‘Ik zeg je eerlijk, bro, je lijkt echt op je vader’

In Ally Wat voorafging: In de tuin van Jaspers theater werd een zomerfeest georganiseerd. Van tevoren vroeg Samantha of Jaspers vrouw ook kwam.

In Ally

Pas toen Jasper zag hoe Samantha in actie kwam, bedacht hij: o ja, dat krijg ik er ook nog bij, ze gaat zich aan mijn kinderen voorstellen. Alles om duidelijk te maken: ik hoor er nu bij hier, Samantha is mijn naam, na Jasper ben ik de belangrijkste medewerker van dit theater en jullie komen niet meer van mij af.

Jasper had Vince meegenomen naar het zomerfeest, Monique kwam later met de andere kinderen.

„Jij moet Vince zijn”, riep Samantha, net iets te joviaal. „Ik zeg je eerlijk, bro, jij lijkt echt op je vader.”

„Ja, en wie bent u?”, vroeg Vince.

Samantha zei dat ze misschien tien jaar ouder was dan hij, Vince hoefde echt geen u tegen haar te zeggen.

Vince keek om zich heen. Het feest in de tuin van zijn vaders theater was net begonnen. Meteen naast de deur naar de tuin stond een bar, daartegenover de tafels waarop een buffet lag uitgestald, vol puur eten. Lokaal ook. En ambachtelijk.

De rest van de tuin was gevuld met van die hoge statafels. Allemaal geleverd door het cateringbedrijf van Jan-Jaap, oftewel JJ, alias JayJay, die vorige week aan Samantha had uitgelegd dat hij nooit iets racistisch kon zeggen, want zijn vrouw was ook Surinaams.

Vince wees naar de jongemannen die in de bediening werkten. „Waarom moeten zij nog mondkapjes dragen en wij niet? Shit is creepy.”

Dat was het begin van de avond. Jasper moest gastheer spelen. Daar was hij zo druk mee dat hij soms vergat wat hem nog te wachten stond. Een paar keer, tussen twee gesprekken in, had hij de tijd om er even aan te denken, als een telegram in zijn hoofd: Monique komt zo, confrontatie met Samantha, grote fout, maar kan ik nu niets meer aan veranderen, hoe ga ik dat aanpakken?

Ralph was er, Jaspers vader. Met Elsbeth, zijn vijftien jaar jongere vriendin, had hij zich gepositioneerd aan de eerste statafel. Jasper hoorde hoe hij een jongen van de bediening opdroeg een stoel voor hem te halen, nee wacht, doe er maar twee, ook een voor zijn vrouw.

En nadat de stoelen waren gebracht en Ralph de statafel opzij had laten zetten, want anders kon hij de andere gasten niet zien: „Zo, kun je ons nu twee nieuwe glazen wit brengen? Of doe maar een fles, dan hoef je niet steeds te lopen. En heb je een tafel waar we die fles op kunnen zetten? Nee, niet zo’n hoge tafel, een gewone tafel. Kun je die anders van binnen halen, uit het kantoor?”

De statafel ernaast was voor Samantha, die alle nieuwe gasten uitbundig begroette: „Wat leuk om u te zien. Ik ben Samantha, de nieuwe programmeur van het theater.”

Aan haar tafel stond ook Isaac, die vandaag een zwarte haarband over zijn dreadlocks droeg. En een donkerblauw pak van Corneliani. Isaac kende alle gasten al, de meesten van hen had hij weleens aan een nieuw baantje geholpen. Natuurlijk staat Samantha bij hem, dacht Jasper, zo kan ze aan iedereen laten zien: ik hoor bij Isaac, ik ben oké.

Samantha was net haar idee voor een nieuwe voorstelling aan het ontvouwen. Het ging over uiterlijk en etniciteit. Wat als iemand afstamde van tot slaaf gemaakten – voor één zestiende deel of één achtste deel – en je kon het niet aan ze zien? Hun huid was te licht en hun haar niet kroes genoeg, maar ze hadden toch een overovergrootouder die tot slaaf was gemaakt: mocht zo iemand de pijn claimen? En mochten mensen die wel donker genoeg waren ze die pijn ontzeggen? Over dat dilemma moest de voorstelling gaan.

Jasper zag hoe Ralph vanaf zijn stoel de aandacht van Samantha probeerde te trekken. Tot slaaf gemaakte – alleen al taalkundig vond hij dat een onacceptabel woord en hij weigerde het te gebruiken.

En toen kwam Monique binnen, met Ava en Benjamin. Samantha stapte meteen op haar af: „Wat leuk je eindelijk te ontmoeten. Ik ben Samantha, de nieuwe programmeur van het theater.”