Op kunstavontuur langs de triënnales van West-Vlaanderen

Zomerkunst 2021 Drie Triënnales in één jaar, alle in Vlaanderen, plus het literaire kunstfestival Watou; een ongekende luxe voor de avontuurlijke kunstliefhebber. Oscar van Gelderen – hij woont half in Amsterdam, half in Antwerpen – ging op onderzoek uit.

Touching To Sea You Through Our Extremities van Laure Prouvost op Beaufort 21.
Touching To Sea You Through Our Extremities van Laure Prouvost op Beaufort 21. Foto Westtoer

Liefde is business, en ook voor het paradijs moet betaald worden: dat bewijst de trilogie Paradies van de Oostenrijkse filmregisseur Ulrich Seidl. Daar komt Teresa, het hoofdpersonage van middelbare leeftijd in de film Paradies: Liebe (2012), al snel achter wanneer ze op seksvakantie naar Kenia gaat, hongerig naar liefde en aandacht. Een ander familielid, Anna Maria, verspreidt in het tweede deel Paradies: Glaube de zegeningen van het katholicisme (en Jezus), de enige liefde in haar leven. Gekweld door ascese en masochisme vindt ze geen troost, ook niet bij haar gehandicapte echtgenoot. Niet veel beter vergaat het de 13-jarige dochter van Teresa in het slotdeel Paradies: Hoffnung, in een kamp voor kinderen met overgewicht. Ze wordt verliefd op de arts die leiding geeft aan het kamp, maar die liefde kan niet beantwoord worden.

Het paradijs is dus bepaald geen garantie voor een zorgeloos leven (voor of na ons verscheiden), en het omgekeerde van het paradijs (of de utopie), dat we tegenwoordig toch dystopie moeten noemen, lijkt aan terrein te winnen in de wereld: oorlog, klimaatcrisis, pandemie, het perverteren van grondrechten. Wie kan in deze wereld nog happy go lucky door het leven gaan, zonder voor zonderling te worden uitgemaakt?

Tijdens de Triënnale Paradise Kortrijk staat het paradijs, in al zijn verschijningsvormen, centraal. Bezoekers kunnen een wens doen bij een Wish Tree van Yoko Ono; ik schreef zelf voor de zekerheid „een lang en gelukkig leven” op, want ieder mens, en daar ben ik geen uitzondering op, kan wel wat hulp gebruiken. Of een lang (laat staan gelukkig) leven utopisch en wenselijk is, is vers twee, maar toch nog altijd te prefereren boven een kort en ongelukkig leven. En hoewel het een grote stap is van de wenskaartjes van Ono naar de planologische vergezichten (in de vorm van indrukwekkende maquettes) van Constant Nieuwenhuis en Luc Deleu, sluiten deze werken wonderwel aan: de stad als urbaan paradijs.

Textiele speeltuin

De curatoren van de Triënnale, Hilde Teerlinck (die in 2022 Vlaanderen als curator zal vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië, met kunstenaar Francis Alÿs) en Patrick Ronse, werkten ook samen bij de eerste Triënnale, ‘Kortrijk Play’ getiteld. Voorop staat het betrekken van de bewoners bij projecten, en het interactieve (‘play’) van de kunst: die moet uitnodigen, niet uitsluiten. Een fraai voorbeeld is de installatie Harmonic Motion II van Toshiko Horiuchi MacAdam, geplaatst in het hypermoderne winkelcentrum K, schuin tegenover de Hennis & Mauritz. De kunstenares en haar echtgenoot zijn nog druk bezig met de laatste loodjes, maar hebben in de ochtend hun werk (dat wel eens wordt omschreven als textiele speeltuin, waar kinderen in kunnen en vooral mogen klimmen) alvast laten ‘testen’ door een groep scholieren. Horiuchi vertelt lachend dat het werk zeer in de smaak viel.

Het gemoed bij deze Triënnale wordt niet overschaduwd door doem en depressie; er zijn veel lichte toetsen te zien, vinden en horen. Long Last Happy en de ‘regenboog-schilderijen’ van Ugo Rondinone – uitgevoerd door lokale kinderen – en de muurschildering Word maar snel beter van Lily van der Stokker sluiten goed aan op het utopische – hoopvolle – gevoel dat deze Triënnale tracht over te brengen.

