Opinie

Ik was dol op Flipje: een framboos op witte laarsjes

Niet alle kinderboeken uit de oude doos zijn achterhaald, zoals schrijfster Bibi Dumon Tak stelt. Joyce Roodnat heeft nog maar net Leonora Carringtons ‘The Milk of Dreams’ ontdekt – en wou dat ze dat boek als kind had kunnen lezen.

Joyce Roodnat

In haar Verweylezing dreef schrijfster Bibi Dumon Tak de spot met het halsstarrig koesteren van kinderboeken uit de oude doos. Dat kan inderdaad een grote vergissing zijn, ik weet het uit ervaring. Ik begon mijn dochter Nils Holgerssons wonderbare reis voor te lezen. En haalde een zeperd. Duurde het vroeger ook zo lang voordat Nils ein-de-lijk op de rug van de grauwe gans Akka klom? Dat moet wel. Maar mijn dochter had er geen geduld voor. En ik ook niet. Wat een slome toestand.

Ik onderschrijf ook Dumon Taks uithaal naar Pietje Bell. Net als zij vind ik die boekjes niet te doen. Dan stelt ze, „Pietje is dood” met als argument dat zijn straat, de Breestraat, sinds het bombardement op Rotterdam niet meer bestaat. Ze maakt een grapje, dat begrijp ik best. Maar toch: de Breestraat ging plat, ja. Nou èn? Boeken kunnen een historisch relevant verhaal vertellen of beantwoorden aan de actualiteit. Maar niet elke lezer zit op die accuratesse te wachten, kind of geen kind.

Dit kind kreeg bijvoorbeeld Flipje voorgelezen. Die was een framboos op witte laarsjes. Ik was dol op frambozen en dol op Flipje en dat dat mannetje niet ‘kon’, deed niet ter zake, het kwam niet eens bij me op (hij ging er ook bij mijn dochter nog goed in. Tot mijn door nostalgie verblinde genoegen).

Uit Leonora Carrington: ‘The Milk of Dreams’. Leonora Carrington / Foto Erik van Zuylen

En nu lees ik The Milk of Dreams, een kinderboek van de surrealiste Leonora Carrington (1917-2011). Ik kocht het, toen ik las dat het titel en thema zou leveren voor de Biënnale 2022 – het festival in Venetië dat om het jaar vaststelt waar de beeldende kunst wereldwijd staat en hoopt te zien waar het naartoe gaat (wat nooit lukt maar dat geeft niet). Sinds de beeldendekunstwereld er werk van maakt vrouwen serieus te nemen zonder te vermelden van welke mannetjesputter ze de muze zijn of waren, staat het werk van Carrington vooraan. En terecht. Ze was een compleet vrije geest. Immuun voor stromingen en genres, ging ze haar neus achterna en creëerde een eigen wereld waar niemand anders toe in staat zou zijn – zoals een kunstenaar betaamt.

Ik ken haar schilderijen, ik las haar verhalen, ik verplaatste me in haar alter ego, de hyena op de dunne pootjes. Maar dat kinderboek is nieuw voor me. Geen wonder dat de Biënnale het als leidraad kiest, het stuurt de lezer een wereld in waar alles mogelijk is: een jongen met vleugels in plaats van oren, drie doosjes „en het kleinste bijt”, een gier die zich vergrijpt aan een schaal aardbeiengelatine. Wat is een mens, wat is een wezen, wat is het leven? En dat in woorden met een pokerface en even briljante als onbekommerde tekeningen.

Ik wilde dat ik dit boek waarin dromen gemolken worden gezien had toen ik zes was. Of tien. Of twintig. Maar nu is ook goed.