In een week van Madrid naar Lissabon fietsen, zonder te zweten

Reizen Ondanks haar chronische ziekte fietste in een week van Madrid naar Portugal, over de bergen. Op een snelle e-bike, de speed pedelec.

Foto Jessica de Korte

Puerto de Serranillos, 1.575 meter, staat op een bruin bordje. De top van de bergpas is bereikt. Haarspeldbochten slingeren sierlijk door het landschap, als een zilverkleurig collier boven een groene jurk.

Even stel ik me voor hoe ik op deze col – bekend van de Ronde van Spanje – met mijn bepakte vakantiefiets zou staan. De keel droog door de hitte, een piepende ademhaling, slappe benen, kramp in de kuiten. Maar er glinstert geen enkel zweetdruppeltje op mijn voorhoofd. Een fietstocht met forse tegenwind in de polder was zwaarder geweest.

In een week tijd fiets ik met een groep van Madrid naar Lissabon: 826 kilometer, 12.548 hoogtemeters. Het zijn cijfers om van te duizelen, maar deze keer zit ik op een speed pedelec, een elektrische fiets waarmee je 45 kilometer per uur haalt. Onze bagage wordt van hotel naar hotel gebracht.

Door fibromyalgie (een chronische aandoening die voor pijn en vermoeidheid zorgt) moet ik mijn energieniveau altijd in de gaten houden, ook al ben ik nog maar 38. Nú kan ik de rest van de groep redelijk bijbenen. Het gaat om vier fitte, Arnhemse mannen – wielrenners en mountainbikers – van in de vijftig, een stel vakantiefietsers uit Deventer, twee vriendinnen die sinds kort in Rijnsaterwoude wonen, en een sportieve columnist van in de zestig uit Ameide.

Lees ook: De fietsvakantie die alles veranderde

Madrid, daar begint de tocht dus. Tegels met bloemenpatronen fleuren de muren op. Het rode fietspad door de buitenwijken lijkt door de boomwortels en rotondes vooral een behendigheidstest, maar de hoge snelheid komt later wel.

De komende dagen zullen de landschappen rap in elkaar overgaan. Lichtbruine koeien sukkelen door de bergweilanden, witte cistus en paarse distels bloeien in de dennenbossen. Dicht bij rivieren en meren doemen palmen, olijfbomen en wijngaarden op. Later komen de kale vlakten van Extremadura, dan de rijstvelden met zwarte ibissen in de monding van de Taag bij Lissabon.

Het is alsof ik door een museum fiets waar schilderijen rommelig naast elkaar zijn opgehangen. Maar ik slenter niet, ik knal erdoorheen. Wielrenners die vermoeid over hun stuur hangen, kijken verbaasd om. In een van de vele schattige dorpen schudt een oude man met wandelstok bezorgd zijn hoofd. „Levensgevaarlijk!”, roept hij in het Spaans.

Op veel fietspaden mag je in Nederland niet rijden met een speed pedelec, waar je een bromfietsrijbewijs voor nodig hebt. Maar ga je de grens over, dan zijn er volop wegen door de natuur die wél toegankelijk zijn.

Benno Ponds van Hi-Biking organiseert fietsvakanties met speed pedelecs – zo ook deze reis. Na de verkoop van zijn zwemschool had hij tijd over. Gidservaring had hij al, als skileraar, zeilinstructeur en sporttrainer. Zijn wielrenmaatjes verklaarden hem voor gek: „Je gaat toch niet op een e-bike fietsen?” Nu doen ze allemaal mee.

Thuis heeft hij de routes uitgestippeld met apps als Strava, Google Street View en OpenStreetMap, maar hij kijkt continu om zich heen, op zoek naar andere mooie paadjes.

Foto Jessica de Korte

Met fietsen houd ik mijn spieren soepel. Maar bergen beklimmen doe ik nauwelijks meer: te heftig voor mijn lijf. Heerlijk is het, om nu weer af te kunnen dalen met vijftig kilometer per uur. Die adrenaline. Wat de Nürburgring voor de motorraceliefhebber betekent, is een col als de Puerto de Serranillos voor de fietser.

Bergop voelt het alsof iemand continu een zetje in mijn rug geeft, zoals mijn vader dat vroeger deed, als we in open land weer eens tegenwind hadden. Maar net als ik denk dat ik fluitend door de week ga komen, komt het eerste ‘Benno-paadje’. Dat betekent: geen idee wat er gaat komen. Ineens sta ik met mijn zware fiets op een helling van 20 procent, waar mijn banden nauwelijks grip hebben op de losliggende steentjes. Rechts een afgrond naar een meer.

Gelukkig dragen we allemaal een helm, die tussen een fiets- en brommerhelm in zit, verplicht op een speed pedelec. Ik slik even, neem dan de omgeving in me op. Het water, de groene bergtoppen, de hoge rotsen aan de oever, de ezel iets verderop. Uiteindelijk loop ik verder met de ‘move-modus’: de fiets van bijna dertig kilo beweegt dan zelf mee. Benno verontschuldigt zich, maar als ik een uur later aan een immens grote biefstuk zit, besef ik dat ik hiervoor fiets: het avontuur.

