Reportage

De Surinaamse marrons zijn na eeuwen bezig aan een opmars

Suriname Op de Marrons, afstammelingen van slaven die hun vrijheid bevochten, werd lang neergekeken. Nu emanciperen ze. En nemen ze meer dan ooit een sterke positie in het multi-etnische Suriname in.

"Mijn ouders waren ongeschoold maar vol wijsheden die ze weer van hun voorouders hadden geleerd", regisseur Tolin Alexander
"Mijn ouders waren ongeschoold maar vol wijsheden die ze weer van hun voorouders hadden geleerd", regisseur Tolin Alexander Foto Idi Lemmers

Kwame Main (27) heeft soms onrustige dromen. Daarin komen zijn voorouders hem waarschuwen met zijn werk te stoppen. Maar de volgende ochtend zit hij dan toch weer op de graafmachine. Daarmee trekt hij bomen omver en zoekt naar hout en goud in het gebied. „Mijn voorouders ontsnapten van de plantages en vluchtten hier het oerwoud in”, vertelt Main. Hij veegt de zweetdruppels van zijn gezicht en staart naar een open zandvlakte midden in het oerwoud. Dat bos vernietigt hij nu. „Maar hoe moet ik anders mijn vier kinderen te eten geven? Ook ik overleef van het bos”, zegt hij.

Lees ook: Tien jaar in gesprek over slavernij: ‘Zelfs Rutte ging overstag

Main, een lange zwarte man met diepliggende ogen, behoort tot de Marrons. Afstammelingen van slaven die in de 17e en 18e eeuw hun vrijheid zochten. Marron komt van het Spaanse woord cimarron, voor ‘weggelopen vee’, zoals ze werden genoemd door de kolonisten. ‘Marronage’ was een vorm van verzet tegen de koloniale macht. Dat kon klein, vluchten in groepjes waarbij ze zich de eerste tijd nog in de omgeving van de plantages ophielden voor voedsel. Of groots georganiseerd waarbij ze anderen in slavernij bevrijdden en plantages aanvielen. Het was mede dankzij dit eeuwenlange verzet en de talloze georganiseerde overvallen op de plantages die de Nederlandse kolonisten niet onder controle kregen, dat de voorouders van Main honderd jaar voor de afschaffing van de slavernij hun vrijheid al kregen.

Vanuit het bosrijke district Brokopondo waar nog altijd Marrondorpen zijn, vertelt Kwame trots over zijn voorouders. „Er werden in 1760 en 1762 al overeenkomsten gesloten tussen de Marrons en de Nederlandse kolonisten. Ze kregen vrijheid om zich in een gebied te vestigen nog dieper in het binnenland. Daartegenover stond wel dat ze nieuwe gevluchte slaven van de plantages uit moesten leveren aan de Hollanders”, vertelt Main. En dat, zo geeft hij toe, speelt onderhuids nog altijd een rol in het multi-etnische Suriname. „Vooral tussen de Creolen in Paramaribo en de Marrons in het binnenland zijn er onuitgesproken sentimenten. Een eeuw voor Keti Koti waren wij al vrij.”

Lange tijd leefden veel Marrons generatie op generatie voornamelijk in dorpsverband in het binnenland onder leiding van hun traditionele leiders. Hoewel dit systeem in de dorpen aan de rivieren nog steeds intact is, maken de Marrons – vooral jongeren – in Paramaribo een emancipatieproces door. Ze zijn hoger opgeleid dan hun ouders en zijn bijvoorbeeld ook binnen de politiek bezig aan een opmars. Rolmodellen van Marrons in de geschiedenis zijn er genoeg.

Een van de grote helden is bijvoorbeeld, Boni (1730-1793), een in vrijheid geboren zwarte guerrillaleider. Zijn moeder vluchtte hoogzwanger van de plantage en vestigde zich bij de Marrons waar Boni werd geboren. „Boni was nooit voor vrede met de Nederlanders zolang de slavernij niet was afgeschaft. Hij bleef strijden, ook toen door andere Marrongroepen wel vrede werd gesloten”, zegt Iwan Wijngaarde, voorzitter van de Federatie voor Afro-Surinamers. „Er zijn verschillende oorlogen door de Nederlanders tegen Boni gevoerd. Er zijn expedities gehouden om zijn Fort Boekoe te ontmantelen. Er is een huurlingenleger ingezet maar hij was onverslaanbaar. Boni is uiteindelijk verraden van binnenuit, aangezet door de kolonisator en uiteindelijk onthoofd”, zegt Wijngaarde. „Maar Boni’s filosofie leeft voort. We moeten ons niet als slachtoffer maar juist als helden opstellen, was zijn gedachte”.

Beter opgeleid na stigmatisering

Hoewel de Marrons dus – met Boni als groot voorbeeld – de vrijheid zochten, en daarmee strijders waren, is de groep decennialang in Suriname gestigmatiseerd. „We werden gezien als mensen uit het bos, die niet ontwikkeld waren”, zegt regisseur Tolin Alexander (50) zelf van Marronafkomst en geboren in het Cotticagebied. In het multi-etnische Suriname speelde racisme en kleur een rol bij de discriminatie van Marrons. Ze stonden laag op de sociale ladder en hadden minder kans op een baan. Toen Tolin Alexander pas geleden op Starnieuws, de belangrijkste Surinaamse nieuwssite, las dat zijn oude buurmeisje Margriet Apinsa beëdigd was als kandidaat-notaris realiseerde hij zich pas echt dat tijden veranderen. „Ze is net als ik een Marron. Haar moeder was een alleenstaande moeder, die op de markt fruit en groente verkocht die ze zelf plantte. Ik werd emotioneel toen ik las dat Margriet, haar dochter, nu notaris wordt.”