Daarom komt de mokerslag Bow Echo van de 28-jarige Aziz Hazara (in 2021 afgestudeerd aan het Hoger Instituut Voor Schone Kunsten in Gent, maar al aangekocht door de Tate Modern) extra hard aan: in de Broeltoren Noord zijn op vijf schermen vijf jongens te zien die op een winderige berg staan met uitzicht op de stad Kabul, dat jarenlang slachtoffer was van zelfmoordaanslagen en ander oorlogsgeweld. De jongens maken blazend op plastic trompetjes een dramatisch en pregnant geluid dat de kijker confronteert met slechts beeld en geluid, geen tekst. Hier is het paradijs ver te zoeken, en is het trauma dichtbij.

Danse Macabre van Hans Op de Beeck op de Triënnale van Brugge. Foto Jana Germanus

Danse Macabre

Trauma is het thema van de Triënnale van Brugge, en trauma’s zijn er in vele soorten en maten: van shell shock tot ‘cumulatief’ trauma (een term van psychoanalyticus Masud Khan), bijvoorbeeld door jarenlang misbruik of ander langdurig doorstaan leed.

Het is een zwaar aangezet thema, en daaraan verandert het nodeloos hippig geschreven ‘TraumA’ niet veel: het woord traum zit erin vervat, en raum, en deze subthema’s keren regelmatig terug, in alle binnen en buiten geplaatste installaties. ‘Façade’ was als naam wellicht toepasselijker geweest. Het gaat hier immers om een idee dat zeker tot de verbeelding spreekt: wat speelt zich achter de deuren af van deze lieflijke – bijna behaagzieke – stad, wat zijn de geheimen, de rituelen, de genootschappen?

Er is veel moois te zien in Brugge: de Danse Macabre van Hans Op de Beeck is ronduit indrukwekkend. Een draaimolen met diabolische figuren, stilstaand in de tijd, opgetrokken uit de van Op de Beeck bekende grijszwarte materialen. Een werk waarin al zijn thema’s samenkomen: opgroeien, sterfelijkheid, mens zijn.

Maar ook juist – en semi-onopvallend – klein werk maakt indruk: de door de hele stad (en in Zeebrugge) geplaatste nesten van Adrián Villar Rojas spelen een spel met de kijker, dat zelfs de lokale vogelpopulatie aan het twijfelen moet brengen: wat is een echt nest en wat is artificieel? Het werk is geïnspireerd op de nesten die de Hornero (ook wel: ovenvogel) maakt, en die lijken op de modderovens zoals die in Zuid-Amerika werden gebruikt.

Slaapzak

In de Poortersloge is een expositie met onder meer sterk werk van Thierry De Cordier (Grand Nada), Anne-Mie Van Kerckhoven en Hermann Nitsch, maar het meest trof mij een slaapzak waarover de bezoeker bijna struikelt bij binnenkomst van een van de hoger gelegen zalen. De slaapzak zit dichtgeritst, er zit een mens in, dat zie je aan de vorm, maar is het een man of een vrouw, volwassene of kind? De slaapzak is smerig, iemand heeft zich verstopt, of wil geen contact met de buitenwereld, of tracht de kou te trotseren. Wie het werk bevoelt, ontdekt dat het een sculptuur is, gemaakt door voormalig Young British Artist Gavin Turk. Hier is het trauma gestold tot een betonnen emotie.

In het Grootseminarie heeft Gregor Schneider een installatie gemaakt: Black Lightning. Scheider is vermaard om zijn Haus u r, waarin hij replica’s van kamers in bestaande kamers liet bouwen, huizen in huizen, ruimte in ruimte, en dat zorgt voor vervreemdende effecten. In Black Lightning moet de bezoeker door een pikzwarte gang zijn weg naar buiten zien te vinden. Ik vraag de dienstdoende suppoost of ik een mondkapje op moet doen: „Awel, als u het niet doet, is er geen mens die het zal zien.” Ik koester mijn eigen trauma’s, maar daar zit wel een tijdslimiet aan. Hoelang duurt het eigenlijk voor je weer buiten bent, vraag ik daarom enigszins bezorgd. Twee minuten, is het geruststellende antwoord. Niet veel later betreed ik, na tastend mijn weg te hebben gevonden, de tuin van het seminarie, terug in het licht.

