Het Sicilië van Rijksmuseum-directeur Taco Dibbits

Rentreereis Zodra zijn werk het toelaat, gaat Rijksmuseum-directeur Taco Dibbits naar Sicilië. „Ik word rustig van het idee dat alle tijden daar aanwezig zijn.”

Illustratie Anne van Wieren

Misschien is het de helblauwe kleur van het water, de zachte golfslag, of het feit dat Odysseus er heeft gevaren. De Middellandse Zee is voor Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits (52) magisch. Elk jaar als hij op Sicilië arriveert, doorloopt hij hetzelfde ritueel. Hij klapt zijn parasol open, loopt naar de zee, twijfelt even voordat hij definitief besluit erin te duiken, en opent dan zijn ogen onder water – het moment waarop de centrifuge in zijn hoofd tot stilstand komt. Zodra hij druipend de zee uitloopt, is hij officieel met vakantie.

De eerste keer dat hij het eiland bezocht, was hij als net afgestudeerde kunsthistoricus op werkreis. Voor een tentoonstelling legde hij dezelfde route af als de achttiende-eeuwse Zwitserse schilder Louis Ducros. Hij maakte foto’s van de plekken die Ducros had afgebeeld en voerde gesprekjes met de bewoners aan wie hij de pastelkleurige reisgezichten liet zien. In het Italiaans, een taal die een andere kant in hem naar boven brengt. Speelser wordt hij ervan, zeggen zijn vrienden. „Ik maak meer grapjes in het Italiaans.”

Dibbits werd er verliefd op wat hij „de stapeling van culturen” noemt. „Sicilië is door verschillende machten overheerst: de Grieken, de Noormannen, de Arabieren. Dat zie je terug in de architectuur.” Hij zag er Griekse tempels, maar ook simpele vierkante gebouwen met Arabische raampjes. En tot zijn verbazing voelde hij er niet de noodzaak te weten uit welk jaar die gebouwen dateren. „Ik word rustig van het idee dat alle tijden aanwezig zijn.”

Sindsdien is Sicilië de plek waarnaar hij altijd zal terugkeren. Zodra zijn werk het toelaat, zoekt hij het eiland weer met zijn gezin op. „Elk seizoen heeft zijn charme.” In de zomer kijkt hij in Syracuse naar tragedies en komedies, in het Griekse theater dat in de kom van een heuvel is uitgehakt. Niets is romantischer dan in de avond op de tribune te zitten, een briesje te voelen en over de baai uit te kijken. Maar hij gaat net zo lief met Pasen, als de amandelbomen in bloei staan en een „bedwelmende geur” afgeven.

Door uitbarstingen van de Etna is het land heel vruchtbaar, zegt hij. Het is dan ook niet toevallig dat hij hier „bomen leerde waarderen” – er zijn olijfbomen die al zo lang bestaan dat Plato ze misschien nog heeft bewonderd. En dat is wat Sicilië hem zo duidelijk maakt: wij zijn slechts passanten.