Janine Jansen en Amihai Grosz.

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Janine Jansen: ‘Soms is muziek zo schrijnend mooi dat ik moet huilen’

Kamermuziekfestival Utrecht Violist Janine Jansen blijft zoeken naar betekenis in muziek. Op haar komende Kamermuziekfestival vindt ze in altist Amihai Grosz een gelijke.

Violist Janine Jansen buigt zich met haar gastprogrammeur, de Israëlische altist Amihai Grosz, over het tijdschema voor het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht. Op het spreadsheet is geen vakje oningevuld. „Ik herinner me de eerste keer dat we zo’n uitdraai kregen”, glimlacht Grosz. „Het was vaak zoeken naar een half uur om te kunnen eten. In het begin voelde ik soms verwarring. De tijd. De toewijding. Het niveau. Alles was zo intens. In de zin van: het proberen tot de kern van de muziek door te dringen. Wanneer ik iets moois vind, prijs ik me gelukkig en hou op met zoeken. Maar Janine stopt nooit.”

„Ik denk dat jij hetzelfde bent”, zegt ze. „Mijn god, nee”, antwoordt Grosz. „Jij hebt iets wat alleen de groten bezitten: die opwindende verwachting dat je ons een blik op een geheim gaat gunnen. Mijn vertrekpunt is anders. Ik ben meer chill.”

„Chill klinkt zo negatief”, vindt Jansen. „Jouw spel en persoonlijkheid kennen een verbazend gevoel van vrijheid. Ik ben daarentegen vaak zo hyper. En dat evenwicht hebben we kennelijk nodig om alle kanten te belichten.”

„Ik bewonder de vasthoudendheid waarmee je blijft speuren.”

„Vaak weet je pas wat je zoekt als je het vindt”, zegt ze.

De violisten kozen voor drie iconische werken waarin musici kunnen blijven graven. Zoals het Strijkkwintet dat Schubert schreef op z’n sterfbed, Sjostakovitsj’ indringende Achtste Strijkkwartet en het Pianotrio van Tsjaikovski, dat Jansen vertolkt met pianist Denis Kozhukhin en cellist Mischa Maisky, een man met een messiaans aura. „Een geestverwant in wie een oerkracht schuilt”, vinden beiden.

Twaalf Stradivari’s

Het waren roerige tijden voor Jansen. Dit voorjaar raakte ze besmet met corona, en ze werkte mee aan twee documentaires, die in september zullen verschijnen. In de Noors-Nederlandse film The Quest for Tonewood zoekt een vioolbouwer uit Cremona in de wouden van Bosnië, te midden van oude mijnenvelden uit de burgeroorlog, naar een esdoorn die hij daar als twintiger ontdekte. Hij gelooft daaruit een volmaakt instrument voor Jansen te kunnen maken. Hier tegenover staat Falling for Stradivari, een Engelse documentaire die Jansen de kans bood twaalf antieke en zeldzame violen van de beroemde bouwer Antonio Stradivari (1644-1737) te leren kennen.

„Het was een opwindende ervaring”, zegt ze. „Sommige van die instrumenten worden bespeeld, andere liggen al decennia in kluizen van verzamelaars.” Grosz gaat rechtop zitten. „En van welke hield je het meest?”

„Ik ben dol op mijn eigen Shumsky Stradivari, maar de Alard verbaasde me bij vrijwel elke streek. Rond dat instrument bestaat veel mythevorming, omdat het niet in handen is van een musicus. Dit wordt zelfs de eerste opname waarop we het kunnen horen. Die Alard is zo kleurrijk, diepgaand en beweeglijk. En steeds wanneer ik dacht dat hij zijn grens had bereikt, kwam er meer.”

„Zulke instrumenten dragen toch de kracht van een lange geschiedenis in zich”, knikt Grosz. „Mijn altviool is vierenhalve eeuw oud. Die bezit een uitgesproken karakter. Soms vind ik dat een nadeel, dan geeft hij me het gevoel dat ik achter het stuur zit, maar dat hij de weg bepaalt. Een goed modern instrument kan je daarentegen vaak meer vrijheid geven, want dan schep ik de klank en kneed ik zijn persoonlijkheid.”

Janine Jansen en Amihai Grosz in het Eerste Strijksextet van Brahms tijdens het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht in 2019:

„Het is mooi wat je zegt over het karakter van een viool”, antwoordt Jansen. „Ik had kort tijd om de stemmen van deze twaalf Stradivari’s te ontdekken. Dus ik moest ze in hun waarde laten. Ik wilde ze niet mijn wil opleggen. Soms moet je als musicus een stap terug doen, en weten hoe je steun en vrijheid geeft aan de stem van zo’n oud instrument. Het was een les in luisteren.”

En dan was er plots ook de voor haar gebouwde nieuwe viool uit The Quest for Tonewood. „Ik kon er een minuut of twintig op spelen in Schloss Elmau in de Beierse Alpen, waar bouwer Gaspar Borchardt en ik elkaar in de coronacrisis konden ontmoeten. De viool klonk prachtig, maar het ontbrak aan tijd hem echt te leren kennen.”

„Het niveau en de klank van moderne instrumenten zijn tegenwoordig verbijsterend goed”, beaamt Grosz.

„Ik krijg er een steeds beter gevoel bij”, zegt Jansen. „De Shumsky Stradivari die ik nu bespeel, was liefde op het eerste gehoor. Net als met sommige mensen voelde ik onmiddellijk een band. Maar de Shumsky is zo kostbaar, ik zal hem nooit kunnen bezitten. Mede daarom zou ik wel graag een eigen nieuw instrument hebben.”

Mysterie

Maar tenslotte gaat het erom dat beiden in de muziek zichzelf terugvinden. „Er zijn altijd momenten in het leven waarin de vraag zich opdringt: waarom doe ik dit?” zegt Grosz. „De druk, de uren studeren, het reizen. En het antwoord luidt steevast: muziek is wie ik ben. Dat ervaar ik als aanvoerder van de altviolen in de Berliner Philharmoniker, en zeker ook in alle jaren dat ik hier kom. Soms herinner ik me klanken en frasen van concerten die we jaren geleden samen gespeeld hebben. Het is sterker dan ik.”

„Waarom roepen sommige stukken meteen een heftige emotie op?”, vraagt Jansen. „Het is vaak niet eens iets van buiten, zoals een herinnering of een gebeurtenis. De muziek raakt dan een snaar diep in me. Neem de laatste maten van het langzame deel uit het Strijkkwartet van Debussy. Dat stuk heb ik nooit gespeeld. Toch welde er een fysieke pijn in me op, vanaf de eerste keer dat ik het hoorde, omdat het zo schrijnend mooi is. Ik moet altijd huilen. Waarom? Wat zit er in die muziek?”

Grosz knikt. „Het overkomt mij in de langzame delen van Beethovens late kwartetten. Die gaan aan alles voorbij. Maar wat die emotie veroorzaakt, hoef ik niet te weten. Dat mysterie behoort tot de schoonheid van de ervaring.”