Advies: erken slavernij in wet als misdrijf tegen menselijkheid en maak excuses

Keti Koti Het advies aan het kabinet stelt dat er excuses voor het slavernijverleden moeten komen en dat 1 juli een landelijke herdenkingsdag moet worden.
Het Slavenfort in Ghana, van waaruit Nederlanders bijna 250 jaar lang handel dreven en slaven verscheepten.
Het Slavenfort in Ghana, van waaruit Nederlanders bijna 250 jaar lang handel dreven en slaven verscheepten. Foto Sven Torfinn

De staat moet in de wet vastleggen dat de slavenhandel en slavernij waarbij Nederland tussen de zeventiende eeuw en 1 juli 1863 betrokken was, misdrijven tegen de menselijkheid waren. Ook zou het goed zijn als Nederland hiervoor excuses aanbiedt. Dat adviseert het Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden donderdag in het rapport Ketenen van het verleden. De commissie is vorig jaar in het leven geroepen door minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) en brengt het advies uit aan het kabinet.

Het advies is gepresenteerd op Keti Koti, de jaarlijkse feestdag ter viering van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Al moest in Suriname daarna nog tien jaar contractarbeid op plantages worden verricht. Wat het adviescollege betreft wordt 1 juli een nationale herdenkingsdag, die gesteund en bijgewoond wordt door de koning en het kabinet. Daarmee erkent de Nederlandse staat dat het slavernijverleden de hele samenleving aangaat, zegt het college. Ook is het nodig dat het leed erkend wordt van alle mensen die slachtoffer zijn geworden van de slavernij of slavenhandel en het leed van hun afstammelingen.

Bij het uitspreken van de excuses beveelt het adviescollege aan om dan meteen de bereidheid uit te spreken acties te ondernemen. Om „dit historisch onrecht, dat tot op heden in velerlei vormen wordt ervaren, zoals discriminatie en institutioneel racisme, zoveel mogelijk te herstellen”. De minister-president zou de excuses namens de regering moeten uitspreken. Demissionair premier Mark Rutte (VVD) heeft eerder aangegeven geen excuses te willen maken voor het slavernijverleden.

Slavernijverleden zichtbaar maken

Het is donderdag precies 158 jaar geleden dat Nederland officieel de slavernij heeft afgeschaft in Suriname en de Nederlandse Antillen. Voorafgaand aan de nationale herdenking in Amsterdam ontving demissionair minister Ollongren het rapport. De commissie, die werd voorgezeten door Amnesty-directeur Dagmar Oudshoorn, werd in juli vorig jaar in het leven geroepen om te spreken over het slavernijverleden en de doorlopende effecten daarvan in de hedendaagse samenleving. Onder anderen directeur van het Zeeuws Archief Hannie Kool-Blokland, muzikant Typhoon en ex-international Edgar Davids waren bij de gesprekken betrokken.

In het advies dat donderdag is overhandigd, stelt de commissie dat het bewustzijn over dat verleden vergroot kan worden via „onderzoek, onderwijs en kunstzinnige projecten”. Ook stelt het voor om een nationaal museum of een nationale voorziening in te richten waarin het slavernijverleden en de gevolgen daarvan getoond kunnen worden. „Maak het slavernijverleden zichtbaar, zodat dit een gedeelde geschiedenis kan worden.”

Er is veel aandacht in het rapport voor de gevolgen van de slavernij. De adviescommissie noemt de slavernij een „historisch onrecht dat tot op heden in velerlei vormen wordt ervaren, zoals discriminatie en institutioneel racisme”. De Nederlandse staat moet wettelijke maatregelen treffen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, staat erin. Zo moet er systematische handhaving zijn en een programma opgezet worden ter bestrijding van discriminatie en racisme. „Daarbij verdient de bestrijding van institutioneel racisme op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, het onderwijs en de politie specifieke en dringende aandacht.”