Opinie

De publieke ruimte blijkt niet van iedereen

Clarice Gargard

Restaurants, discotheken en cafés zijn weer bijna helemaal open. Sommigen van ons mogen ook wat vaker op kantoor werken en de mondkapjes gaan af. Terug naar ‘normaal’, de publieke ruimte in. Maar voor sommigen is dat meer een stap achteruit dan vooruit.

„Nu alles weer opengaat en we naar buiten mogen, besef ik dat ik binnen, zonder alledaagse interacties, bijna vergeten was dat ik zwart ben”, twitterde ik laatst. Daar kwamen weer eens honderden racistische, seksistische en beledigende commentaren op. Voor hen die liever de ogen sluiten voor oncomfortabele waarheden blijkt het lezen van andermans ervaring een trigger te zijn, waardoor ze onbedoeld precies mijn punt bewijzen.

Door de lockdown was het mij even ontgaan dat de publieke ruimte niet voor iedereen gemaakt is. Wanneer je binnen zit, word je niet constant geconfronteerd met mensen die jou – vanwege arbitraire kenmerken – tot de Ander maken, en kun je gewoon jezelf zijn. Mijn observatie kreeg bijval van andere mensen van kleur, moslims, trans personen en mensen met een beperking.

Het gaat niet alleen om hoe er naar je gekeken wordt als je niet tot de norm behoort, maar ook hoe ‘vijandig’ de publieke ruimte ingericht kan zijn. Zo was er recent kritiek op een loopbrug die in Nijmegen wordt gebouwd waar geen rolstoelen, kinderwagens of rollators overheen kunnen. Waarmee het stadsbestuur impliceert dat enkel burgers die goed ter been zijn willen of mogen oversteken. In veel (grote) steden heb je meer van dit soort vijandige architectuur, zoals bankjes met armleuningen en stoepen met spikes, om slapende daklozen te weren.

Vijandige architectuur is een bouwkundige strategie waar bij het de bedoeling is om specifieke personen uit de publieke ruimte te weren. Dat kan expliciet, door de manier waarop de infrastructuur opgesteld is, maar ook impliciet, doordat een dominante groep bepaalt wie toegang heeft.

Ik maak momenteel een documentaire over de tijdloosheid van zwart en antiracistisch verzet. Daarin komt het thema van ruimtelijkheid ook steeds terug. Een vorm van verzet is namelijk het innemen en bezetten van ruimtes die niet voor jou gemaakt zijn en die omvormen tot iets anders. In activistische kringen wordt daarom veelal over ‘taking up space’ gesproken. Soms kan het plaatsen van een ‘vreemd’ lichaam in een bekende omgeving al verandering opleveren. Zie de aanwezigheid van parlementsleden als Sylvana Simons (BIJ1) en Kauthar Bouchallikht (GroenLinks) die voor veel opschudding zorgt.

Hoewel de samenleving nog steeds wordt geteisterd door het coronavirus dat – als een Gremlin uit de gelijknamige film (1984) die je na middernacht voert – blijft muteren, blijken eeuwenoude plagen zoals uitsluiting nog hardnekkiger uit te roeien.

In mijn vorige column schreef ik over het maken van de toekomst. Dat gaat ook over hoe we ruimtes veiliger inrichten. In rechts-conservatieve kringen (en erbuiten) wordt vaker lacherig gedaan over ‘safe spaces’. Meestal door degenen voor wie de publieke ruimte doorgaans is ingericht en zich daarom niet kunnen voorstellen dat anderen er onveilig zijn. Uitsluiting is voor sommigen zo normaal, dat een poging tot het tegenovergestelde honende scherts oproept.

Toch mag dat ons er niet van weerhouden ruimtes te herdefiniëren. Of het nou is door ruimtes voor niet-dominante groepen te creëren, toegankelijke bruggen te bouwen of kussens op antidaklozenbankjes te leggen, waarmee we stellen dat de publieke ruimte van niemand is – en dus van ons allemaal.

Clarice Gargard is programmamaker en freelance journalist.