Een van de redenen van de opmars kan liggen in het feit dat Marrons een snel groeiende bevolkingsgroep vormen die het economisch beter heeft gekregen dan de vorige generatie, en van wie de jongeren de laatste jaren zelfbewuster zijn geworden. Er is meer geïnvesteerd in opleidingen, en in zowel de lokale als nationale politiek hebben Marrons een grotere politieke macht gekregen. „Toen ik op de Anton de Kom universiteit zat kon je ‘ons’ op een vinger tellen”, zegt Tolin Alexander. „Nu zijn er heel veel Marronjongeren die studeren. Het is een stille revolutie geweest die nu goed zichtbaar is.” Zijn huis in het noorden van Paramaribo staat vol indrukwekkende beelden. Afrikaanse figuren en veel houtsnijwerk. Hij vertelt bevlogen over de inspiratie die hij haalt uit zijn achtergrond als Marron en zijn opvoeding. „Er waren altijd verschillende werkelijkheden. Dat wat ik leerde op school en wat ik leerde thuis, bij mijn ouders. Ze waren ongeschoolde mensen maar vol wijsheden die ze weer van hun voorouders hadden geleerd. Ze kwamen vanuit het diepe binnenland naar de stad zodat wij naar school konden”.

Hij was co-regisseur van het internationaal bejubelde artistieke filmproject Stones have laws waarin verhalen door Marrons zelf verteld worden en vastgelegd met prachtige stilistische beelden vanuit het binnenland. „De belangstelling in die verhalen groeit in Suriname. Ik zie mezelf als onderdeel van een groter Suriname waarin de verschillende bevolkingsgroepen een gezamenlijke geschiedenis hebben. Marrons richten zich minder op hun plantagegeschiedenis maar meer op de marronage. Terwijl we ook gevormd zijn door de plantages. De voorouders van mijn moederskant zijn na de afschaffing van de slavernij vanuit het diepe binnenland weer teruggekeerd richting de plantage. Ze hadden daar immers ook familieleden achtergelaten.”

Lees ook: Hoe reëel is het om van Keti Koti een nationale feestdag te maken?

Meisjes lopen naar huis in het Marrondorp Tjaikondre in Suriname Foto Tomas Munita / The New York Times

Binnenlandse Oorlog

Een grote markering in de hedendaagse geschiedenis van de Marrons vormt de Binnenlandse Oorlog (1986-1992) en de strijd tussen Junglecommando Ronnie Brunswijk en toenmalig legerleider Desi Bouterse. Dorpen in het binnenland vielen door de oorlog jaren terug in ontwikkeling, structuren en scholen werden vernield en veel Marrons vluchtten naar de stad. „In die tijd werd je als Marron met grote achterdocht bekeken in Paramaribo, je werd gezien als de vijand. Het Junglecommando van Brunswijk was in oorlog tegen het leger van Bouterse, maar in feite was dat toen de staat Suriname. In werkelijkheid waren heel veel burgers in het binnenland juist slachtoffer van die oorlog”, zegt Tolin Alexander. „Sentimenten werden aangewakkerd: namelijk dat de Marrons al eerder vrede sloten met de Nederlanders en in ruil daarvoor nieuwe gevluchte slaven uitleverden. Maar ik weet uit de overlevering en verhalen van mijn familieleden in het binnenland dat er juist heel veel nieuwe gevluchte slaven wel geholpen zijn door de Marrons.”

Uitgerekend een van de prominenten van die Binnenlandse Oorlog is nu vicepresident van Suriname. Ronnie Brunswijk is voor velen omstreden. Tegelijk is hij het symbool van emancipatie. In zijn kantoor koelt de airco de ruimte en zorgen zijn twee adviseurs dat er genoeg water op tafel staat. „In het dorp waar ik opgroeide was geen elektriciteit. Als we naar Paramaribo gingen moest je vijf dagen varen met een korjaal. Ik weet nog dat de eerste school in mijn dorp werd gebouwd, je kon niet verder dan de laatste klas lagere school”, vertelt Brunswijk. Tijdens zijn inauguratie, bijna een jaar geleden, bedankte hij zijn voorouders die van de plantages vluchten. „Zonder hun strijd was ik er niet. Ze waren moedig en zeiden: we accepteren het niet langer om vernederd te worden in slavernij. Vluchten was onzeker want je wist niet wat je in de jungle te wachten stond”. Brunswijk rondde pas op latere leeftijd zijn opleiding af en studeerde een paar jaar geleden af. „De laatste jaren zien we pas echte emancipatie van de Marrons en is er minder discriminatie. Nu help ik andere Marronjongeren, als rolmodel door te laten zien dat een politieke carrière ook haalbaar is als je uit het binnenland komt.”

Lange tijd was Brunswijk ook een voorbeeldfiguur voor Kwame Main. Maar dat had meer te maken met Brunswijks leven voor zijn vicepresidentschap, toen hij in de goudwinning zat. „Dat heeft hem rijk gemaakt. Maar geld is niet alles. Misschien moet ik ook weer naar school gaan. En stoppen dan ook de waarschuwingen van mijn voorouders en zullen ze trots op me zijn.”

Een gewapende patrouille van de soldaten van het Jungle Commando onder leiding van Ronnie Brunswijk in 1987. Foto Bert Verhoeff

Commentaar pagina 17