebben Baudet en Schinkel gemeen?

Twee recent verschenen boeken – Geloof in geweld van de filosoof Hans Achterhuis en Radicale verlossing van de historica Beatrice de Graaf – plus het al honderd jaar oude essay Réflexions sur la violence (1908), recent vertaald en uitgegeven met een trefzeker nawoord van Arnold Heumakers, van de Franse revolutionair Georges Sorel bieden handvatten om die tendens ten faveure van politiek geweld te interpreteren. Achterhuis inventariseert de religieuze component. De Graaf zoekt naar de persoonlijke motieven om de wapens op te pakken. Sorel tenslotte schetst het nut van geweld.

Mussolini

Sorel (1847-1922) begon als conservatief, werd marxist, daarna syndicalist respectievelijk nationalist en eindigde als fascist. Toen zijn boek in 1908 verscheen, was Sorel syndicalist. Hij had niet meer het marxistische geduld om te wachten op het moment dat de oude maatschappij vanzelf zou bevallen van een nieuwe. De overgang van gevestigde naar revolutionaire orde mocht dan structureel onontkoombaar zijn, ze moest wel een handje worden geholpen. De beuk erin, was Sorels motto waarmee zijn volgelingen Vladimir Lenin (bolsjewiek) en Benito Mussolini (fascist) een decennium later hun voordeel zouden doen.

Sorel maakte geen geheim van zijn voorliefde voor hardhandige werkstakingen en andere vormen van geweld. Met soms leedvermakelijke welsprekendheid polemiseert hij met zijn landgenoot Jean Jaurès en andere socialisten die begin twintigste eeuw niet meer koersen op een revolutionaire kladderadatsj, maar hun kaarten waren gaan zetten op parlementaire machtsvorming. Sorel schilderde deze reformisten af als slapjanussen voor wie ‘het stembiljet het geweer heeft vervangen’. Volgens deze sociaaldemocraten zou geweld een ‘een barbaars overblijfsel’ zijn geworden, maar dat was onzin, aldus Sorel. Ten eerste omdat het een domme tactiek is. De ervaring leert ‘dat de bourgeoisie zich gemakkelijk laat kaalplukken, als ze maar wat onder druk wordt gezet en met revolutie wordt bedreigd’. Lafaards in het burgerlijke én linkse kamp moeten een ‘flink pak slaag’ krijgen, ‘opdat niemand zich nog illusies maakt over de aard van de gewelddadigheden’. Ten tweede omdat geweld volgens Sorel een ruim begrip is. Ook het ‘verstrooide geweld’ van de belastingdienst en de ‘geconcentreerde macht’ van de staat zijn vormen van geweld. Zijn waardering voor fysieke intimidatie en zijn opvatting dat elke vorm van dwang en achterstelling eigenlijk geweld is – in de jaren zestig door de Noorse socioloog Johan Galtung gemunt als ‘structureel geweld’ – echoën nu weer. De teksten van zowel ‘woke’ links als ‘wakker’ rechts staan bol van redeneringen waarin deze of gene maatschappelijke misstand tot niets minder dan een ‘institutioneel’ of ‘cultuurmarxistisch complot’ wordt verheven.

Hitler en Stalin

Wat beweegt de mannen en vrouwen die in deze eeuw wederom de daad bij het woord voegen, omdat in hun ogen alleen geweld een eind kan maken aan het onrecht? In Geloof in geweld zet Hans Achterhuis het eeuwenoude godsdienstige geweld op een rijtje, waarbij hij terzijde ook wat aandacht heeft voor het religieuze karakter van seculiere heilsleren als communisme en fascisme. Zijn boek is vooral een literatuurstudie waarin hij de bijbel en de koran onderwerpt aan een eigen exegese, waarin het woord ‘ik’ wel heel veelvuldig wordt gebruikt. Beatrice de Graaf voegt er in haar boek Radicale verlossing een empirische component aan toe. Omdat ze een twintigtal gewelddadige jihadi’s heeft geïnterviewd, werpt ze ook licht op de persoonlijke zielenroerselen van terroristen.

De grens tussen religie en politiek is dun, benadrukt Achterhuis. In de seculiere bewegingen met messianistische pretenties is geweld zelfs een hoeksteen. Voor Adolf Hitler was een raszuiver Germaans Rijk een religie. In Mein Kampf schreef hij: ‘De grootheid van elke geweldige organisatie is gelegen in het religieuze fanatisme waarmee zij zich zonder de minste verdraagzaamheid tegen al de anderen teweerstelt. Wanneer een idee als zodanig juist is en, zo gewapend, de strijd op deze aarde opneemt, is zij onoverwinnelijk.’ Ik zou daaraan toe willen voegen dat ook Jozef Stalin, die zijn carrière binnen de communistische partij begon als struikrover, als oud-seminarist haarfijn aanvoelde dat hij zijn onderdanen met evangelische metaforen kon paaien of intimideren. ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons’, zei Stalin in een variatie op Lucas 11:15-26, waarin Jezus vergelijkbare woorden sprak nadat hij via Beëlzebub de onreine duivelse geest bij de mensen had verdreven, waarna de stalinistische geheime dienst de Goelag voor miljoenen ‘volksvijanden’ opende.

