Dure huizen, met dienstbodes: ook in Gelderland zijn de sporen van slavernij te zien

Keti Koti Een trainingskamp voor koloniale troepen, een burgemeester die mensen liet brandmerken: Gelderland legt zijn slavernijverleden bloot. „De winsten werden hier geïnvesteerd.”

Kasteel Rosendael, waar in de 18e eeuw de tot slaaf gemaakte Quaco als dienstbode leefde.
Kasteel Rosendael, waar in de 18e eeuw de tot slaaf gemaakte Quaco als dienstbode leefde. Foto Peter Hilz

„Het is toch wel heel mooi dat je het hier metéén aan de huizen ziet hè”, zegt historica Dineke Stam terwijl ze door de Bakkerstraat in Arnhem loopt. Ze becommentarieert hardop wat ze ziet. „Patriciërswoningen uit de achttiende eeuw. De rijkdom stráált er vanaf. En hier rechts: de Bentinckstraat. Straatnamen, dat zijn ook sporen.”

Stam werkt als onderzoeker voor het project ‘Sporen van Slavernijverleden Gelderland’, dat vorig jaar begon. Leden van de familie Bentinck waren gouverneur van Suriname, Demerara en later Berbice. Zij erfden landgoed Middachten, vlakbij Arnhem.

Wie het slavernijverleden uitsluitend koppelt aan Noord- of Zuid-Holland, of aan Amsterdam, ziet niet het hele verhaal. Het ligt er misschien minder dik bovenop, maar sporen zijn er in Gelderland zéker. Er zijn huizen, schilderijen, voorwerpen en mensen te vinden die iets met slavernij te maken hebben.

In veel plaatsen en provincies werd al onderzoek gedaan in het kader van het overkoepelend project ‘Mapping Slavery’, onder andere in Amsterdam, Groningen, Haarlem, Utrecht en Middelburg. Dat project begon aan in 2012 aan de Vrije Universiteit, met een kaart van Amsterdam met namen en adressen van plantage-eigenaren. Inmiddels zijn er gidsen, en fiets- en wandelroutes langs sporen in het hele land uitgezet. De bijbehorende site is momenteel uit de lucht. „Teveel last van hacks”, zegt Stam. „Het blijft een onderwerp waar niet iedereen blij mee is.”

Lees ook: Slavenhandel was niet alleen een zaak van Amsterdam

Ver van het Nederlandse bed

Naast Stam loopt haar mede-onderzoeker, Barbara Esseboom, rurale ontwikkelingssocioloog en zelf nazaat van tot slaaf gemaakten. Ze is oprichter en voorzitter van het eerste Keti Koti-comité in Arnhem, waar ze bijna haar hele leven woont. „Ook ik loop sinds dit project anders door de stad, mij vallen nieuwe dingen op.”

Dit project is bedoeld om het slavernijverleden naar híer te halen, zegt Stam. „De geschiedenis die zich dáár heeft afgespeeld, die heeft Nederland lang ver van zijn bed kunnen houden. Het gebeurde niet hier, zoals in Amerika, in ons land.” Esseboom vult aan: „Mensen distantiëren zich makkelijker. Het gaat van: zóveel winst hebben we niet gemaakt he.” Iets luider: “Wist je dat we niet zoveel wínst hebben gemaakt?”

Onder dit borduurwerk staan de woorden: ‘Komt, daar onse harten bloeden / Dat hier onse daden spreken / Op het zien van slavernij / Laten wij dit Muisje vrij.’ Louise van Ommeren-Hengevelt borduurde dit protest tegen slavernij in 1794.

Foto Rijksmuseum

Protest-borduurwerk

Gelderland was vooral een hele populaire vestigingsplaats voor mensen die rijk geworden waren in de koloniën, en vervolgens in Nederland kwamen wonen, zegt Stam. Esseboom: „Het product van slavernij, de winsten, die werden híer geïnvesteerd.” En koloniale machthebbers namen vaak mensen in slavernij mee als ze terugkeerden. Die woonden op kastelen als dienstbodes, vertelt Stam. Een man genaamd Quaco die in kasteel Rosendael bij Arnhem leefde, was een van hen – van zijn leven maakte onderzoeker Ineke Mok een stripboek. „En je zag hier af en toe ook stemmen tégen slavernij”, zegt Stam. Zo maakte de Arnhemse Louise van Ommeren-Hengevelt in 1794 een ‘protest-borduurwerk’.

