De betonnen luchtwachttoren in het Friese Oudemirdum

Foto Kees van de Veen

Reportage

De tijd knabbelt hier voortvarend aan

[De vooruitgang] Een wandeling in etappes door het industrieel erfgoed van Nederland. Aflevering zes (slot): een oude luchtwachttoren in het Gaasterland. „Het voelde soms wel nutteloos.”

Tekst Foto

De vitrine met uitleg naast de groengrijze toren is verbrijzeld. De deur van spaanplaat hangt alleen nog aan zijn slot, lijkt het. De mannen die hier ooit een paar keer per week hun fiets parkeerden en de trappen beklommen naar het observatieplatform, waren omgekeerde vogelspotters. Eindeloos hadden ze geoefend op de silhouetten van Sovjet-vliegtuigen die ze juist nooit in het echt hoopten te zien.

Het idee was: bommenwerpers die te laag vlogen voor de radar waarnemen met het blote oog en doorgeven aan het hoofdkwartier van het Korps Luchtwacht Dienst. Vanaf 1951 werden in Nederland 275 van zulke posten gebouwd, op bestaande gebouwen en nieuw, zoals hier in de bosrand bij Oudemirdum in het Gaasterland, de zuidwesthoek van Friesland.

De merkwaardige toren – dertien meter hoog, en omdat hij op een heuvel staat dertig meter boven zeeniveau – is er een van een handjevol dat sindsdien niet is afgebroken. Maar de tijd knabbelt er voortvarend aan, zie ik als ik hier op een warme junidag mijn wandeling begin.

De betonnen luchtwachttoren in het Friese Oudemirdum in 1992 en nu. Foto A.J. van der Wal/Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed & Kees van de Veen

De toren is gebouwd uit prefab ‘open rasters’ van gewapend beton, het ‘Raat-systeem’ waarop architect Marten Zwaagstra in 1950 octrooi kreeg. De vierkante ‘raten’, licht maar sterk, werden in mallen gegoten en het beton werd verdicht door de mal te laten trillen, lees ik. Nu weet ik eindelijk wat ‘schokbeton’ is.

360 graden horizon. In het westen de oude Zuiderzee, in het zuiden de nieuwe Noordoostpolder, in het oosten en noorden bos en akkers. Een kerkspits, een schoorsteen. Zouden de luchtwachters echt hebben gedacht dat de bom elk moment kon vallen? Of dachten ze aan hun koeien, hun café-biljart of de vergadering van de IJswegencentrale?

Het KLD-net functioneerde tot 1964. Sinds de oprichting is er precies één melding geweest: een Russisch vliegtuig dat van een luchtshow in Parijs kwam. En vermoedelijk was het in 1951 al achterhaald door de toegenomen snelheid van vliegtuigen. „Het voelde soms wel wat nutteloos”, beaamde Teun Stoker, een van de luchtwachters uit Oudemirdum, in een VPRO-documentaire uit 2017. De toren zou een klimwand worden – het kan nog.

Achter de toren loop ik het bos in: beuken, eiken, varens – een kakofonie van groen en licht en vogelgeluiden – en dan langs de weg richting Stavoren. Links glijdt het land af, de Zuiderfennenspolder in, water blikkert achter de dijk.

Ik loop langs een camping („Geen aankomst of vertrek op zondag”), de eerste van talloze kampeerboerderijen en parken met ‘chalets’ waarvan de overnaadse houten betimmering bij nader inzien van plastic is. Lapje erover en schoon.

Ik had me het Gaasterland leger voorgesteld. Op het fietspad schuiven ze in file voorbij: kwieke plussers-echtparen op identieke e-bikes, bellend, beleefd groetend.

In het bos van Elfbergen is het rustiger. Eerst een slingerpad en dan een kaarsrechte beukenlaan, die een landweg wordt. Een veld lichtgroene gerst ernaast, de wind laat de halmen sidderen. Even verder, op wat de heide van Nijemirdum is geweest, een golfbaan. Een grasmaaier trekt baantjes over weer een andere kleur groen, karretjes en vlaggetjes in de verte. Ik moet denken aan wat een oude Franse edelman me eens vertelde. Hij woonde in de laatste kamer van zijn lekkende kasteel en had zijn grond moeten verkopen. Op zijn laatste hectares parkbos en wijngaard zou een golfbaan komen. „Iedereen moet opeens een golfbaan”, zei hij bitter. „Maar het is een manier om de grond te steriliseren.”

De betonnen luchtwachttoren in het Friese Oudemirdum
Foto Kees van de Veen
De betonnen luchtwachttoren in het Friese Oudemirdum
Foto Kees van de Veen
Luchtwachttoren in het Friese Oudemirdum, en interieur begane grond.
Foto Kees van de Veen

Bij de werkschuur van Staatsbosbeheer, tevens bezoekerscentrumpje, aan de andere kant van Elfbergen, ontspringen een paar wandelroutes. Ik volg er een waar elke tien meter een houten beeld staat van een dier. „Kettingzaagkunst” van een man die zich Banzai-John noemt, winnaar van de Houtheld 2019. De das, de ree, de vos, de spin, het lieveheersbeest. Toch een gekke gedachte dat je met houten dieren een bos opvrolijkt.

En dan ben ik terug in Oudemirdum. Het Gaasterland is een bult keileem uit de voorlaatste ijstijd, die door het water recht is afgeslagen. Het strandje en het piepkleine vissershaventje aan de voet van het Oudemirdumer Klif is nu ruig grasland en de Zuiderzee is zoet. In het zuiden de Noordoostpolder; geen twijfel waar die ligt met de dubbele rij windmolens op de dijk, zo ver het oog reikt. In het westen, net boven de horizon een reepje land. Als je de condensstrepen wegdenkt, weet je niet welke tijd dit is.