Bow Echo, digitale videoprojectie op 5 schermen van Aziz Hazara in Kortrijk. Foto Mathieu Van de Sompel

Van de tuin naar de kust: er is nóg een Triënnale gaande. Die van Beaufort is gespecialiseerd in kunst langs de kust, zich uitstrekkende van De Panne bij de Franse grens tot Knokke-Heist, met Oostende als scharnierpunt.

Klimaatcrisis

De Triënnale van Beaufort heeft dit jaar als thema: ‘Hoe heeft de kust de mens veranderd?’ Klimaatcrisis en pandemie maken deze vraag urgenter dan ooit, hoewel de pandemie in zekere zin ook weer onverwachte klimaatperspectieven opent (schonere lucht en water, minder reizen, meer appreciatie van het buitenleven), en Beaufort probeert met antwoorden te komen.

Voor de avontuurlijke bezoeker is er een kusttram en een fietsroute, maar zelf ben ik van de Woody Allen-school: „Nature is the space between the hotel lobby and the taxi”, dus ik bezoek bij voorkeur alles met de auto. Natuur is mooi, maar je moet het ook niet overdrijven.

Het heikele punt met kunst in de publieke ruimte – iets waar alle Triënnales in zekere zin mee kampen – is dat het publiek niet om die kunst gevraagd heeft. In 2009 zorgde een ‘krotwoning’ van de Poolse kunstenaar Robert Kusmirowski voor een rel in een van de participerende slaperige stadjes aan de kust, Blankenberge. De armoedige gevel (‘façade’) die Kusmirowski bewust nabouwde, ontsierde – devalueerde, in de ogen van de bewoners – het straatbeeld. Armoede is leuk, maar het moet niet te dichtbij komen. In 2012 volgde nog een relletje: een installatie van Martine Feipel en Jean Bechameil werd beschadigd. De ‘Blankenbergse malcontenten’ eisten als een heuse terroristenclub de verantwoordelijkheid op. Tegenwoordig doet Blankenberge, na twee edities te hebben overgeslagen, weer mee aan Beaufort.

Wat opvalt tijdens Beaufort is dat nogal wat werk een beetje wegvalt: ook sterke beelden hebben een sterke context nodig – het zou wel wat grootser en meeslepender mogen allemaal. Een sculptuur van Maen Floris is geplaatst in een bosschage, net naast een parkeerplaats. Eerder een plek om de blaas te ledigen dan de invloed van de kust op de mens te overpeinzen. Ook de installatie van Jimmie Durham, een gier op een paal, geplaatst op een rotonde, wordt daardoor toch niet veel meer dan… rotondekunst.

Maar er is gelukkig ook veel moois te zien: de in het duinlandschap geplaatste ballen in alle soorten en maten van Heidi Voet zijn de korte tocht door zand en duinen meer dan waard, en ook de boom van de in Ierland woonachtige (en veelvuldig juttende) Els Dietvorst mist haar uitwerking niet. In dit werk komt de thematiek van Beaufort het mooist terug: Dietvorst verzamelde aangespoeld hout, maakte er een nieuwe boom van, die ze vervolgens in delen, in brons, liet afgieten. Gevoelvol werk, goed geplaatst, en ik zag meerdere vrouwen de boom knuffelen.

Snel door naar het hoogtepunt van Beaufort 21: Touching To Sea You Through Our Extremities, de aangespoelde octopus van Laure Prouvost. Wie de auto of fiets parkeert en richting de zee loopt, ziet aan de einder eerst het monument dat ter nagedachtenis van Koning Leopold I is geplaatst, en dan verschijnt de octopus in volle glorie: in het zand, de tentakels vol met mosselen, borsten, een lamp, en zelfs, tamelijk humoristisch, een stekker aan de staart, en een vlag, inclusief welbewuste spelfout – „Ideally You Would Sea Where To Go” – wapperend in de wind. Paradijselijk!