Peter Droogers, de tweede begeleider, noemt iedere ochtend de plant en de vogel die we die dag kunnen zien. De kersenbomen maken de Jerte-vallei „de Achterhoek van Spanje”. Ooievaars nestelen op kerktorens en ruïnes. Als er iets felblauws voorbijflitst, zou het zomaar een bijeneter kunnen zijn. Na het ontbijt luisteren we via de telefoon naar het zanggeluid, om het vogeltje later te kunnen herkennen.

Benno wil het competitieve element uit het fietsen halen en dat lukt redelijk in dit gezelschap. Vorige week reed een andere groep nog met de ondersteuning standaard in de laagste stand. Wie het hoogste accupercentage overhield, was de winnaar. „Die mannen kwamen hijgend boven”, vertelt Peter. „Ja, neem dan gewoon de racefiets!”

Eenmaal aangekomen in de hotels gaan de wijnflessen open. Een licht katertje kan prima als je een motortje op de fiets hebt. Gesprekken, grappen en nabeschouwingen klinken, met een vertrouwelijkheid alsof we elkaar al jaren kennen.

Foto Jessica de Korte

Wijnhandelaar Alice en haar man zijn net als ik gewend om trektochten op hun vakantiefietsen te maken. Marjolein fotografeert graag bloemen, vriendin Gigi heeft niet eens een fiets thuis. Wouter runt een interieur- en kledingzaak. Zijn maatje herstelde van een burn-out en begon een autostalling voor oldtimers. Allemaal ondernemende types die van avontuur houden.

„We zijn helemaal uit Madrid komen fietsen en ontzettend moe”, zegt Marjolein na een fietsdag van 150 kilometer en 3.019 hoogtemeters. De jonge serveerster Patricia van een restaurant in Arenas de San Pedro heeft net laten weten dat er geen taxi’s rijden.

De wandeling van een kilometer vanaf het hotel was eigenlijk al te veel. Niemand van ons wil na een paar wijntjes en een lading tapas voor een tweede keer die verschrikkelijk steile heuvel op, waar ons hotel zich bevindt. Patricia is diep onder de indruk en snelt naar haar auto, om ons samen met collega Jose een lift te geven. Dat de fietsen motortjes hebben, ‘vergeten’ we maar even te zeggen.

Na iedere bocht gaat de weg steiler omhoog. Jose blijft vragen: „Más, más?” Meer, meer? Hij vraagt zich vast af hoe we in hemelsnaam eerder met de fietsen op de top zijn beland. Met mijn eigen vakantiefiets was ik spontaan gaan janken, als ik na vijf zadeluren in de hitte nog zo’n steile helling had moeten bedwingen.

Foto Jessica de Korte

Geleidelijk aan ontstaan er twee groepen: die van het asfalt, en die van de onverharde, alternatieve routes van Benno. Ik wissel voortdurend. Ben ik moe, dan kies ik voor glad wegdek. Barst ik van de energie, dan durf ik de zand-met-stenen-paadjes aan. De lege wegen in niemandsland zijn al het stuiteren meer dan waard.

Het lijstje roofvogels kan ik al snel afvinken. De steenarend, Bonelli’s adelaar, de rode wouw, vale gieren. En ook de hop, Peters vogel van de dag. Soms rem ik even af, om te zien hoe de dieren elegant door de lucht glijden, alsof er geen zwaartekracht bestaat. Zo voelt het ook op de speed pedelec. Trappen moet je, maar geen enkele keer voel ik de hevige nek-, rug- en spierpijn, die voor mij bij beklimmingen zijn gaan horen. De hitte, die maakt het soms wel pittig.

Aan de kreten van Gigi te horen is de reis overigens loodzwaar als je geen goede fietsconditie hebt. Ook de columnist heeft het soms even moeilijk, maar dat komt vooral door het hoge tempo. ’s Avonds zit hij er weer fris bij.

De derde begeleider, Peter Bijkerk, zoekt met zijn busje een paar keer per dag een pauzeplaats op, waar onze pedelecs een nieuwe accu krijgen. Mijn fiets heeft telkens het hoogste energiepercentage over. Dat komt vast door mijn lichte gewicht, en toch maak mezelf soms wijs dat ik de beste fietsbenen van het gezelschap heb.

„Ja, ja…”, zegt de receptioniste van mijn appartement in Lissabon, als ik na het bereiken van de finishlijn trots uitleg dat we met elektrische fietsen uit Madrid zijn komen rijden. Ze denkt dat ik haar voor de gek houd. Snel schiet ze te hulp als ik mijn koffer via de trappen naar de vijfde verdieping wil tillen. Vooruit dan maar.