Slavenhandel was niet alleen een zaak van Amsterdam

Koloniaal verleden Steeds meer steden overwegen excuses te maken voor hun slavernijverleden, zoals Amsterdam donderdag zal doen. Dat maakt nationale excuses onvermijdelijk, denken deskundigen.

Herdenking van de afschaffing van de slavernij, bij het slavernijmonument in Rotterdam, vorig jaar.
Herdenking van de afschaffing van de slavernij, bij het slavernijmonument in Rotterdam, vorig jaar. Foto Robin Utrecht / ANP

In de Koepelkerk van Sappemeer, Oost-Groningen, ligt Thomas van Seeratt begraven, kapitein van slavenschepen, in dienst van de West-Indische Compagnie (WIC). De Groningse adel, kooplieden, de provincie en het stadsbestuur investeerden een half miljoen gulden in de compagnie en werden zo voor een negende deel aandeelhouder.

In Middelburg werd in 1720 de Middelburgsche Commercie Compagnie opgericht, die zich specialiseerde in de trans-Atlantische slavenhandel. Vanuit Zeeland vertrok slavenschip D’Eenigheid naar Afrika, kocht daar zo’n driehonderd man in, en vervoerde ze naar Suriname.

Lees ook: De eerste Afrikaanse Amerikanen werden verhandeld onder de Nederlandse vlag

De excuses voor de rol van Nederland in de slavernij komen deze donderdag niet uit Groningen of Middelburg. Wel uit Amsterdam. Daar zal burgemeester Femke Halsema op Keti Koti, de dag dat de afschaffing van de slavernij wordt gevierd, formeel ‘sorry’ zeggen voor de bijdrage van de hoofdstedelijke bestuurselite aan de trans-Atlantische slavenhandel.

Dat betekent niet dat elders in het land geen aandacht is voor het slavernijverleden. In steeds meer steden zwelt de roep aan de duistere kanten van het koloniale verleden te onderzoeken en te herdenken. Het tempo verschilt per gemeente, de aanjagers en de toon ook, maar er is onmiskenbaar een beweging gaande. Een beweging die, zeggen deskundigen, druk verhoogt op het kabinet voor nationale excuses.

Een voortrekkersrol wordt gespeeld door Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. De vierde grote stad, Den Haag, gaat ook het eigen slavernijverleden onderzoeken. Van de drie aanjagers was Rotterdam eerder dan Amsterdam, die de meeste rijkdom vergaarde met de slavernij. In 2018 riep de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb op tot landelijke excuses, „om definitief een punt te zetten achter deze donkere bladzijde uit de geschiedenis”. Het stadsbestuur gaf daarna opdracht tot maar liefst drie studies naar de Rotterdamse rol in de slavenhandel (spoiler: die was vrij groot). Dit najaar neemt de gemeenteraad een besluit over een eventueel ‘sorry’.

In Amsterdam werd ook onderzoek gedaan, zij het sneller en minder uitvoerig. Daar verscheen in november een studie die de opmaat vormt tot de excuses van Halsema. Ook is de hoofdstad bezig met een nationaal museum over de slavernij. Een commissie adviseerde onlangs zo snel mogelijk een tijdelijke „pop-uplocatie” te openen, bijvoorbeeld in het Paleis op de Dam.

Utrecht publiceert deze woensdag de resultaten van een uitgebreid onderzoek in de stadsarchieven, als opstapje naar excuses. Want ja, óók Utrecht – midden in het land, geen haven, geen aandelen in de WIC of de VOC – verdiende geld aan de slavenhandel. „Hier zaten notarissen die contracten maakten voor financiering van slavenschepen en plantages”, zegt Alex van Stipriaan, hoogleraar Carïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die een bijdrage leverde aan het onderzoek. „Utrecht lanceerde ook een eigen compagnie om plantages te beginnen in Suriname.”

Het Utrechtse onderzoek bevestigt wat Van Stipriaan al jaren benadrukt: de slavenhandel was niet alleen een zaak van Amsterdam of Rotterdam – het héle land was erbij betrokken. „Het aandeel van Amsterdam was het grootst. Maar de aanvoer van grondstoffen en personeel om de slavenkoloniën in Suriname en in het Carïbisch gebied draaiende te houden, kwam echt uit alle hoeken van Nederland.”

Slavenhandel om de hoek

Groningen had bijvoorbeeld, net als Amsterdam, een eigen ‘Kamer’ (afdeling) bij de WIC, die zich bezighield met de handel in goud, ivoor en slaven. „Het vooroordeel is dat slavenhandel iets is dat over Amsterdam gaat, maar het gebeurde ook om de hoek”, zegt Lieuwe Jongsma, die meewerkte aan het project Mapping Slavery, dat de nog aanwezige sporen van de slavenhandel in de stad en provincie Groningen zichtbaar maakt. „Er wordt vaak gevraagd ‘hoeveel geld leverde het op?’ Meedoen was goed voor het prestige, ook buiten de stad.”