In Harderwijk was een koloniaal werfdepot, een trainingskamp voor koloniale troepen. „We vergeten weleens dat Harderwijk toen aan de zee lag”, zegt Esseboom. Jan Bavius de Vries, burgemeester van Harderwijk en eigenaar van plantages in Suriname, gaf eind achttiende eeuw de opdracht om 34 mannen in West-Afrika te kopen. „En hij eiste dat mensen daar met zijn initialen werden gebrandmerkt”, zegt Stam. „Daarin komen veel dingen samen, zowel de gruwelijkheden, als het feit dat dit alles ook vanaf hier georganiseerd werd.”

De allerbelangrijkste sporen, zegt Stam, zijn toch wel de mensen die de geschiedenis in zich dragen. Zo raakte Esseboom betrokken. Lang voor het project begon, was ze zich al bewust van haar geschiedenis, en bezocht ze lezingen en bijeenkomsten. „Mensen dachten op een gegeven moment echt, heb je háár weer.” Nu zoekt en interviewt Esseboom nazaten van tot slaaf gemaakten in Gelderland.

Dat is niet makkelijk. „Er is veel schaamte”, zegt ze. Ze hoort bijvoorbeeld verhalen over liedjes die naar slavernij verwijzen. En soms komen tijdens de interviews voorwerpen te voorschijn. Esseboom: „Beads, kralen, die men gebruikte om slaafgemaakten te kopen. Die hébben sommige mensen nog echt.”

Het voormalig Koloniaal Werfdepot in Harderwijk, waar koloniale troepen werden opgeleid. Later werd het een kazerne.

Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Eerste herdenking en viering

Vlak vóór hun wandeling naar de Bakkersstraat nemen Stam en Esseboom deel aan een bijeenkomst naar aanleiding van Keti Koti in cultureel centrum Rozet in Arnhem, waar zij over het sporen-van-slavernij-project spreken. Het live-publiek bestaat vooral uit vrouwen van kleur. Vanaf de eerste minuut luistert iedereen geconcentreerd, in stilte. Als er iets wordt verteld wat ze herkennen, knikken ze.

Lees ook: Hoe reëel is het om van Keti Koti een nationale feestdag te maken?

Stam vertelt in haar lezing over Anna van Vossenburg, die is genoemd naar de plantage waar ze in slavernij werd geboren, en die in de achttiende eeuw aan de Bakkerstraat woonde. Ze reisde vanuit Suriname gedwongen mee met twee welgestelde jonge vrouwen als ‘dienstbode’, en bleef daar tot haar dood. „Officieel was ze hier vrij, maar waar kon ze heen?”, zegt Stam.

Aan het eind van de lezing loopt een vrouw uit het publiek naar de microfoon. „Wat fijn, deze lezing hier”, zegt ze voordat ze haar vraag stelt. „Normaal moet ik altijd naar het westen als ik iets wil weten.” Esseboom organiseert dit jaar de eerste Keti Koti-herdenking en viering in Arnhem. Dit is de eerste stad in Gelderland die dit officieel doet.

Dat de herdenking en viering hier wat later op gang komt, ligt misschien ook aan het feit dat er simpelweg minder mensen met bijvoorbeeld een Surinaamse achtergrond wonen, denkt Marléne Melfor (68) uit Arnhem, de vragenstelster. „Surinamers en Antillianen zijn hier nogal op zichzelf. Ik kom uit Curaçao en ben nog van de generatie die denkt: wees dankbaar dat ik hier kan zijn. Jongeren hebben dat minder. Dit is gewoon hún land.”

De tendens om het niet over slavernij te willen hebben, is uiteindelijk niet plaatsgebonden, denkt Stam. „Weet je wat het is”, zegt Esseboom. „Er is heel lang niet over gesproken. Laten we het gezellig houden, zeggen mensen dan.” Stam imiteert: „Het is zó lang geleden” Esseboom: „Oh da’s er ook eentje. En als je het zo lang níet over iets hebt, dan gaat het vanzelf verloren.”