Recensie

Recensie Beeldende kunst

Konrad Klapheck laat op zijn schilderijen wielen en schroeven ongenaakbaar glimmen

Tentoonstelling Museum More wijdt een expositie aan de Duitse realist Konrad Klapheck. Bijna zestig jaar machinekunst komt er dreigend op je af.

Konrad Klapheck, ‘Die Fragen der Sphinx’, 1984, collectie Musée de Grenoble
Konrad Klapheck, ‘Die Fragen der Sphinx’, 1984, collectie Musée de Grenoble Foto Jean-Luc Lacroix

Toen in de jaren zestig de storm van de Pop Art uit de Verenigde Staten overwaaide naar Europa, werden daar tal van nietsvermoedende objectenschilders in meegezogen. Ook de Duitse typemachineschilder Konrad Klapheck (1935, Düsseldorf) werd plots ontdekt als een soort proto-Pop Artist. Hij brak door, en hoe.

Zijn eerste tentoonstelling in de VS in 1969 was in een paar dagen uitverkocht. Met grote standvastigheid portretteerde hij onder meer type- en naaimachines, op karaktervolle wijze. De Dogmaticus uit 2016 is een kaarsrechte typemachine (zelfportret?) dat het meest recente schilderij vormt in zijn solotentoonstelling in Museum More, Klaphecks eerste in Nederland sinds 1974.

Machinekunst

Bijna zestig jaar machinekunst komt er dreigend op je af – telefoons, brandslangen, bromfietsen. Inspiratie haalde hij uit de Neue Sachlichkeit, het wat kille realisme van de jaren twintig waarin mensen verloren raken in de moderne wereld. Dat is duidelijk een andere aanpak dan die van de echte blije Amerikaanse Pop Art, maar dat was dan ook een stroming die onder Europese kunstenaars voor opgetrokken wenkbrauwen zorgde. Ja, ook zij wilden wel iets zeggen over die consumptiemaatschappij, maar niet zo unverfroren lichtzinnig als die Amerikanen dat deden. En er is niets lichtzinnigs aan Klaphecks kunst.

Konrad Klapheck, Reichtum, 1976. Olieverf op doek, 141,5 x 111,5 cm. Collectie Kunstpalast, Düsseldorf. Foto Nicolas Lieber

En toch, zoals een commercial producten oppoetst, zo laat Klapheck de wielen, slangen, draden, schroeven, spaken ongenaakbaar glimmen. Daardoor zien ze er ook wat ontoegankelijk uit, hermetisch, een beetje onprettig. De titels onderstrepen dat gevoel. Zo is er een scheerapparaat dat De Terroriste heet en een strijkijzer genaamd De Bezetter. De titel Het Feest uit 1991 blijkt te horen bij een tekening van een gasmasker. Maar al was het misschien geen feest in huize Klapheck, hij schilderde wel met humor. En met elegantie. Het Feest is in zijn lijnvoering prachtig opgezet, met een vertekend perspectief voor een extra zwierige compositie.

Bombardementen

Mensen plaatsten wel eens verzoeknummers bij hem voor hun favoriete naaimachine, maar daar ging Klapheck niet op in. De machines waren een middel om iets anders uit te drukken, al is niet altijd duidelijk wat precies. Als kind had hij meermaals moeten vluchten voor bombardementen en later trouwde hij een Joodse vrouw met nog veel meer oorlogstrauma’s – dat sleepte hij sowieso mee zijn kunst in.

Konrad Klapheck, Der Hausdrache, 1964. Olieverf op doek, 70 x 58cm. Foto Horst Ziegenfusz

En misschien was het nog wel meer dan dat. Duitsland had een regime gehad dat mensen had ontmenselijkt op oorlogsindustriële wijze. Wat wil je er dan mee zeggen als je stalen gestaltes gaat opvoeren in je kunst? Alles wat Klapheck afbeeldde had zijn oorsprong in functionaliteit, nut, en dat gaf hij menselijke titels. Maar hoe nuttig is die mens gebleken? Waren het niet de meest robotesk denkende mensen die het nazisme hadden voortgebracht? Wat heeft nut dan voor zin?

Jaren werkte hij zo door, maar uiteindelijk, in zijn late kunst, openbaarde hij zichzelf. Tegen de eeuwwisseling ging hij namelijk mensfiguren schilderen, in jazzorkesten en erotische scènes. Het zijn merendeels pijnlijk slecht geschilderde werken, enkel vermeldenswaard vanwege de boodschap: ook zijn mensfiguren zien eruit als machines. Ze zijn bezig met macht, hebben vulva’s en penissen als wapens.

Als je dit ziet, begrijp je zijn eerdere werk nog beter. Klapheck hoorde nooit thuis in de Pop Art. Zijn machines waren nooit objecten. Het waren altijd mensen, die zich achter harnassen verscholen omdat ze de oorlog niet achter zich konden laten.