Achterhuis werkt deze religieuze kant van de twintigste-eeuwse totalitaire terreur minder uit dan het geweld van monotheïstische godsdiensten. Hij is nu eenmaal als theoloog opgeleid. Maar dat is ook jammer. Want de auteur verkeerde in de jaren zeventig korte tijd in marxistisch leninistische sferen waar revolutionair geweld zeker geen anathema was.

Wraak, roem, actie en boete

Ook het feit dat geweld de dader een lekker gevoel kan geven, komt door Achterhuis’ persoonlijk gedreven exegeses mager uit de verf. ‘De zelfmoord-terrorist of de vrome vechter doet vaak een expliciet beroep op zijn God die hem zou opdragen om ‘ongelovigen’ te doden. Maar tegelijkertijd blijkt hij ook bevangen door andere motieven zoals een gebrek aan erkenning door zijn medemens, een geloof in een heilsrijk of utopie die hij moet verwezenlijken, een voor absoluut gehouden tegenstelling tussen de eigen ‘goede’ groep’ en de ‘slechte’ anderen.’

Beatrice de Graaf gaat uitvoeriger op die ‘andere motieven’ in. Het hele boek door lijkt ze bang wetenschappelijke theorieën over het hoofd te zien en noemt ze alle zijpaden en auteurs zo punctueel dat haar tomtom zelden de snelste weg van a naar b wijst. Maar de kracht van haar boek is dat ze dankzij de oral history-methode, waarbij ze verschillende diepte-interviews afneemt, het eigen perspectief van de jihadi’s serieus neemt. Ze maakt zo aannemelijk dat ze niet gek zijn maar bezig met een coherente combinatie van ideologie en praktijk, door haar ‘orthopraxis’ genoemd. Schuldgevoel over het eigen decadente leven in Nederland, dat werd gekenmerkt door crimineel winstbejag en/of drugsgebruik en zo schril afsteekt bij de noden van Syriërs, is daarbij een drijvende kracht. Alleen iets groots kan nog redding brengen.

Terrorisme laat zich volgens De Graaf samenvatten in vier R’en: revenge, renown, reaction en redemption oftewel wraak op de boze wereld, verlangen naar eigen roem, drift tot actie en hunkering naar boetedoening en vervolgens verlossing. Terroristen willen, kortom, martelaars worden. Dat martelaarschap straalt af op de omgeving. Heimelijk respect of openlijke bewondering van het Umfeld van de Rote Armee Fraktion (RAF), de dolende moslimjongeren op straat of de wappie-scene van radicaal rechtse terroristen is hun eten en drinken. Die wisselwerking tussen dader en publiek maakt de bestrijding een hachelijke onderneming.

Farmers Defence Force

Achterhuis denkt dat het goed komt als terroristen hun eigen daden gaan theoretiseren. Gelovigen moeten hun fundamentalisme, waarin de eigen waarheid wordt verabsoluteerd, radicaal relativeren tot ‘vreedzaam vechten’, schrijft hij. De Graaf gokt meer op het corrigerende vermogen van de omstanders. Op de ‘omgeving rust de plicht’ om terroristen ‘terug te fluiten’ en ‘elke legitimiteit’ aan hun ‘daden te ontzeggen’, aldus de historica. Op een iets hardhandiger wijze, dus zonder al te veel idealisme van de goede bedoelingen, is deze aanpak reeds beproefd. In de jaren zeventig ging de Duitse justitie het linkse terrorisme te lijf via zogeheten Rasterfahndung. Het milieu rondom de RAF-generaties, die steeds gewelddadiger waren geworden, werd systematisch uitgekamd. De politie scheerde daarbij langs de rand van de rechtsstaat, soms ging ze er over heen.

Of deze bestrijding van terrorisme nu net zoveel soelaas biedt, is de vraag. Het probleem ligt volgens mij dieper. De effectiviteit van de antiterrorisme-aanpak staat of valt met de weerbaarheid van de democratische staat en zijn zelfvertrouwen om het geweldsmonopolie in te zetten. En daar zit ’m de kneep, bleek toen de autoriteiten werden belaagd door de trekkers-knokploegen van Farmers Defence Force, die zich keerden tegen het milieubeleid van de regering. De christendemocraten en liberalen in het Brabantse provinciehuis in Den Bosch gingen binnen een etmaal door de knieën voor hun intimidatie en kozen vervolgens voor een nieuwe coalitie met Baudet die ze pas eind mei weer durfden op te zeggen.

Alleen al daarom is Over geweld een actueel essay. Sorel beweerde een eeuw geleden dat geweld in een sociale strijd ‘een ernstig en verheven werk’ is. Juist het feit dat een revolutie, waarin bloed vloeit, iets ‘angstaanjagends’ weerspiegelt, verheft haar ‘boven onze luchthartige maatschappij’. Dat is anno 2021 niet anders.