In de gemeenteraad roept Jim Lo-A-Njoe (D66) op tot verder onderzoek naar het Groningse slavernijverleden: hij wil graag dat het stadsbestuur zich aansluit bij de lobby van de vier grote steden voor nationale excuses. Maar volgens Roberto Refos, organisator van de Keti Koti-viering in Groningen, draait het vooral eerst om „educatie en verbinding”. „Dan pas kunnen we toewerken naar bijvoorbeeld een vrije dag of excuses.”

Sinds drie jaar wordt Keti Koti gevierd, eerdere pogingen „beklijfden niet”, zegt Refos. Die educatie bestaat bijvoorbeeld uit een stadswandeling langs tastbare sporen van het koloniale verleden. Donderdag doet een deel van de Groningse gemeenteraad daaraan mee. Refos: „We proberen niet vanuit de schuldvraag te praten, maar vanuit het gedeelde verleden.”

In de stad Groningen zie je een beweging van onderop – dat is vaak het geval in gemeenten die grote stappen nog niet aandurven. „Een jongere generatie van onderzoekers en activisten is bezig met de slavernij”, zegt Nancy Jouwe, een van de drie auteurs van het Utrechtse onderzoek en een van de initiatiefnemers van Mapping Slavery. „Lokaal gaat het ook makkelijker dan landelijk, want je zit minder vast in een politiek stramien.”

‘Brede stadsgesprekken’

Ook andere steden worstelen. Neem Hoorn in Noord-Holland. Midden in de oude binnenstad staat een reusachtig standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, voormalig boegbeeld van de ‘VOC-mentaliteit’ maar nu omstreden vanwege zijn moordcampagnes in Indië. Vorig jaar was het standbeeld het toneel van heftige protesten.

Naar aanleiding daarvan organiseerde het stadsbestuur ‘brede stadsgesprekken’ over ‘inclusie en het koloniale slavernijverleden’. Bureau Twynstra Gudde werkt nu aan een advies voor de gemeente dat begin juli verwacht wordt. Daarbij lijkt behoedzaamheid het uitgangspunt, want het stadsbestuur heeft al aangekondigd dat het rapport „geen oordeel velt over de onderwerpen” en ook zal zwijgen over de vraag of het standbeeld van Coen moet blijven.

Middelburg kreeg al in 2005 een slavernijmonument, drie jaar na Amsterdam. Sindsdien is „de discussie hier stilgevallen”, zegt Ferdinand Ralf, die betrokken was bij de komst van het monument. „We maakten eerst grote stappen, nu lijkt het omgekeerde: koudwatervrees. In kleine kring is er veel verandering geweest sindsdien, maar de brede basis is er nog niet.”

Ralf pleit voor een kenniscentrum in Middelburg, waar in het archief het meest complete slavenregister van Nederland te vinden is, en waar vlakbij het dok ligt waar de schepen van de MCC werden gebouwd. Maar de discussie stokt in de gemeenteraad: volgens de grootste partij, Lokale Partij Middelburg, is er geen geld voor een kenniscentrum, de PvdA signaleert eerder ongemak en afwachtendheid. Ralf zegt: „Zeeland kan zich niet stil en bescheiden opstellen.” Maar misschien, zegt hij, „als Amsterdam excuses heeft gemaakt, dat dan naar Zeeland gekeken zal worden”.

Lees ook: Nationale herdenking slavernij vraagt om debat

Alleen al die druk van steden als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht maakt het „onvermijdelijk” dat vroeg of laat landelijke excuses komen, denkt hoogleraar Alex van Stipriaan. Tot nu toe ging het kabinet niet verder dan het uitspreken van „schaamte, diepe spijt en berouw”. Van Stipriaan ziet naast de gemeentelijke onderzoeken en excuses nog twee factoren die de druk op het kabinet en de Tweede Kamer verhogen. Eén: het maatschappelijk protest tegen ‘institutioneel racisme’ onder aanvoering van Black Lives Matter.

En twee: mogelijke schadeclaims. De Carïbische handelsgemeenschap Caricom heeft een aantal jaar geleden een Brits advocatenkantoor in de arm genomen om de mogelijkheden van een schadevergoeding voor de slavernij te onderzoeken. Van Stipriaan: „Ooit kloppen die natuurlijk aan bij het Torentje of de Tweede Kamer.”

Een „mooi moment” voor nationale excuses, denkt Van Stipriaan, zou de 160-jarige verjaardag van de afschaffing van de slavernij kunnen zijn, in 2023 (150 jaar nadat slaven echt vrij werden). „En anders de opening van het nationale slavernijmuseum in Amsterdam.” De excuses, verwacht hij, zullen van de koning komen, net als vorig jaar in Indonesië. „Premiers komen en gaan, maar de koning spreekt namens de natie. En hij heeft er ook nog een persoonlijk verhaal bij, want de Oranjes waren grootaandeelhouders in de WIC.”

Dialoogtafel over slavernij pagina C3