Opinie

Nostalgie naar later

Emma Bruns

Het afgelopen jaar heeft ons misschien wel meer dan ooit bewust gemaakt van onze leeftijd. Het jaartal waarin we ter wereld kwamen bepaalde of je met je verpleeghuisgenoten werd opgesloten, hoe laat je boodschappen mocht doen en wanneer de bevrijdende prik in de bovenarm zou volgen. Het ‘dorre hout’ kon alleen nog toegezwaaid worden en velen, inclusief onze premier, konden hun dierbare grijsaards niet meer een laatste keer knuffelen voor ze de aarde definitief zouden verlaten.

Ook de jeugd ondervond dagelijks de inperkingen van hun onbezonnen vrijheid die hoort bij een getal onder de dertig. Terwijl de ME voor het eerst sinds jaren de uitgelaten jongelui in het Vondelpark moest inperken, buitelden psychologen over elkaar heen om de traumatische effecten van deze pandemie voor de jonge generatie te duiden. Toch zijn leeftijden en generaties altijd een beetje zoals haar: wie steil haar heeft, wil krullen en voor wie krullen heeft, kan het niet recht genoeg. Wie oud is, roert nostalgisch in zijn kopje koffie, mijmerend over zijn dagen als student: vrij en onbezonnen. Wie jong is, kan niet wachten tot zijn carrière eindelijk een vlucht neemt.

Zo ook in mijn eigen vakgebied. Van oudsher is de heelkunde een ambacht waar de ervaring zegeviert. Hoe meer je hebt gezien, gevoeld en gerepareerd, des te meer schade en schande om de wijsheid in pacht te hebben. Als jongeling maak ik me nog dagelijks schuldig aan allerlei beginnersfouten. Niet zelden verschijnt er pas geruststelling op het gezicht van de patiënt als mijn grijsbehaarde supervisor zich naast mij voegt.

Het opmerkelijke van de menselijke geest is haar weerzin om het nu evenzeer te waarderen als het verleden of de toekomst. Ik denk met plezier terug aan mijn eerste houterige gesprekken als co-assistent, maar vind het soms ronduit frustrerend dat ik een hechting bij een kijkoperatie niet zo soepel steek als mijn supervisor. Ik vind het mooi hoe mijn moeder van 71 haast verliefd over de kleine plantjes in haar moestuin aait, maar vind zelf lang niet altijd de rust om te genieten van de traagheid.

Al met al lijkt met het opengaan van het land ook de tijd weer harder te gaan lopen. Er is weer meer haast, meer te doen, er zijn minder momenten om maar een beetje doelloos te verspillen. Voor we het weten, staan we weer met z’n allen in de file en ergert de racefiets zich aan de rollator en de ceo zich aan de stagiaire. Misschien moeten we dan maar bedenken wat een oudere man me laatst op mijn spreekuur door zijn mondkapje toefluisterde. Zijn schuifelende pas deden me onbedoeld langer wachten bij de deur die ik voor hem openhield. In zijn blik zag ik even de jonge man die in dat oude lijf verscholen zat. Hij voelde vast mijn poging om mijn ongeduld niet te laten blijken en kneep even in mijn arm. „Meissie, geniet maar van het leven, want het duurt maar even.”