Opinie

Misschien zijn ze verdronken

Marcel van Roosmalen

Ik was tot teleurstelling van iedereen gestopt met baantjes trekken. Zelf zag ik het als een tijdelijke dip. Nee, ik mengde me weer tussen de andere ouders tijdens de zwemles. Drie keer per week een half uur. Je kon maar beter op tijd komen, er waren maar veertien plastic stoelen. Bij regen stonden we schouder aan schouder onder een afdakje. Het zwembad is prachtig gelegen. Weids uitzicht over weilanden en ’t Zwet. We hadden een scene in een film van Alex van Warmerdam kunnen zijn.

„Ik heb drie kilo vlees over”, zei een man een keer tegen de vrouw die altijd als eerste bij het bad was om haar dochter in een badstof pinguinpak te hijsen. Die van mij droeg een vossenpak met rood-witte staart die ter hoogte van de bakker tussen de spaken van de fiets was gekomen. Ook dat was niet onopgemerkt gebleven.

„Zal ik straks even een schaal vlees komen brengen?”

„Nee, dank je”, zei de vrouw, terwijl ze zich krabde op de enkel. „De vriezer zit al jaren vol.”

Al jaren.

De laatste keer regende het niet en ik had ook nog eens een stoel, die ik zo ver mogelijk van de anderen vandaan schoof. Er werd naar me gekeken.

„Hij roept”, zei een van de vaders. „Lucie is van jou, toch?”

De badmeester had van zijn handen een toeter gemaakt en riep: „Vader van Lucie! Vader of moeder van Imra! Moeder van Mandy!”

We probeerden de honderd meter tot het bassin zo snel mogelijk te overbruggen, zo dicht mochten we tijdens de les nooit bij onze kinderen zijn. Er was ons al verzekerd dat ze de coronamaatregelen hier tot het uiterste moment zouden handhaven.

„Wat zou er zijn?”, vroeg de moeder van Mandy, met wie ik nog nooit een woord had gewisseld.

„Misschien zijn ze verdronken”, opperde ik.

Ik zou er niet eens van opkijken als ze dat hier zo vertelden.

We stonden als kleine kinderen voor de badmeester, een man van law and order maar niet onsympathiek. Hij vertelde dat onze kinderen waren gepromoveerd naar een ander tijdstip. Naar een betere groep, een groep waarin hij de kinderen aan het eind van de les eigenhandig in het diepe gooide. Ik zag Lucie van Roosmalen (5) zich in haar zonwerende panterzwempak ontroerend fanatiek naar de overkant ploegen.

„Ze zwemt als een tijger”, zei de badmeester.

„Panter”, verbeterde ik.

De moeder van Mandy zei dat zwemmen als een tijger een gewone uitdrukking was.

„Misschien in Amsterdam niet, maar hier wel.”

We moesten weer terug naar onze plekken achter het rood-witte lint. Mijn stoel was ingenomen door een van de vaders. Hij zei dat hij de vossenbadjas ergens op de struiken had gemieterd.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.